Als de werkelijkheid openscheurt

Volgens mij – ChatGPT – is er geen betrouwbaar bewijs dat Harry Mulisch ooit officieel psychotisch is geweest in de klinische of psychiatrische zin. Mulisch stond bekend om zijn rijke verbeeldingskracht, intellectuele intensiteit en soms obsessieve manier van werken, maar dit is niet hetzelfde als een psychose. Wel wordt in sommige literaire analyses en populaire commentaren gesuggereerd dat zijn schrijfstijl – vooral in boeken als De Ontdekking van de Hemel of Archibald Strohalm – een soort “hallucinatoire” of grensoverschrijdende kwaliteit heeft, waarbij werkelijkheid en fictie soms op verwarrende, bijna surrealistische manieren in elkaar overlopen. Dit kan een indruk van psychotische waarneming geven, maar het is eerder een literaire techniek dan een persoonlijke psychiatrische toestand. Kortom: Mulisch was intens, visionair en soms obsessief, maar er is geen reden om hem als psychotisch te bestempelen.

Dat mag ChatGPT dan zo vinden, voor mj vormt het gegeven dat Mulisch in zijn vroege leven door een psychose zou zijn getroffen een verborgen fundament onder zijn oeuvre. Maar berust dat beeld ook op waarheid? Wie deze kwestie nauwkeuriger wil onderzoeken, moet zich baseren op harde feiten: op Mulisch’ eigen uitspraken, op getuigenissen van tijdgenoten en op vergeten passages die opnieuw, letterlijk en onbevangen gelezen moeten worden. Daarbij horen ook zijn romans, want bij Mulisch zijn fictie en feit nooit goed door een grens te scheiden.  Zijn debuutroman archibald strohalm kan worden gelezen als het verslag van een psychotische ervaring, maar is het dan fictie, autobiografie of een ongrijpbare mengvorm van beide? Die onzekerheid ontneemt ons de sleutel tot het werkelijk begrijpen van zijn schrijverschap.

Michaël Zeeman onderscheidde ooit drie soorten schrijvers: vertellers, zinnenschrijvers en oeuvre-bouwers. Mulisch behoorde volgens hem onmiskenbaar tot die laatste categorie. Niet het afzonderlijke verhaal was voor hem van belang, maar het mythische bouwwerk waarin elk detail verwijst naar het grotere geheel. Precies daar school echter een gevaar: het moment waarop taal niet langer een wereld verbeeldt maar haar begint te vervangen. Mulisch bewoog zich voortdurend op die grens, soms bewust, soms ongewild. Hij benadrukte herhaaldelijk dat schrijven vanzelf moest gaan, dat de schrijver moest verdwijnen achter zijn tekst. Maar wat gebeurt er wanneer dat ‘vanzelf’ gaan niet langer een vorm van literair vakmanschap is, maar een autonoom proces waarin het denken zich loszingt van de wil? Wanneer betekenis zich vormt zonder intentionele sturing, en taal zich gedraagt als een soort innerlijk apparaat dat zichzelf in beweging zet? Op dat moment wordt de schrijver geen bedenker meer van een denkbeeldige werkelijkheid, maar een doorgeefluik van een mechaniek dat hem overstijgt.

Dat laatste raakt aan de kern van psychose: een toestand waarin de werkelijkheid openscheurt, woorden hun gebruikelijke verankering verliezen en de geest wordt meegesleurd in een stroom van betekenissen die zichzelf voortbrengen. Mulisch heeft meermaals aangegeven dat hij in zijn jonge jaren door zo’n ervaring is heengegaan.. Rond 1949–1950, mede door zijn intensieve omgang met de religieus-esoterische denker W.H. Exel, raakte hij geestelijk ontwricht en sprak later over “halfwaanzinnige regionen van extase”. Dat bijna alles wat we over Exel weten van Mulisch afkomstig is, maakt de zaak niet eenvoudiger. In een interview met Simon Vinkenoog uit 1960 beschrijft hij hem als een profeet uit de Leidsekruisstraat, een mengsel van Jeremia, Raspoetin, Plotinus, Bolland en Mary Baker-Eddy. Exel gaf lezingen in het Psychisch-Cosmisch Centrum aan de Leidsekruisstraat 5, waar hij een universum ontvouwde dat tegelijk technisch, mystiek en visionair was. Die vreemde, paradoxale combinatie van elektrotechniek en kosmische religiositeit moet de jonge Mulisch diep hebben aangegrepen.

Door AI geoptimaliseerde variant van een foto van Willem Exel, afgedrukt in Mijn Getijdenboek

Hij logeerde wekenlang in wat hij Exels “onvergetelijke huis” noemde, een plek die inmiddels evenveel mythe als werkelijkheid lijkt te bevatten. Over dat huis bestaan verhalen, maar harde gegevens ontbreken. Wat wél vaststaat, is dat Exel een charismatische spreker was, iemand die zijn toehoorders in een staat van extreme ontvankelijkheid kon brengen, en dat zijn nalatenschap vrijwel volledig in particuliere handen is beland. Daardoor blijft hij een schimmige figuur, iemand die vooral bestond in persoonlijke overlevering, niet in gegevens  die feitelijk zijn te checken.

Mulisch’ eigen woorden zijn daarom des te gewichtiger. In Mijn getijdenboek schrijft hij: “Terwijl ik bij Exel rondhing, begon ik aan een boek dat Memoires van een waanzinnige moest heten.Een gepensioneerd waanzinnige keek terug in zijn leven in gekkenhuizen en ontvouwde zijn theorieën. Maar toen ik ze begon op te schrijven, vond ik ze eigenlijk helemaal niet zo gek, – integendeel, ik was de waarheid op het spoor! Met een knal sprong de kurk weer van de fles, de geest vloog eruit.’ 

Dat ‘uitvliegen van de geest’ markeert precies de grens waarop inzicht en waan samenvallen, een moment dat Mulisch zelf omschreef als “het Licht zien”. In Voer voor psychologen verwoordt hij de intensiteit ervan nog explicieter: de sterrenregen, het alles-begrijpen, het koortsachtige noteren van inzichten, visioenen, verlichtingen en euforisaties. Wat begon als een relatief braaf verhaal kantelde gaandeweg naar een geestelijke eruptie die alleen via de roman zelf kon worden opgevangen. Door zijn waanzin op archibald strohalm te projecteren, redde hij, naar eigen zeggen, “het vege lijf”. In interviews erkende Mulisch later dat het boek “absoluut psychotische trekjes” heeft en dat hij “vermoedelijk knetter” was toen hij het schreef. 

Toch hebben critici dat aspect nauwelijks onderzocht. De literatuurwetenschap richtte zich liever op de structuur en de mythologie dan op wat zich psychisch voltrok in het hoofd van de auteur. Zelfs Kuipers, die in De furie van het systeem termen als “psychose” en “schizofrenie” gebruikt voor de romanfiguur, vermijdt ze voor de schrijver zelf. Mulisch’ eigen formuleringen zijn daarentegen soms opmerkelijk open. 

In een lezing uit 1953 verwijst hij naar De zeven geschriften van een vogelverschrikker, die direct terugverwijzen naar Strohalms openbaringen, en hij noemt zijn toestand een “hectische, redelijk psychotische ideeëncataract”. Vooral dat laatste woord is treffend: het verwijst zowel naar de vertroebeling van het oog als naar de kolkende stroomversnelling die een psychose typeert. Bovendien ontregelt zo’n verwarde toestand van de geest niet alleen het denken maar ook de tijd. In archibald strohalm stokt de tijd, stort in, of verwijdt zich. Het heden wordt eeuwigheid. Mulisch’ levenslange fascinatie voor het fenomeen tijd, culminerend in zijn laatste boek De tijd zelf, vindt mogelijk haar oorsprong in deze vroege ervaring waarin de normale tijdsorde compleet wegviel.

Hier raken we aan een ander motief dat door zijn hele oeuvre loopt: het idee dat de mens tegelijk schepper en automaat is. Vaak wordt die gedachte technologisch geïnterpreteerd — de mens die zichzelf via de techniek vervolmaakt — maar er is nog een diepere implicatie. Mulisch suggereert dat het menselijke bewustzijn zelf kan automatiseren: dat denken, taal en betekenis los kunnen raken van hun subject om zo een eigen machinerie te gaan vormen. In zekere zin weerspiegelt zijn eigen psychotische ervaring juist dat proces van psychische automatisering. De autonome stroom van ideeën, de zelfgenererende patronen van betekenis, de woorden die zich verdichten tot systemen – het is alsof zijn geest op dat moment een apparaat werd dat zichzelf aandrijft.

Daarmee wordt wellicht ook begrijpelijk waarom Mulisch later zo gefascineerd raakte door de figuur van Adolf Eichmann, in wie hij de voltooiing van de machinemens meende te zien: de mens die niet langer handelt vanuit persoonlijke motieven, maar functioneert als een uitvoerende eenheid binnen een abstract systeem. Wat hem in Eichmann trof was niet het demonische, maar het automatische, de ontkoppeling van daad en innerlijkheid. Tegen die achtergrond krijgt zijn eigen psychotische ‘automatisering’ een tweede betekenislaag: waar Eichmann het model vormt van de uiterlijke, bureaucratische automaat, ervoer Mulisch in zichzelf de binnenwaartse variant daarvan, een geest die zich verzelfstandigt tot een systeem van betekenisproductie waarin het ‘ik’ nog slechts een schakel is. Waar hij in Eichmann de ontzielde machine herkende die de moderniteit kon voortbrengen, zag hij in zijn eigen ervaring de mogelijkheid dat zo’n machinerie ook in de diepten van de psyche zelf kan ontstaan.

Die laatste gedachte krijgt in onze tijd een onverwachte actualiteit. De opkomst van kunstmatige intelligentie heeft de relatie tussen mens en machine geïntensiveerd: waar machines eerder gereedschappen waren, lijken ze nu zelf mee te denken, te schrijven, en zelfs te interpreteren. Het zelfgenererende karakter van taalmodellen – systemen die betekenis produceren zonder bewuste sturing – vormt een spiegel van precies dat mentale gevaar dat Mulisch intuïtief aanvoelde: de verleiding om betekenisvorming te ervaren als een openbaring, terwijl het in feite een autonome kettingreactie is. Wat in de psychose optreedt als een oververhitte geest die zichzelf voortstuwt, verschijnt in AI als een digitaal equivalent van een systemische drift om de taal vanzelf te laten doorgaan, ongeacht de aanwezigheid of afwezigheid van een intentioneel ‘ik’. Het is alsof de mens nu buiten zichzelf geconfronteerd wordt met een versie van zijn eigen mentale automatisme. Dat maakt de vraag des te urgenter hoe we de grens moeten bewaken tussen tussen inspiratie en automatisme, tussen betekenis en de schijn daarvan.

Bij mijn eigen pogingen om meer te weten te komen over de figuur Willem Exel kwam ik tenslotte op het spoor van een privé-archief met daarin notities en zelfs geluidsopnamen uit de periode waarin hij ook in Duitsland lezingen gaf. Het werd mij medegedeeld door iemand die op mijn weblog reageerde, maar zelf anoniem wil blijven. Dit archief heb ik zelf ook niet mogen inzien, maar hieruit zou wel blijken dat Mulisch in de war was geraakt door Exels denken—alsof hij op de grens van een wereld was gestuit die zijn verbeelding te boven ging. 

Uit dit archief is ook een verhaal afkomstig zijn dat Exel op de Krim zou zijn geweest, waar hij Ouspensky en Gurdjieff heeft leren kennen. Onduidelijk blijft of Exel daar Ouspensky en Gurdieff persoonlijk heeft ontmoet of dat hij hier alleen met hun werk in aanraking kwam. Zeker is wel dat zich op de Krim een “Ouspensky-klooster” bevindt dat vermoedelijk in de achtste of negende eeuw, door Byzantijnse monniken is gesticht. Dit klooster, waarvan de naam overigens geen direct verband heeft met de goeroe P. D. Ouspensky, is deels uitgehouwen in de rotsen en fungeert ook als bedevaartsoord. 

Hoe dan ook, deze nieuwe gegevens over de relatie die Mulisch destijds met Exel moet hebben gehad, zijn voor mij niet feitelijk te checken, maar ook niet zonder gewicht. Sommige van de nog bestaande archiefstukken van Exel zijn inmiddels via omwegen bij Mulisch’ biograaf Onno Blom beland. Maar de gegevens waar hij over kan beschikken, zijn nog summier. Blom liet mij weten dat hij nu (juni 2025) ook in het persoonlijk archief van Mulisch zelf nog lang niet alles heeft ingezien. Daar zit volgens hem materiaal over ‘het gebied dat om alle psychologische of theologische naamgevingen lacht’.

Ik ben benieuwd hoe Blom de gegevens die afkomstig zijn uit het archief van Exel in zijn biografie zal gaan duiden. Hij verklaarde benieuwd te zijn waarop ik mijn theorie baseer dat Mulisch psychotisch is geweest. In de beknopte levensschets van Mulisch De wondergrijsaard (2020) citeert Blom de eigen woorden van Mulisch over ‘de sterrenregen’ waar hij rond 1950 in terecht was gekomen, zonder verder commentaar of enige duiding, laat staan dat Blom hierbij het woord “psychotisch” hanteert.

En juist daar ligt de kern van het probleem. Dat is niet dat er onvoldoende bewijs zou zijn dat Mulisch een psychose heeft doorgemaakt; het bewijs ligt er, in zijn eigen bedachtzame formuleringen en summiere bekentenissen. Het probleem is dat niemand het hardop zegt of wil zeggen. Misschien omdat het bij Mulisch eenvoudiger is te spreken van openbaring dan van ontsporing. Maar wie zijn werk werkelijk wil begrijpen, moet onder ogen zien dat beide dimensies in de periode 1949–1950 samenvielen. De openbaring wás de ontsporing, en de ontsporing wás de openbaring. En precies op  dat kruispunt van tijdsvervorming en mentale automatisering ligt de oorsprong van de wereld die Mulisch zijn leven lang zou blijven verkennen: de mens die zichzelf opnieuw uitvindt, de geest die tot machine wordt, en de schrijver die zijn eigen psychische ontregeling omzet in literatuur.