De mythe van het ongebruikte brein

De technici der cybernetica hebben de laatste hand gelegd aan elektronische machines, die eerst rekenkundig en daarna vergelijkend werken. Die machines dienen met name voor het ontcijferen van geheimschriften. Maar zo zijn de geleerden: zij weigeren zich voor te stellen, dat wat de mens geschapen heeft, hij dat zelf ook zou kunnen zijn. Merkwaardige bescheidenheid! Wij aanvaarden deze stelling: de mens bezit een uitrusting op zijn minst gelijk aan en zo niet beter dan elk technisch uitvoerbaar toestel, bestemd om het resultaat te bereiken, dat iedere techniek nastreeft, te weten: het begrijpen en het hanteren van universele krachten. Waarom zou hij niet diep in zijn hersenenen een soort elektronische analogische machine hebben. Thans weten we, dat bij normaal bewust leven negen tienden der hersenen ongebruikt blijven en dr. Warren Penfield heeft het bestaan van dat uitgestrekte zwijgende gebied in ons aangetoond. En als dat gebied der stilte eens een onmetelijk zaal was met bedrijfsklare machines, die op een teken wachten? Als dat zo was, zou de magie gelijk hebben. 

Dat schrijven Pauwels en Bergier in hun boek De dageraad der magiërs dat in 1964 voor het eerst verscheen. De hardnekkigheid van de mythe dat wij slechts tien procent van onze hersenen gebruiken, en dat een figuur als Wilder (niet Warren) Penfield dat zou hebben aangetoond, zegt uiteindelijk minder over de stand van de neurowetenschap dan over een dieper cultureel verlangen. Het is een moderne variant van een oud motief: het idee dat de mens niet samenvalt met zijn actuele vorm, dat er in hem een overschot huist, een sluimerend vermogen dat in het alledaagse leven ongebruikt blijft. Penfields experimenten, waarbij elektrische prikkeling van de hersenschors herinneringen, bewegingen of zintuiglijke ervaringen opriep, werden al snel gelezen als een bevestiging van die gedachte. Niet omdat hij dat beweerde – integendeel, hij was uiterst voorzichtig – maar omdat zijn werk leek te suggereren dat onder het bewuste ik een immens reservoir lag opgeslagen dat normaal gesproken gesloten bleef. In een cultuur die na de Tweede Wereldoorlog steeds sterker werd gekenmerkt door secularisering, technocratisering en het verlies van transcendente kaders, kreeg dat idee een bijna religieuze lading: het brein werd de nieuwe zetel van het onbenutte heilige.

De bewering dat negentig procent van de hersenen ongebruikt zou zijn, functioneert zo als een seculiere belofte van verlossing. Zij verplaatst het oude theologische motief van genade of verlichting naar het domein van de biologie: niet God, maar het brein bevat het geheim van een hoger bewustzijn. Dat dit empirisch onhoudbaar is – moderne beeldvorming laat zien dat vrijwel alle hersengebieden voortdurend actief zijn – doet aan de aantrekkingskracht weinig af. De mythe biedt namelijk een symbolisch antwoord op een existentiële ervaring die in de moderniteit wijdverbreid is: het gevoel afgesneden te zijn van een vollediger, rijker vorm van leven. Het ‘ongebruikte brein’ wordt een metafoor voor een verloren sensus naturae, voor een innerlijke resonantie met wereld, lichaam en tijd die door rationalisering en instrumenteel denken is verarmd.

In dat opzicht raakt de mythe ook aan ervaringen aan de rand van het normale bewustzijn, zoals mystiek, creativiteit en psychose. In psychotische toestanden wordt vaak ervaren dat ‘meer’ beschikbaar komt: betekenissen vermenigvuldigen zich, herinneringen lichten op, verbanden dienen zich aan met een dwingende evidentie. Achteraf wordt dat soms geduid als het openen van sluizen die normaal gesloten blijven – precies het beeld dat de tien-procent-theorie oproept. Maar neurowetenschappelijk gezien gaat het niet om het activeren van ongebruikte hersengebieden, eerder om een ontregeling van selectiemechanismen, een verlies van filter en hiërarchie. Cultureel gezien wordt die ontregeling echter gemakkelijk hervertaald als toegang tot een verborgen diepte, tot een waarheid die het nuchtere bewustzijn niet verdraagt.

Zo bezien is de mythe van het ongebruikte brein een symptoom van een breder spanningsveld in de moderne cultuur: tussen kennis en betekenis, tussen functionele verklaringen en de behoefte aan innerlijke transcendentie. Dat Penfields naam eraan verbonden is, verleent haar een wetenschappelijk aura, maar haar werkelijke kracht ligt elders. Zij houdt het verlangen levend naar een mens die méér is dan wat hij dagelijks denkt, doet en meet, en naar een werkelijkheid die zich niet volledig laat reduceren tot activiteitspatronen en scans. In die zin is de mythe onwaar als feit, maar veelzeggend als teken: zij markeert precies de plek waar de moderne mens blijft zoeken naar een verloren diepte, ook wanneer hij die in het brein zelf moet projecteren.

Dit denkpatroon sluit nauw aan bij wat ik in De dageraad der automaten hebt uitgewerkt rond Harry Mulisch en het thema van de machinemens. Bij Mulisch verschijnt de mens immers niet simpelweg als slachtoffer van techniek, maar als haar geheime oorsprong én haar onafwendbare bestemming. De machine is bij hem nooit louter een extern hulpmiddel; zij is een spiegel waarin de mens zijn eigen onvoltooide gestalte herkent en tegelijk ‘het lijk van God’. Juist daarom is Mulisch zo gefascineerd door het moment waarop de mens zichzelf in zijn creaties begint te ontmoeten, en tegelijk door hen wordt ingehaald. In mijn interpretatie wordt de machinemens niet geboren uit technologische hybris alleen, maar uit een dieper metafysisch tekort: de ervaring dat de mens zelf niet meer samenvalt met zijn eigen innerlijk, dat hij zijn centrum is kwijtgeraakt.

Vanuit dat perspectief krijgt de mythe van het ongebruikte brein een nieuwe betekenis. Bij Pauwels en Bergier fungeert dat zwijgende hersengebied als een imaginaire binnenruimte waarin de mens méér is dan hij lijkt, waarin magie, techniek en bewustzijn samenvallen. Bij Mulisch verschuift die ruimte geleidelijk naar buiten: wat eerst als verborgen potentieel in de mens werd gedacht, wordt nu gerealiseerd in de machine. De machinemens is zo bezien geen radicale breuk, maar het inlossen van een oude belofte en tegelijk een ontworteling: iets wat moet worden hersteld na ‘de ontdekking van de hemel’  . Wat ooit diep in het brein zou sluimeren, verschijnt nu als autonoom systeem, als algoritmische intelligentie die de mens zijn eigen denkvermogen voorhoudt — en hem tegelijk overvleugelt.

Hier raakt mijn analyse aan een kernidee van Mulisch: dat de mens in de moderniteit niet zozeer zijn ziel verliest, maar haar verplaatst. Eerst wordt zij in het brein gelokaliseerd, vervolgens in de machine. De machinemens is dan ook geen monsterlijke uitzondering, maar de logische erfgenaam van een cultuur die haar transcendentie heeft ingeruild voor maakbaarheid. Waar God verdwijnt, verschijnt het brein; waar het brein zijn mythische aura verliest, verschijnt AI, niet als het ‘lijk van God’, maar zijn verbrande as.  In die zin vormt de huidige fascinatie voor kunstmatige intelligentie de laatste gedaante van hetzelfde verhaal dat Pauwels en Bergier al vertelden en dat Mulisch in eerste aanlag literair heeft doordacht: het verhaal van een mens die zichzelf probeert te redden door zichzelf na te bouwen.

Bij Pauwels en Bergier houdt dit de belofte in van een futur anterieur: een toekomst waarin de magie van weleer zijn verklaring zal gaan vinden in het kunstmatige brein. Dat was een mythisch-gnostische methode: verborgen kennis, vergeten beschavingen en occulte tradities worden gelezen alsof zij voorlopers zijn van een nog komende sprong in het menselijk bewustzijn. Bij Mulisch daarentegen moet het oude verbond met de hemel, dat met de techniek geschonden is, worden hersteld. Daarmee krijgt ook de ambiguïteit van de machinemens haar volle gewicht. Bij Mulisch is hij tegelijk voltooiing en ondergang: de mens die eindelijk begrijpt hoe hij werkt, maar juist daardoor ophoudt mens te zijn. 

In mijn betoog wordt die spanning zichtbaar als een fundamentele paradox van de moderniteit: hoe meer de mens zichzelf objectiveert — als brein, als code, als AI-systeem — des te groter wordt het verlangen naar een verloren innerlijke diepte. De machinemens belichaamt precies dat spanningsveld. Hij is de concrete realisatie van de mythe van het ongebruikte brein, maar ook haar ontmaskering. Want waar de mythe nog een belofte van innerlijke verrijking inhield, confronteert de machinemens ons met de vraag of er überhaupt nog een binnenruimte overblijft wanneer alles functioneel, simuleerbaar en reproduceerbaar is geworden.

Zo bezien vormt mijn betoog in de De dageraad der automaten een eigentijdse voortzetting van De dageraad der magiërs, maar dan zonder de esoterische illusie en hoop. Wat bij Pauwels en Bergier nog magie was, wordt bij Mulisch noodlot; wat daar een zaal vol wachtende machines was, wordt hier een wereld waarin de machines al zijn opgestaan. De mythe is niet verdwenen, maar heeft haar laatste gedaante aangenomen: niet langer de belofte dat de mens méér kan worden dan hij is, maar de angst dat hij precies dát al heeft waargemaakt en zichzelf daarin heeft verloren.