‘Een schilder kan niet over het schilderen schilderen, maar een schrijver kan over het schrijven schrijven. Er is een afgrond in de taal: de schrijver. In vroeger dagen stond bij die afgrond een verbod: de schrijver moet verborgen blijven in zijn werk. In onze dagen is de schrijver in de schrijver gevallen.’
Dat schrijft Harry Mulisch in zijn postuum verschenen boek De ontdekking van Moskou. Hoe kan de schrijver in de schrijver vallen? Mulisch bedoelt wellicht dat taal zichzelf kan ondervragen, waardoor de schrijver onvermijdelijk in zijn eigen tekst terechtkomt. Waar de schrijver vroeger verborgen moest blijven, is hij nu zelf onderdeel van het schrijven geworden. Dat maakt de moderne literatuur fundamenteel reflexief, maar ook instabiel: schrijven balanceert sindsdien op de rand van zelfkennis of zelfverlies, inzicht en waan. Precies in die spanning — tussen scheppen en verdwijnen — ligt voor Mulisch zowel het gevaar als de motor van het moderne schrijven.
Maar dat nog niet alles wat hem dreef? In zijn eveneens postuum verschenen De tijd zelf beweert hij dat de mens niet zonder dromen kan. Dromen zijn geen luxe of bijverschijnsel, maar even noodzakelijk voor het psychisch functioneren als ademhalen en eten voor het lichaam. Als je iemand structureel verhindert te dromen, valt zijn innerlijke samenhang uiteen: hij gaat hallucineren en raakt geestelijk ontwricht. Dat principe wordt zelfs misbruikt in martelingen. Vervolgens geldt die noodzaak niet alleen tijdens de slaap, maar ook in wakende toestand. Daarom zoeken mensen voortdurend naar verhalen, beelden en klanken. Sprookjes, mythen, romans, toneel, film en schilderkunst zijn allemaal vormen waarin het dromen zich voortzet terwijl we wakker zijn. Zelfs muziek noemt Mulisch een ‘abstracte droom’: een verhaal zonder woorden, maar met dezelfde psychische functie.
Het verschil is natuurlijk wel, dat alle verhalen, sprookjes en mythen van oudsher door de lezer ook als fictie – en dus als onecht – werden ervaren. Door AI gaat die grens tussen echt en onecht steeds meer vervagen of zelfs geheel wegvallen. De verbeelding wordt een kuil om in te vallen. Waar Mulisch nog droomde met zijn pen, droomt de mens van nu met zijn machine. De droom is uitbesteed.
Het schrijven van een boek betekende van oudsher ook voor de schrijver zelf een vlucht in een andere werkelijkheid. Het schrijven kon zelfs een persoonlijke transformatie teweegbrengen. Schrijven vereist hoe dan ook toewijding, zelfreflectie en doorzettingsvermogen. Het kan een rite de passage betekenen, een belangrijke overgang naar een volgende levensfase. Zo’n natuurlijk schrijfproces gaat niet zelden met pijn en moeite gepaard. Ook het schrijven van dit boek ging voor mijzelf zeker niet vanzelf, al mag het dan grotendeels gaan over het schrijven dat ‘vanzelf gaat’ in de aanloop van een psychose.
Een psychose kan een plotselinge doorbraak zijn naar een andere denk- en levenswijze, wat zijn uitwerking kan hebben op een heel mensenleven. In dit boek ben ik op zoek gegaan naar zo’n andere benaderingswijze van de psychose. Daarbij heb ik me mede laten inspireren door basale veranderingen die zich kunnen voordoen in het denken. Een van de grote veranderingen die ons te wachten staan, zal veroorzaakt worden door de recente doorbraak van de kunstmatige intelligentie. Daarbij komen ook allerlei ‘AI-tools’ beschikbaar, waarop je als schrijver een beroep kunt doen en zelfs teksten als vanzelf kunt laten ontstaan volgens de wetten van het toeval, of andere nog onbekende wetmatigheden.
Zo wordt ‘het toeval van de werkelijkheid’ tegenwoordig uitbesteed aan machines. Maar het toeval van de werkelijkheid is van oorsprong een natuurlijk fenomeen, geworteld in het levende en onvoorspelbare. Dat kun je niet zomaar overlaten aan iets wat door een mens is gemaakt op basis van rationele vooronderstellingen. Dan ontstaat er zoiets onmogelijks als het toeval in het kwadraat: het algoritmische toeval van de machinemens. Het toeval van een leven zonder de intrinsiek menselijke vraag: ‘Waarom?’ Voor de machinemens bestaat er geen waarom, alleen de machinelogica.
“Es gibt hier kein Warum,” waren de woorden van de SS-bewaker als antwoord op een vraag van Primo Levi — woorden die, hoe onvergelijkbaar ook, iets laten zien van de ontmenselijking die optreedt zodra het waarom uit het spreken verdwijnt. Toeval is geen zaak van een machine, maar een natuurlijk verschijnsel. Toch is ook de menselijke geest geneigd de natuurlijke status van het toeval te ontkennen. In wezen bestaat er in onze perceptie geen zinloze aaneenschakeling van toevallige gebeurtenissen.
Alles, maar dan ook alles, kun je in de verbeelding aan elkaar plakken met de lijm van oorzaak en gevolg, al is de logica van die lijm soms ver te zoeken. Ook een schrijver zet de wereld opnieuw in elkaar volgens zijn eigen logica. Er wordt wel eens beweerd dat een schrijver schrijft om zelf niet te hoeven leven. Zijn eigen fictie is een substituut voor de werkelijkheid — maar is de waanwereld van iemand die in een psychose belandt dat ook niet? Waar ligt de grens tussen de literaire fictie van een mens en het toeval in het kwadraat van de machinemens?
AI herschept die grens. Niet langer weten we wat we zien, horen, lezen, of zelfs denken. Beelden, stemmen, woorden — alles kan gesimuleerd worden met een precisie die het oorspronkelijke overtreft. Wat ooit een droom was, wordt nu gegenereerd. De oude tegenstelling tussen feit en fictie, tussen geest en materie, tussen mens en machine, begint op te lossen. We leven in wat je een synthetisch realisme zou kunnen noemen: een werkelijkheid die haar eigen fictieve kern niet langer verbergt.
Wat Mulisch niet kon voorzien was dat de schrijver in zijn scheppingsdrang niet alleen onvermijdelijk in zichzelf zou vallen — in de bodemloze spiegel van zijn eigen verbeelding – , maar ook in de technische vervolmaking van het schrijven. De technologische vooruitgang, met haar belofte van oneindige kennis en beheersing, heeft iets psychotisch gekregen. Ze versnelt, zwelt aan, verliest elk referentiepunt. De werkelijkheid implodeert tot beeld. De tijd zelf wordt vloeibaar, en met haar de identiteit van de mens.
Juist die razendsnelle ontwikkeling van de techniek had bij Mulisch het beeld van een Prometheus-achtige mythe opgeroepen: de mens die het vuur van de hemel steelt en erdoor wordt verteerd. Maar misschien is onze tijd al voorbij de Prometheus-mythe. We hebben het vuur niet alleen gestolen, maar ook aan de machine doorgegeven. De mens is niet langer de schepper, maar de schakel in een eindeloze keten van simulaties.
Daarmee verandert ook onze ervaring van wat realiteit is. De psychotische toestand, waarin de grens tussen waan en werkelijkheid oplost, is niet langer een uitzondering, maar dreigt de algemene conditie van het bewustzijn te worden. De werkelijkheid is niet meer buiten ons, maar een veld van projecties, algoritmen en spiegelbeelden. En is dat niet nu al zo? Wie kan met zekerheid bepalen of de uiteindelijke tekst van dit boek inderdaad door mijzelf is geschreven, en niet door een AI-programma dat mijn stijl heeft geleerd, mijn woordgebruik heeft geabsorbeerd, mijn innerlijke stem heeft nagebootst?
De vraag is niet langer wat is waar, maar wie droomt wie? Mulisch wist al dat de schrijver niet alleen zijn boek maakt, maar erdoor wordt gemaakt. De schrijver schept een mythe en verdwijnt erin. Maar in het tijdperk van de kunstmatige intelligentie dreigt de mythe van het schrijverschap zelf te verdwijnen Of, preciezer gezegd: opgenomen te worden in een grotere, onpersoonlijke mythe van de machine.De schrijver wordt een algoritme van zichzelf. De psychose wordt het collectieve onbewuste van de digitale mensheid. En de werkelijkheid? Die blijft, zoals Mulisch al vermoedde, een verhaal dat vanzelf gaat — maar niemand weet meer door wie het geschreven wordt.
Sombere beschouwingen over ‘nep is echt en omgekeerd’ zijn overigens niet nieuw. De opkomst van de digitale fotografie in de jaren negentig maakte elke foto voortaan onbetrouwbaar als het om echtheid gaat. En het decennium daarvoor bracht ons het postmodernisme, met als bottomline dat alles representatie wordt. Dat waren in wezen nieuwe vormen van cultuurpessimisme die doorgaans geen acht sloegen op het feit dat een mens van oudsher een hang heeft naar het onechte, waarin hij zichzelf kan verliezen en dus ontvluchten. Sinds Homerus en de Bijbel biedt de fictie ons troost voor de keiharde werkelijkheid, zo niet, dan waren er geen schrijvers. Fictie is voor mens even noodzakelijk als dromen. Maar als de werkelijkheid zelf als een droom gaat lijken omdat de grenzen met de fictie niet meer te trekken zijn verandert er iets fundamenteels in de menselijke ervaring.
In haar boek The Extinction of Experience (2024) uit Christine Rosen haar bezorgdheid over de opkomst van AI-tools zoals ChatGPT, die in staat zijn om stapsgewijs de tekst van een heel boek te genereren. Zij suggereert dat het gebruik van dergelijke tools kan leiden tot een afname van menselijke creativiteit en autonomie en een verschuiving in onze perceptie van wat als origineel en authentiek wordt beschouwd.
Maar er verandert ook iets in de ervaring van de lezer, die voortaan niet meer zeker kan zijn van wat hij leest. De bodem onder elke zekerheid wordt weggetrokken door de razendsnelle technologische ontwikkelingen die ongemerkt maar ook onontkoombaar onze ziel aantasten.
En wie kan de mensheid nog redden als er iets mis gaat met de ziel? De paranoia sluipt binnen tussen de kieren van de nieuwe technologie. Sterker nog, die paranoia is er al. Wie zal met overtuigende bewijzen kunnen ontkennen dat alles wat u hier leest door een machine is geschreven? In tijden van AI is niet alleen de schrijver, maar ook de lezer in zichzelf gevallen.
