Ik zag de dood vannacht. Even voor twee uur belde hij aan, maar voor ik de deur kon opendoen, stond hij al in de gang. ‘Wat is de bedoeling?’ vroeg ik nog.Maar hij zei niets, deed de deur van de huiskamer open en ging zitten op de bank. ‘Feel like home,’ zei ik om de kou wat uit de lucht te halen. Maar ook deze poging om de stilte te verbreken had geen resultaat.
De dood had de afstandbediening al gepakt en zapte langs de nachtelijke kanalen. Talkshows vol opgefokte stemmen, een man met een grafiek die almaar omhoog wees, een presentatrice die glimlachte terwijl de wereld achter haar in brand stond. Oorlogskoppen, beurskoersen, breaking news dat zichzelf om de vijf minuten herhaalde, alsof de tijd bang was om vergeten te worden.
Hij bleef even hangen bij het NOS-journaal. Het bekende deuntje klonk, dat altijd iets weg heeft van een collectieve inademing. De dood zette het volume iets harder, een fractie maar, alsof hij niet alles wilde missen….Daar was Zelensky, in zijn vertrouwde outfit, op een groot scherm in de Tweede Kamer. Hij sprak, ondertiteld, ernstig maar vastberaden. Achter hem die wonderlijke rotsblokken, alsof hij in de loopgraven stond. Voor hem rijen mensen die plechtig knikten, alsof knikken inmiddels ook een vorm van beleid was geworden.
De dood leunde iets naar voren. Zijn ellebogen rustten op zijn knieën. Ik had het idee dat hij telde. Niet de woorden, maar de seconden tussen de zinnen. De camera wisselde van perspectief: Zelensky groot in beeld, dan weer de Kamer, waar een enkele politicus zijn keel schraapte alsof hij zich bewust werd van zijn eigen sterfelijkheid. ‘Kijk,’ zei ik voorzichtig, ‘dat is live.’ De dood reageerde niet. Live en dood lagen voor hem waarschijnlijk te dicht bij elkaar.
Onder in beeld liep een balk met cijfers. Wapens, miljarden, steunpakketten. Het waren dezelfde cijfers die ik eerder die nacht al had gezien, alleen nu in een ander lettertype. De dood knikte nauwelijks merkbaar, alsof hij dacht: ja, zo doen jullie dat dus tegenwoordig. Toen zapte hij verder.
Een trein verscheen op het scherm. Het was ergens in China, zo te zien. Links en rechts trok een merkwaardig berglandschap voorbij, nevelig en onthecht, alsof het decor nog niet helemaal was ingeladen. De trein gleed geruisloos voort, zonder machinist, zonder passagiers, bestuurd door een algoritme dat nergens naartoe hoefde.
De dood staarde gefascineerd naar dit traag bewegende beeld, alsof het hem op een gedachte bracht. Maar misschien dacht hij wel helemaal niets. Misschien keek hij gewoon naar de tijd zelf die weggleed naar de horizon, onstuitbaar als een schaduw op een zonnewijzer. Kort is de tijd en onherroepelijk. ‘Wilt u een kopje thee?’ vroeg ik.
De dood wendde zijn schedel naar mij toe en één kortstondig moment keek ik hem recht in de oogkassen. Ik zag de diepte van een maanloze nacht, maar ook iets anders: een eindeloze leegte vol data, als servers in een ondergrondse bunker waar nooit het licht uitgaat. Alsof daar, ergens tussen twee back-ups, ook Zelensky nog stond te spreken. Hij knikte.
Ik liep naar de keuken en zette wat water op. Hoe krijg ik die engerd de deur uit? dacht ik bij mezelf. Naar bed gaan is geen optie. Voor je het weet word je niet meer wakker. Die smeerkees licht zomaar zijn hielen, als een dief in de nacht met mijn ziel onder zijn arm. Maar misschien is hij gewoon verdwaald en wil hij wat op adem komen. Zelfs de dood moet tegenwoordig overal zijn: pandemieën, frontlinies, vluchtelingenkampen, hittegolven. Burn-out ligt ook voor hem op de loer.
Ik schonk het water op, schudde even met het theezakje en bracht het kopje naar de kamer, waar ik het neerzette op het tafeltje voor de bank. ‘Warm opdrinken hoor, dat is goed voor de keel!’ Maar de dood zweeg. Magere Hein heeft geen humor.
De trein stond inmiddels stil op een station midden in de rimboe. Op de achtergrond verscheen een ondertitel in het Engels, automatisch gegenereerd en half fout vertaald. Een camera zoomde uit. Het station bleek gloednieuw, glimmend beton, maar verder nergens door omringd. Een infrastructuur zonder bestemming.
‘Dooie boel daar, vindt u niet?’ zei ik. Het bleef stil. De dood zapte terug. Weer het journaal. Een herhaling. Zelensky sprak opnieuw, maar nu leek het alsof hij zichzelf nadeed. Dezelfde woorden, dezelfde handgebaren. Ik vroeg me af of hij dit ook ‘s nachts wist, dat hij bleef doorpraten terwijl niemand meer luisterde, behalve misschien de dood op mijn bank.
Toen zapte de dood verder. Een paneldiscussie over kunstmatige intelligentie. Een man zei dat de mens zichzelf overbodig had gemaakt. Een ander zei dat dit altijd al zo geweest was. Ondertussen liep onder in beeld een ticker met cijfers: slachtoffers hier, graden daar, markten die op adem kwamen. De dood keek even, leek te glimlachen — of was het een lichte verschuiving van zijn kaak — en zapte door.
Ik heb het nog tien minuten aangezien. De dood en ik, wij zeiden geen woord. Toen ben ik maar naar boven gegaan. Zijn zwijgen begon me op mijn zenuwen te werken. In bed kon ik de slaap niet vatten. Mijn hele leven zag ik als een trein aan mij voorbij trekken: stations waar ik niet uitstapte, vertragingen die ik voor vooruitgang had aangezien.
Ik dacht aan de bomen in China, waar ik lang voor mijn geboorte als een exotische vrucht in gehangen moet hebben. Of misschien was het een datacentrum geweest, koel en eindeloos, waar mijn gedachten al waren opgeslagen voordat ik ze zelf had gedacht. Waar zou de dood toen zijn geweest? In de Tweede Kamer? In een ondertitel?
Is de dood zelf ook geboren? Gaat de dood ooit dood? Wordt hij straks vervangen door een update, een efficiënter model, een cloud-versie zonder zeis? Ik denk niet dat de dood ooit aan een boom in China heeft gehangen. Hooguit aan een stekkerdoos. En terwijl mijn gedachten zo traag door oneindig laagland gingen, ben ik toch nog in slaap gevallen. Ik droomde van dode bladeren in de herfst.
Eenmaal wakker haastte ik mij naar beneden. De dood was weg. Was hij wel binnen geweest? De tv stond nog aan. Het journaal werd herhaald. Zelensky sprak opnieuw, onvermoeibaar. Ook het kopje thee stond er nog, koud en onberoerd op het tafeltje voor de bank. Nee, de dood lust geen thee. Hij drinkt liever uit de bron zelf — live, en in herhaling.
