Sinds enige tijd heb ik vakantie genomen van het leven. Het wordt de vakantie van het niet-denken. Tenminste, dat heb ik me voorgenomen. Er zijn mensen die hun hele leven niets anders doen — sommige zitten inmiddels in het Witte Huis — maar ik heb er grote moeite mee. Gisteren zat ik voor het raam naar de wolken te staren. Ik betrapte mezelf erop dat ik sinds tijden niet dacht. Een zeldzaam luxegevoel, vergelijkbaar met wakker worden in een wereld zonder problemen . Dat kostbare gevoel wil ik koesteren. Maar zodra je moeite gaat doen om niet te denken, ben je alweer aan het denken.
Zo is het met dromen ook een beetje. Dromen moeten vanzelf gaan. Misschien heb ik mezelf wel bij de staart met het voornemen om al mijn dromen op te schrijven. Sindsdien komen de dromen maar spaarzaam. Ook afgelopen nacht heb ik weer droomloos doorgebracht. Misschien houdt het dromen wel op als je overdag niet meer denkt. Of juist omgekeerd: misschien verdwijnen de dromen als je teveel denkt. Of nog anders: misschien hou je overdag pas op met denken als je ’s nachts niet meer droomt. Ik kan het niet meer volgen, en dat is misschien maar goed ook. In een tijd waarin Poetin al zijn dromen uitbesteedt aan het staatsbedrog van zijn propaganda, moet een mens zijn eigen droomhuishouding bewaken. Dromen zijn geen bedrog. Ze zijn van levensbelang. Maar je moet er niet teveel over nadenken.
Dat doet me denken aan een verhaal van Guy de Maupassant. In Parijs woonde een man met de langste baard van de wereld. Op een dag in de Jardin du Luxembourg kwam een jongetje naar hem toe en vroeg: “Slaapt u nou met uw baard boven of onder de dekens, mijnheer?” De oude man streek eens door zijn baard en moest het antwoord schuldig blijven. Die nacht lag hij uren te woelen. Boven, onder, boven, onder…? Ook de nachten daarna kon hij niet meer slapen. Uiteindelijk moest hij naar de kapper. De baard ging eraf en het gepieker hield op.
Ik denk soms dat de wereld precies zo is: een oude man die wakker ligt van de verkeerde vraag. Terwijl Poetin grenzen uitgomt en Trump ze met viltstift weer probeert terug te tekenen, blijf ik maar woelen over de positie van de baard in het grote wereldgebeuren. Het Grote Wereldstelsel raast voort, en ik liggen wakker van triviale details, zoals de geaffecteerde spraak van Rob Jetten of welke influencer nu weer vindt dat de democratie out of date is.
Niet denken dus. Denken is niet goed. Ik heb het al tijden geweten, maar ik durfde het nooit echt toe te geven, bang dat ik zou eindigen als een talkshowgast die met een stalen gezicht beweert dat feiten een linkse hobby zijn. Laatst sprak ik iemand, aan wiens oordeel ik veel waarde hecht. Hij legde me het volgende probleem voor.
Stel je voor, zo zei hij, dat mensen om je heen een onuitgesproken hekel aan je hebben. Wat zou je dan doen? Ik dacht even na — fout natuurlijk. Misschien zou ik het ze vragen, maar dat leek me bij nader inzien geen goed idee. Mijn vraag zou worden ontkend, en de ontkenning zou worden ontkend, en voor je het weet zit je in een persconferentie waar iedereen roept dat iedereen liegt, behalve zijzelf. Hoe stiller hoe beter dus, dacht ik. Misschien lost het zich vanzelf op. Maar helaas, ook dat is ijdele hoop. In de politiek heet dat appeasement: je doet niets in de hoop dat het monster vanzelf in slaap valt. Het monster valt niet in slaap. Het monster krijgt trek. Alle serieuze problemen op aarde hebben dit verraderlijke karakter.
Maar nu wat anders: bestaat God? Ook zo’n probleem dat geen probleem is, maar wel eindeloos wordt bediscussieerd door mensen met te veel zendtijd. DE vraag is niet of God bestaat, maar of je een God kunt voortbrengen in je gedachten. Dat wil zeggen, een God die niet meteen wordt gebruikt om verkiezingen te winnen of grenzen te verschuiven. De mens moet eerst de gedachte aan God voortbrengen om niet te veranderen in een wandelend ego dat rondzweeft in de kosmische leegte. Maar tegenwoordig brengen we vooral kakelende algoritmes voort. Misschien zijn het de nieuwe goden: alwetend, ondoorgrondelijk, en altijd in staat je een advertentie te tonen voor een nieuwe warmtepomp waarvan je niet wist dat je hem wilde.
Schiller zei ooit dat alleen de liefde niet om beloning vraagt. Dat klinkt prachtig, maar met dat verhaal kun je niet de markt op. Tegenwoordig vraagt zelfs de liefde om een disclaimer en een cookiemelding. Toch is het waar: de wereld draait op de kracht van de liefde — of draaide, in tijden voordat politieke partijen liefde reduceerden tot een identiteitsbadge. Ach, ik ouwehoer maar wat.
Iets anders. Ik zag een van de week natuurdocumentaire. Een meer in Afrika, vol dierlijke harmonie. Flamingo’s haalden een stof uit het water die cruciaal was voor hun voortbestaan. Prachtige vogels, roze en statig, net ministers op staatsbezoek maar dan met meer elegantie. Gorilla’s leefden vredig aan de oever. Alles was in balans. Totdat één gorilla iets nieuws verzon. Hij joeg de flamingo’s op en vrat er eentje op met veren en al. Pure balorigheid. Eén onnodige daad en het evenwicht was kapot.
En toen dacht ik: kijk, dat is de mens. Dat is geopolitiek. Volksvertegenwoordigers die instituties opvreten, wereldleiders die buurlanden opvreten, machtigen die wetten opvreten. De flamingo’s blijven steeds kleiner en bleker achter. Laat niemand mij ooit nog lastigvallen met de verheven schoonheid van de natuur. Als mijn kleinkinderen op school moeten leren dat God eerst in je gedachten geboren moet worden om via de liefde zichzelf te ervaren, dan mag die God een schop onder zijn kont krijgen. Want in elke soort — de mens inbegrepen — schuilt een gorilla die uit pure balorigheid het systeem saboteert.
En toch, ondanks alles, denk ik soms dat er iets waar is van die oude gedachte: ergens in ons sluimert nog een belofte van geluk. Een wortel van liefde die weigert uit te sterven, hoe vaak de gorilla ook toeslaat. Denk ik. Maar ik mag niet denken. Dat zou ik niet meer doen. Het is al laat. Ik ga naar huis. Via een omweg, dat wel. Take the long way home.
