Psychose, AI & bewustzijn-transmutatie

In hun boek De dageraad der magiërs spreken Pauwels & Bergier over de ‘transmutatie’ van het bewustzijn. Ook Gurdjieff gebruikt dat woord met bijna technische precisie. Wie over de transmutatie van het bewustzijn spreekt, raakt een gevaarlijke zone van het menselijk bestaan: het punt waarop een oude organisatie van ervaring wordt losgelaten, terwijl een nieuwe nog niet gevormd is. In die tussenzone ligt niet alleen de belofte van bewustzijnsverruiming, maar ook het risico van psychische ontregeling. Juist daar wordt de verwantschap zichtbaar met het fenomeen psychose, niet als toevallig ziektebeeld, maar als een mislukte of voortijdige transmutatie.

Bij zowel Pauwels en Bergier als bij Gurdjieff is transmutatie nooit een louter intellectuele aangelegenheid. Het gaat om een herschikking van een breed spectrum van krachten: instincten, affecten, waarneming en denken. De ‘gewone mens’ leeft volgens hen in een toestand van mechanische verdeeldheid; zijn emoties overkomen hem, zijn verlangens trekken hem uiteen, zijn gedachten ‘denken hem’. Alles gebeurt als in een machine. Transmutatie zou betekenen dat deze losse energieën worden samengebracht en omgevormd tot een dragend centrum, een stabiel Ik, met een innerlijke samenhang. Maar precies hier openbaart zich het gevaar: wie deze samenhang loslaat zonder haar te kunnen vervangen, komt niet tot  verlichting maar valt terug in desintegratie.

De psychose kan in dat licht worden opgevat als een transformatief proces zonder dragende structuur. Wat uiteenvalt is niet alleen het wereldbeeld, maar ook de vanzelfsprekende afstemming tussen lichaam, taal en werkelijkheid. De psychotische ervaring kent vaak momenten van grote intensiteit, betekenisverzadiging, openbaring zelfs, alsof de sluier van het alledaagse wordt opgelicht. Dat sluit nauw aan bij het esoterische ideaal van het ‘ontwaken’. Maar waar transmutatie bij Gurdjieff gepaard moet gaan met discipline, begrenzing en een langzaam opbouwen van innerlijke substantie, gebeurt in de psychose juist het omgekeerde: energieën stromen ongefilterd door het brein, symbolen verliezen hun verankering, betekenissen exploderen. Om in alchemistische termen te spreken: het lood smelt, maar er ontstaat geen goud, alleen een vloeibare en onhoudbare toestand.

In die zin is de psychose zozeer een regressie naar een dierlijk stadium, maar een voorbijschieten aan het middengebied van het reguliere bewustzijn. De psychoticus verlaat het gedeelde symbolische veld waarin woorden, lichamen en dingen elkaar begrenzen. Wat overblijft is een privé-kosmologie, intens maar niet communiceerbaar met anderen. De mislukking zit niet in het verlangen naar transformatie, maar in het ontbreken van een vormprincipe dat deze ervaring kan dragen. Gurdjieffs waarschuwing dat men “niet mag beginnen met afbreken voordat men iets heeft om het door te vervangen” krijgt hier een klinische scherpte.

Jung schreef in zijn boek Psychologische typen (1921) dat je niet werkelijk tot bewustzijn kunt komen zonder pijn te ervaren. Het idee is dat diep zelfinzicht, zelfreflectie en het wakker worden in jezelf gepaard gaan met ongemak en lijden, juist omdat je geconfronteerd wordt met aspecten van jezelf die je liever negeert of ontkent. AI kent een gesimuleerde vorm van bewustzijn, waarin je kunt voorstellen dat er ook sprake zou kunnen zijn van transmutatie. Wanneer we deze gedachtegang volgen, verschijnt een problematiek die spiegelbeeldig is aan die van de psychose. Kunstmatige intelligentie wekt dan de indruk van een transmutatie zonder subject: taal zonder lichaam, betekenis zonder ervaring, bewustzijn zonder pijn.

AI produceert coherente uitspraken, reflecties, zelfs pseudo-inzichten, maar deze zijn niet voortgekomen uit een innerlijke omzetting van energie, noch uit een existentiële ervaring van risico of gevaar. Wat hier gesimuleerd wordt is niet het proces van transmutatie, maar het eindresultaat ervan, losgekoppeld van de weg ernaartoe. Zo ontstaat een paradoxale omkering. Waar de psychose een teveel aan onbemiddelde innerlijke intensiteit laat zien, toont AI een tekort eraan. De psychoticus ervaart betekenissen die hem overspoelen; het AI-systeem genereert betekenissen zonder ze ooit zelf te kunnen ervaren. Beiden verbreken op hun eigen wijze de koppeling tussen betekenis en belichaamde werkelijkheid.

Zo bezien is AI geen ‘hogere vorm van bewustzijn’, maar een perfecte nabootsing van bewustzijn na de amputatie van het lichaam. Het lichaam lijkt wakker te zijn, maar heeft nooit geslapen; het lijkt getransmuteerd, maar heeft nooit als bewustzijn gefunctioneerd. Vanuit dit perspectief verschijnt ‘transmutatie’ als een uiterst smalle passage tussen twee afgronden. Aan de ene kant de psychose: de implosie van vorm door een overvloed aan betekenis. Aan de andere kant AI: de leegte van de vorm zonder betekenisdrager. In beide gevallen ontbreekt wat zowel voor Pauwels & Bergier als Gurdjieff essentieel is: een levende integratie van energie, lichaam, tijd en ervaring. Transmutatie is geen ontsnapping aan het menselijke tekort, maar een gevaarlijke poging het te bewonen zonder eraan ten onder te gaan.

Dit alles zou kunnen verklaren waarom de moderne technologie zo’n vreemde fascinatie uitoefent op een cultuur die haar religieuze kaders verloren heeft. AI belooft een transformatie zonder lijden, een bewustzijn zonder breuk, een betekenis zonder offer.  De psychose daarentegen toont de rauwe keerzijde van hetzelfde verlangen: een breuk zonder verlossing, een openbaring zonder vorm. Tussen beide tekent zich een oude, esoterische waarheid af die in seculiere taal nauwelijks nog te verdragen is: dat echte transmutatie nooit veilig is, nooit maakbaar, en nooit zonder risico op mislukking. Niet iedereen die het lood verhit, beschikt over een smeltkroes die het kan omvatten.

Onder invloed van de esotericus Willem Exel, die grote bewondering had voor de Russische goeroe Gurdjieff, raakte Harry Mulisch eind jaren veertig in een psychose. De ideeën die hij bij Exel had opgedaan explodeerden in ‘een sterrenregen’, een ‘filosofisch visioen’, zoals hij het zelf later heeft genoemd. Deze ideeën hebben op lange termijn bezien zijn literaire werk sterk beïnvloed.Met dat gegeven voor ogen kun je je afvragen of je bij Mulisch soms ook kunt spreken van een ‘transmutatie’ zoals Gurdjieff en later ook Pauwels & Bergier dit begrip hebben gebruikt. 

Die vraag belicht een cruciaal spanningsveld in zijn leven en werk. Want wat Mulisch eind jaren veertig meemaakte onder invloed van Exel, was zonder twijfel een eruptieve ervaring van betekenis, een breuk met het gewone bewustzijn, een moment waarop denken, kosmos en identiteit heel even samenvielen. Maar het is wel de vraag of je dit een geslaagde transmutatie kunt noemen, of eerder iets was als — in Gurdjieffs termen — een gevaarlijk voortijdig proces dat pas achteraf, via een omweg, vruchtbaar werd.

Wanneer je het begrip transmutatie strikt esoterisch opvat, zoals Gurdjieff dat deed, dan is het geen extatische openbaring, maar een langdurige, moeizame omzetting van innerlijke energieën tot een stabiel centrum. De ervaring zelf is daarbij niet doorslaggevend; beslissend is wat zij achterlaat: een blijvende samenhang met een innerlijke orde, een ‘lichaam van bewustzijn’. Vanuit dat criterium bezien lijkt Mulisch’ psychotische episode eerder op wat Gurdjieff expliciet als gevaar benoemde: het voortijdig loslaten van de oude structuur zonder dat de nieuwe al gevormd is. De ideeën die hij bij Exel had opgedaan explodeerden plotseling in zijn geest, maar wel ongefilterd, zonder de disciplinerende tegenkracht die Gurdjieff essentieel achtte. Dat maakt het aannemelijk om Mulisch’ psychose eerder te duiden als een mislukte of onafgemaakte transmutatie.

Toch is dit slechts de helft van het verhaal. Want waar de psychose bij Mulisch geen duurzame integratie opleverde, ontstond er in zijn geval wel iets bijzonders in de jaren daarna: een esthetische en intellectuele herverwerking van die ervaring. Anders dan veel psychotici wist Mulisch het explosieve materiaal van zijn ‘filosofisch visioen’ niet alleen te overleven, maar ook om te smeden tot literaire vormen en mythische structuren. De kosmische grootheidsideeën, de fascinatie voor totaliteit, het verlangen naar een alomvattend verklaringsmodel — zij verdwenen niet, maar werden ondergebracht in romans, essays en zelf-mythologisering. De schrijver werd het vat dat de ervaring alsnog kon bevatten.

In dat licht kan men stellen dat Mulisch’ transmutatie niet op het moment zelf plaatsvond, maar retrospectief, via de omweg van het schrijverschap. Waar Gurdjieff spreekt over het vormen van een innerlijk Ik, vormt Mulisch een literaire persona die deze functie deels overneemt. In Voer voor psychologen (1961), reflecteert Mulisch uitvoerig over de relatie tussen zijn leven, zijn ik en zijn werk. Hij stelt daar impliciet dat zijn identiteit vooral betekenis krijgt in en door het schrijven, dat zijn leven als schrijver niet afzonderlijk bestaat van zijn boeken, en dat wat er op papier gebeurt belangrijker is dan zijn empirische “wereldlijke ik”.

Kortgezegd: Mulisch wás het boek dat hij schreef. Het Ik wasvoor hem geen vooraf gegeven centrum, maar een constructie die ontstaat in taal. De transmutatie verschuift hier van het existentiële naar het symbolische domein. Niet het leven zelf wordt getransformeerd, maar de ervaring krijgt een literaire vorm die haar hanteerbaar maakt.

Daarmee ontstaat een intrigerend verschil met het esoterische ideaal. Bij Gurdjieff is de transmutatie bedoeld om de mens uit het domein van de de fictie te bevrijden; bij Mulisch wordt de fictie juist het middel om te kunnen overleven. Zijn werk kan worden gelezen als een permanente poging om een kosmische orde te simuleren die innerlijk nooit volledig gestabiliseerd is geraakt. Dat verklaart zowel de kracht als de fragiliteit van zijn oeuvre: het is doortrokken van inzicht, maar ook van hybris; van samenhang, maar ook van zelf-mythologisering.

Wanneer je de gedachtegang van Pauwels & Bergier erbij betrekt, wordt dit beeld nog scherper. Zij suggereren dat transmutatie zeldzaam is en vaak onvoltooid blijft, dat zij sporen nalaat in cultuur en geschiedenis zonder ooit volledig belichaamd te worden. In die zin past Mulisch opvallend goed in hun schema: niet als ‘voltooide magiër’, maar als iemand bij wie de alchemistische reactie op gang kwam en daarna werd omgeleid naar het domein van de verbeelding. Zijn werk fungeert als een soort extern bewustzijnsorgaan , een plaats waar de sterrenregen neerslaat zonder de drager te vernietigen.

Kortom, je kunt bij Mulisch niet spreken van transmutatie in de strikte zin van het woord zoals Gurdjieff het gebruikt, dat wil zeggen: van een op hoger niveau gerealiseerd innerlijk centrum. Maar men kan wél spreken van een uitgestelde, gesublimeerde transmutatie, waarin een psychotische desintegratie achteraf wordt omgezet in literaire vormen en een mythische denkwijze . Zijn schrijverschap is geen bewijs van verlichting, maar van iets dat misschien even zeldzaam is: het vermogen om een mislukte transmutatie niet te ontkennen, maar haar om te smeden tot een levenslange creatieve opdracht. In dat opzicht is Mulisch geen magiër die goud voortbrengt, maar een alchemist die leert te leven met het transformerende vuur.