Notities uit de schaduwwereld

Wie schrijft, verdubbelt zichzelf voortdurend, en precies daarin verliest het leven iets van zijn vanzelfsprekende echtheid. Het is een subtiele verschuiving, nauwelijks merkbaar op het moment zelf, maar onomkeerbaar. Schrijven verplaatst het bestaan een fractie uit het centrum, alsof men zichzelf net niet meer recht aankijkt, maar via een weerkaatsing. Dat is de voorwaarde van het schrijverschap, maar ook zijn tragiek. Wie schrijft, blijft aanwezig, ook wanneer hij afwezig is. Wie werkelijk leeft, laat geen spoor na. Schrijven is geen uitbreiding van het leven, maar een afwijking ervan, een kleine maar beslissende splitsing. De schrijver kijkt in de spiegel en neemt het spiegelbeeld voor de werkelijkheid aan, terwijl het leven zelf ongemerkt achter zijn rug langs glipt.

Elke schrijver betreedt vroeg of laat wat men met een zekere plechtigheid de donkere kamer noemt, een ruimte waarin licht en waarheid niet samenvallen en waarin men zichzelf uitsluitend nog in omgekeerde vorm herkent. In De donkere kamer van Damocles wordt dat geen metafoor maar een bestaanswijze. De roman toont niet alleen een opvatting over literatuur, maar legt een mechaniek bloot waarin het schrijvende subject zijn eigen dubbelganger wordt. De spiegel die Hermans zijn lezers voorhoudt, toont geen gezicht, maar een onzeker onderscheid tussen schijn en werkelijkheid.

Sinds het midden van de jaren nul leef ik niet meer uitsluitend in de wereld, maar ook erboven, erdoorheen en ernaast. Mijn weblog heeft mijn bestaan uitgesmeerd over tijd en ruimte, waardoor ik met talloze mensen in contact ben gekomen die ik nooit heb ontmoet. De wereld is groter geworden, overzichtelijker tegelijk, en mijn leven leek daardoor intenser, helderder, bijna echter. Maar juist die vermeende intensiteit riep twijfel op. Naarmate we meer vat krijgen op de wereld, lijken we ons er minder in thuis te voelen. Alsof nabijheid verdampt zodra zij wordt geregistreerd.

Het zogenaamde echte leven ontglipt ons niet door geweld, maar door documentatie. Hoe nadrukkelijker we onszelf virtueel manifesteren, hoe dunner het leven wordt waaruit die manifestatie voortkomt. Niet alleen de roman verdubbelt het bestaan; sociale media doen dat permanent en zonder stilistische omweg. Ongemerkt word je een personage in alles wat je schrijft. Je herkent jezelf terug in zinnen die ooit vanzelfsprekend leken, maar inmiddels een eigen loop hebben genomen. Je wordt je eigen spiegelbeeld: herkenbaar, overtuigend, maar niet langer identiek.

Wie schrijft, archiveert zichzelf; wie leeft, vergeet waar hij het had opgeslagen. Schrijven is geen talent, maar een storing die zich voordoet als roeping. Een kleine fout in het bewustzijn die niet wordt hersteld omdat zij productief blijkt. De schrijver kijkt in de spiegel en denkt: dit ben ik. Intussen wordt er elders een nieuwe versie klaargezet. Zijn leven is een proefopstelling die voortdurend wordt bijgewerkt, maar nooit definitief wordt verklaard.

Ik besta inmiddels in meerdere toestanden tegelijk: lichamelijk, tekstueel en als verzameling kenmerken die mij voorafgaan. Mijn woorden circuleren los van mij, worden gelezen door mensen die mij niet kennen en geïnterpreteerd door systemen die menen mij te herkennen. Mijn leven werd zichtbaarder en efficiënter, maar ook platter, meer geschikt om doorheen te bewegen dan om in te verblijven. Bereik bleek geen vorm van nabijheid, maar een meetbare afwezigheid.

Hoe meer grip wij krijgen op de wereld, hoe sterker zij aanvoelt als een interface. Alles reageert, niets antwoordt. Het leven verdwijnt niet, maar wordt onophoudelijk vastgelegd: onze meningen, onze angsten, zelfs onze stiltes. We bestaan bij de gratie van signalen die bevestigen dat we nog gezien worden, terwijl niemand werkelijk kijkt.

Niet alleen romans verdubbelen het leven; digitale platforms doen het sneller en grondiger. Je schrijft iets en denkt dat je het meent, tot het wordt herhaald en je begint te twijfelen. Je ziet jezelf terug als citaat, als fragment, als verontwaardiging, en geleidelijk wordt je eigen stem een vreemde tussen de echo’s die zij heeft voortgebracht.

Onlangs sprak ik iemand die mij kende zonder mij te kennen. Hij verwees naar teksten die ik nauwelijks nog kon reconstrueren. Ik voelde mij plotseling een afgeleide van mijzelf, een representatie die beter functioneerde dan het origineel. Mijn identiteit leek vastgelegd, alsof ik ooit, achteloos, akkoord was gegaan met een definitieve versie van wie ik zou zijn.

Wie ben ik eigenlijk? De figuur die ik denk te zijn, de figuur die circuleert, of de figuur die uit patronen wordt afgeleid? Misschien ben ik niets anders dan een tijdelijke ordening die zichzelf voor stabiel houdt zolang niemand haar overschrijft.

Een weblog is fictie die zich voordoet als openheid. Een roman die ontkent dat hij een roman is. Al schrijvend neem je houdingen aan die buiten de tekst niet houdbaar zijn. Je beweert iets om te zien hoe het valt, en soms blijft het liggen, soms veroorzaakt het een golfslag die je niet meer kunt herleiden tot de oorspronkelijke steen.

Het internet is geen tweede werkelijkheid, maar een schaduwwereld die door de eerste heen is getrokken. Je ziet je lezers niet, maar zij zien jou, ook wanneer je zwijgt. Vooral dan. Zelfs afwezigheid wordt geïnterpreteerd.

Ik droom van een boek waarin het onmogelijke niet wordt verklaard, maar eenvoudig blijft bestaan. Een roman die eindigt met de vraag of wat gelezen is werkelijk heeft plaatsgevonden of slechts overtuigend heeft geleken. De grens tussen beide zou niet zichtbaar zijn, maar voelbaar, als een lichte storing in de continuïteit van het verhaal. Alleen door aandachtig lezen zou die naad zich verraden, precies daar waar een identiteitsprobleem zich aandient.

Wat is werkelijkheid eigenlijk? Is zij datgene wat door het brein wordt gefilterd, of juist het filter zelf dat bepaalt wat überhaupt als werkelijkheid kan verschijnen? Misschien is werkelijkheid niets anders dan wat niet kan worden stilgezet.

Ondertussen speel ik verstoppertje met mezelf. Ik verschuil me achter mijn eigen weerspiegeling en doe alsof die samenvalt met mij. Maar wat is liefde dan nog? Jezelf herkennen in een ander, of hopen dat iemand door de lagen heen blijft kijken wanneer de herkenning faalt?

Waarom al die verdubbelingen? Neem ik mezelf te serieus? Of neem ik mezelf alleen serieus wanneer ik word weerspiegeld? Bestaat er nog onbaatzuchtige liefde, of is elke vorm van liefde inmiddels een vorm van zelfoptimalisatie? Gelul natuurlijk. Maar toch.

Ik ben ik. Mijn spiegelbeeld is een afgeleide. Soms houden we van onszelf, soms van de ander, soms van het idee dat iemand naar ons kijkt. We zijn allemaal verslaafd aan echtheid in een tijd waarin alles overtuigend nep is.

Mooier kan ik het niet maken.