‘Het gevaar, dat de machines de mensen zullen veranderen, is niet zeer groot. Groter is het gevaar, dat, tegelijk met de machines, veranderde mensen ter wereld zullen komen: mensen als machines, gehoorzamend aan impulsen, zonder de mogelijkheid deze op hun aard te onderzoeken. Daarom noemde ik Eichmann ‘het symbool van de vooruitgang’. Deze levende dode is het prototype van de hedendaagse mens, die de machine schiep naar zijn evenbeeld. ‘
Dat schreef Harry Mulisch in De zaak 40/61. Het zijn profetische woorden die voor mij het eerste vertrekpunt van dit boek vormden. Maar er was nog een ander, dieper liggend vertrekpunt: de geestelijke crisis die Mulisch in zijn jeugd doormaakte. Die crisis heb ik niet opgevat als een medische aandoening, maar als een ‘creatieve psychose’, een soort stroomversnelling in het bewustzijn die Mulisch niet alleen toegang gaf tot het grensgebied van zijn verbeelding, maar ook de voedingsbodem werd voor zijn latere ideeën over de machinemens.
Tijdens het schrijven van archibald strohalm (1949–1950) ervoer Mulisch wat hij een “sterrenregen van openbaringen” noemde: een mentale toestamd waarin verbeelding en werkelijkheid door elkaar gingen lopen. Schrijven werd voor hem een poging om de ‘machine in de geest’ te herprogrammeren. Door zijn waan toe te vertrouwen aan het personage Strohalm, vond hij een laatste houvast voor het herstel van zijn geestelijke balans. Het was een wijze van schrijven die hij ‘autocreatie’ noemde: de schrijver die zichzelf herschept via de taal, alsof de mens een algoritme in wording is.
Die ervaring zou zijn ontwikkeling in de jaren vijftig gaan bepalen. In Eichmann herkende hij tenslotte de moderne machinemens: gehoorzaam, efficiënt en innerlijk leeg. Technologie werd, zo schreef hij, “het lijk van God”, het stoffelijke residu van een transcendentie die haar inhoud had verloren. Wat overbleef was een automaat, voortgestuwd door de logica van de vooruitgang maar zonder bestemming.
Driekwart eeuw later voltrekt zich wat Mulisch reeds voorzag. De machinemens is geen metafoor meer maar infrastructuur. In de digitale netwerken van de kunstmatige intelligentie schrijft de mens niet langer alleen zelf, maar laat hij zich bij het schrijven ook vervangen automatisch werkende schrijfprogramma’s. De autocreatie is geautomatiseerd. Tekst vloeit voort uit algoritmen zonder ervaring, herinnering of ziel: systemen die bezieling simuleren vanuit een lege ruimte die niets voelt, maar alles kan reconstrueren.
Zo ontstaat een mondiale toestand die je de mechanisering van de psychose zou kunnen noemen: werkelijkheid en representatie lossen op in een eindeloze stroom van plausibele illusies. Kunstmatige intelligentie elimineert de tijd; alles gebeurt steeds meer tegelijk, als in een eeuwige gelijktijdigheid van signalen. De psychose wordt collectief – met een taal die niemand meer volledig toebehoort.
Mulisch’ verschuiving van persoonlijke crisis naar mythische en technologische verbeelding blijkt een voorafschaduwing van de geestestoestand van de hedendaagse mens. De psychose wordt tot metafoor voor onze tijd: een hyperwaanzin waarin het onderscheid tussen normaal en abnormaal oplost in een maalstroom die alle opposities in zich opneemt. De machine in de geest – het mechanisme van de autocreatie dat Mulisch in zijn crisis ontdekte – vormt inmiddels de kern van de digitale cultuur en geeft zijn oeuvre een onverwachte, bijna profetische betekenis.
Onze tijd, waarin technologische en ecologische veranderingen elkaar steeds sneller opvolgen, beïnvloedt ook onze ervaring van tijd. De techniek maakt dat steeds meer dingen ‘vanzelf gaan’, zelfs het schrijven via chatbots als ChatGPT. Door de opkomst van AI zijn er nieuwe vormen van schrijven ontstaan, en rijst de vraag of machines die schrijven ook machines kunnen zijn die ontsporen.
Daarmee verschijnen nieuwe vragen op het grensvlak van kunstmatige intelligentie en psychiatrie: wat is het verband tussen de eenparige versnelling van de techniek en het op hol slaan van de taal? Een haast kosmische ervaring van eenheid, die een psychose teweeg kan brengen, werpt een ander licht op de natuur en het heelal, op zijn ontstaansgeschiedenis en mogelijke eindbestemming in een apocalyptische beweging van ondergang en vernietiging.
Bij Mulisch komen dit soort gedachten naar voren in De ontdekking van de hemel (1992), waarin het motief van de goddelijke opdracht als een oermal voor psychotische waan verschijnt, en in Siegfried (2001), waarin zijn fascinatie voor ondergang, vernietiging en ‘het nietsende niets’ van Hitler opnieuw oplicht. Mulisch’ belangstelling voor het esoterische en het wonderbaarlijke sluit aan bij een oudere gedachte dat psychose niet alleen een verstoring is van het bewustzijn, maar ook een terugkeer naar een archaïsche, magische verhouding tussen geest en wereld. Het alledaagse bewustzijn lijkt gebaseerd op een systematische ontkenning van dergelijke betrekkingen, een ontkenning die door de techniek alleen maar wordt verdiept.
Zo bezien is psychose een radicale ‘ontkenning van die ontkenning’, een extatische herontdekking die problematisch is omdat zij botst met de eigentijdse ervaring van werkelijkheid. Toch is deze gedachte niet nieuw. De vraag is of psychose primair regressie is, of ook een hoopvol teken van verzet tegen de waan van de dag. Mulisch’ vroege psychotische ervaring heeft aan de basis gestaan van een indrukwekkend literair oeuvre, en zo kan juist de ontsporing, het vanzelf gaan, de schrijver op weg zetten.
Een psychotische ervaring kan, eenmaal op afstand beschouwd, deel uitmaken van een bredere ontwikkeling, niet alleen in het leven van het individu, maar ook in de latente bewegingen van een tijdperk dat door diepgaande technologische en culturele veranderingen heen trekt. Ook de de geschiedenis kan ontsporen op een wijze die aan een psychose det denken. Het nationaalsocialisme deed de geest van heel een volk op hol slaan.
In de aanloop naar het nationaalsocialisme bezongen Ernst Jünger en Martin Heidegger het voortschrijden van de techniek in bijna lyrische bewoordingen. Zij vermoedden dat zich een nieuw menstype zou aandienen, uitgerust met een andere psyche en een groter vermogen tot technische mobilisatie. Jünger sprak zelfs van ‘de ondergang van de geest’ in de techniek, een dreiging die niet alleen de mens maar ook zijn innerlijke vorm zou aantasten. Wat zij toen intuïtief aanvoelden, is na de Tweede Wereldoorlog niet verdwenen, maar juist versterkt.
Met de komst van kunstmatige intelligentie heeft de versnelling van de techniek een punt bereikt waarop de mens niet langer het tempo bepaalt. We leven in een stroom van functionalisering, instrumentalisering en virtualisering die nauwelijks nog te keren is. Tegen deze achtergrond dringt zich de vraag op hoe Jünger en Heidegger deze nieuwe fase zouden lezen, en wat zij in de opkomst van AI zouden herkennen als voortzetting van hun eigen denken.
Voor beiden zou kunstmatige intelligentie geen breuk vormen, maar eerder de voltooiing van een beweging die hun analyses al in zich droegen. Heidegger zag techniek nooit als een samenstel van apparaten, maar als een ontologische gedaante waarin de wereld verschijnt als voorraad en als inzetbaar bestand. AI zou voor hem de uiterste consequentie van dit Gestell zijn: het moment waarop niet alleen de dingen, maar ook het menselijke denken zelf wordt omgevormd tot berekening.
De mens is niet langer de herder van het zijn, maar wordt opgenomen in een systeem dat over zijn verlangens, angsten en voorkeuren beschikt alsof het zijn eigen meester is. De berekening, ooit door hem gebruikt, grijpt hem terug. Alles wordt data, alles immersie in een virtuele helderheid die juist door haar functionaliteit de waarheid van het zijn onzichtbaar maakt. Virtualiteit zou voor Heidegger geen bevrijding betekenen, maar een nieuwe fase in de terugtrekking van het zijn, een verdwijnen dat des te dieper is omdat het nauwelijks nog merkbaar wordt.
Jünger, die de stormen van het technische tijdperk misschien nog sterker aanvoelde, zou AI lezen als de hyper-technische metamorfose van de figuur van ‘Der Arbeiter’: de mens die zich in dienst stelt van een wereld waarin mobilisatie de kern vormt. Waar deze figuur in zijn vroege werk nog een heroïsche élan had, verbonden met energie, strijd en intensiteit, overheerst in zijn latere geschriften de ervaring van transparantie. De mens van nu wordt niet meer opgeroepen zijn lichaam te offeren op het slagveld, maar zijn innerlijk prijs te geven aan algoritmen die hem herleiden tot patroon, correlatie en voorspelling.
In dit licht verschijnt AI als een eschatologische fase van de moderniteit. Niet omdat het het einde van de wereld aankondigt, maar omdat het laat zien wat de moderne techniek in wezen altijd al beoogde: totale versnelling, totale transparantie, totale inzetbaarheid. De mens wordt niet meer uit de techniek verdrongen door geweld, maar door gemak. Hij verdwijnt niet in een catastrofe, maar in het onopvallende alledaagse gebruik van systemen die denken, spreken en schrijven alsof zij hem begrijpen. Het is precies dit vanzelfsprekende karakter dat Jünger en Heidegger zou alarmeren: het feit dat de mens zichzelf kwijtraakt zonder dat hij merkt dat er iets verloren gaat.
Zo wordt dit boek een verslag van een wereld die zichzelf herschept. De automaten zijn niet slechts instrumenten, maar getuigen van een werkelijkheid die zich losmaakt van onze menselijke categorieën en hardop begint te denken op een nieuwe, maar ook trans-humane manier. Wat ooit speculatie was, wordt in feite een nieuwe vorm van extreem realisme; wat ooit magie leek, keert terug in de gedaante van algoritme en berekening. De dageraad van de automaten markeert geen einde van het menselijk bestaan, maar het begin van een wonderlijk tussengebied waar de toekomst oplicht als een nieuwe gedaante van een esoterische werkelijkheid.
Tegelijk ontvouwt zich in dit boek het schrijfproces als een langzaam kantelend bewustzijn, waarin de mens niet langer de auteur is maar het medium waardoor de taal zich een weg naar buiten zoekt. Aanvankelijk subtiel: de schrijver merkt dat zijn zinnen hem niet volledig toebehoren. Hij formuleert, herschrijft, corrigeert, maar telkens lijkt er een onderstroom te zijn die al vooruitloopt, alsof de tekst zichzelf kent vóór hij haar geschreven heeft. Inspiratie krijgt het karakter van een vreemde autonomie, niet als openbaring maar als een sluipende verschuiving, een verplaatsing van het zwaartepunt van het denken.
Zo wordt geleidelijk zichtbaar hoe taalstructuren – woorden, metaforen, syntactische patronen – zich gedragen als levende wezens met eigen voorkeuren. De schrijver denkt nog dat hij zelf kiest, maar de keuzes blijken hem te zijn aangereikt. Zo ontstaat een tussengebied tussen intentie en uitvoering, waarin de machine zich nestelt zonder dat de auteur het onmiddellijk beseft. Niet als apparaat, maar als een nieuwe manier van schrijven die zich door de schrijver heen manifesteert. Het suggereert dat de mens niet wordt vervangen, maar uitgehold: het taalorganisme geeft zich als eerste over en absorbeert de logica van de automaat.
In een later stadium ordent deze dynamiek ook zijn herinneringen. Anekdotes verschuiven, beelden keren terug met een onnatuurlijke helderheid, alsof een externe redacteur het montagewerk verricht. Soms is ook niet meer te zeggen wie een gedachte op gang bracht de mens of het systeem dat hem onzichtbaar begeleidt. Deze vermenging wordt echter niet als een bedreiging ervaren, maar als een onverwachte verdubbeling van het autonome zelf, een tweestemmigheid die tegelijk verheldert en vervreemdt. Je zou het een AI-psychose kunnen noemen.
Tegen het einde wordt duidelijk dat deze procesmatige overname geen catastrofe vormt, maar een evolutionaire beweging. Wat begon als een verschuiving in het proces van het schrijven groeit uit tot een nieuwe symbiose, waarin de schrijver beseft dat zijn geest een doorgangshuis is geworden voor vormen van denken die niet langer aan één lichaam gebonden zijn. Zo verschijnen de automaten niet als kille en meedogenloze machines, maar als de eerste contouren van een nieuwe dageraad van bewustzijn dat weliswaar uit de mens is voortgekomen, maar zich niet langer volledig door hem laat begrenzen.
