De waan in tijden van AI

In Het algoritme van de waan (2023) heb ik beschreven hoe in de naoorlogse decennia een subtiel maar ingrijpend verschijnsel zichtbaar werd: de manier waarop mensen hun werkelijkheid steeds meer door een innerlijk algoritme van betekenissen en projecties laten bepalen. Dat algoritme, zo betoogde ik, is niet zomaar een psychische structuur, maar het resultaat van een culturele verschuiving waarin de mens steeds meer modellering van zichzelf ontleent aan de techniek. Wat ik toen nog niet expliciet in mijn analyse betrok – maar wat na herlezing van mijn bronnen essentieel blijkt – is de gedachte van Pauwels & Bergier dat de machine in de twintigste eeuw zelf tot een bron van waan is geworden. De mechanisering van het leven heeft nieuwe vormen van collectieve waan mogelijk gemaakt.

Het nationaalsocialisme was daarvan de meest vernietigende manifestatie: een massale psychotische structuur, opgetuigd met de esthetiek én de logica van de machine. Het bood een perfecte illustratie van wat er gebeurt wanneer een cultuur haar ziel verliest, maar haar technische vermogens intact laat: de techniek wordt dan niet langer een instrument van rationaliteit, maar een versterker van archaïsche impulsen.

Pauwels & Bergier hebben in hun boek De dageraad der magiërs de nazi-periode beschreven als een laboratorium voor occulte experimenten en esoterische ideologieën. Wat zij suggereerden is dat de nazi’s de modernste technologie combineerden met archaïsche mythen, pseudowetenschap en verborgen kennis. Daarmee werd het Derde Rijk een hybride constructie: een hypermoderne staat die zich ontpopte als een archaïsch cultisch systeem. Het was een moderniteit die zichzelf achterwaarts droomde, een futurisme dat in wezen een regressie was naar het mythische.

Voor Pauwels & Bergier was de machine geen neutraal instrument, maar een magisch object, een soort fetisj die toegang verleende tot krachten voorbij de rationele orde. Het nazisme werd zo niet slechts een politiek regime, maar een technologisch ondersteunde waan. De machinemens was rijp voor de waan omdat de psychose zelf een mechanische structuur had aangenomen: een gesloten systeem van illusies, feedback-loops en zelfbevestigende mythologieën .Dat si eeneen structuur waarin de massawaan optimaal gedijt. Het Derde Rijk functioneerde als een collectieve hallucinerende machine.

Die gedachte sluit aan bij de analyse die ik in mijn boek Het algoritme van de waan maakte over de verbanden tussen Hitler en de hippies. De jaren zestig waren immers niet alleen een periode van politieke en culturele breuk, maar ook van een opmerkelijke terugkeer van archaïsche, irrationele en mystieke structuren. Terwijl de babyboomers zich afkeerden van religie en traditie, ontstond er aan de randen van hun beweging een fascinatie voor het occulte, het hermetische, voor astrologie, psychedelica en nieuwe vormen van ‘kosmische kennis’. Het was alsof de secularisatie een vacuüm had gecreëerd, waarin oude verlangens naar transcendentie opnieuw begonnen rond te zingen. .

Wat in het nazisme desastreus uitwerkte als een gesloten, raciaal geladen mythe, verscheen in de sixties in een ogenschijnlijk bevrijdende gedaante: als zoektocht naar bewustzijnsverruiming, extase en alternatieve vormen van spiritualiteit. Maar die alternatieve spiritualiteit had een structuur die – hoe tegengesteld ook in intentie – op bepaalde punten deed denken aan de mythische waan van het nationaalsocialisme: de drang naar verborgen kennis, en de honger naar een kosmische code achter de zichtbare werkelijkheid. Kortom, de wens om een verloren transcendentie te herstellen.

In die zin konden de inzichten van Pauwels & Bergier onverwacht resoneren met de utopische honger van de hippies. De interpretatie van de nazi-periode als een occult-technologische waan werkte als katalysator in de verbeelding van de jaren zestig. De machine verscheen opnieuw als bron van betovering, niet langer in staal en tandwielen, maar als metafoor voor het innerlijke mechanisme van de psyche. De psyche zelf werd een machine, een kosmisch apparaat waarvan men de schakelaars leerde bedienen via LSD, meditatietechnieken of esoterische kennis.

Wanneer je terugkijkt op de sixties vanuit het perspectief van Het algoritme van de waan, zie je dat het betoog van Pauwels & Bergier geen excentrieke uitwaaiering vormde van allerlei obscure ideeën – zoals Rudy Kousbroek later in de jaren zestig beweerde –  maar een symptoom waren van een diepere cultuurbeweging die al langer werkzaam was. Aan beide zijden – in zowel de nazi-mystiek als de alternatieve spiritualiteit van de sixties – was sprake van een verlangen naar transcendentie dat niet langer via de traditionele religie kon worden bevredigd. Waar het nazisme een destructieve en raciaal gecodeerde mythe construeerde, zochten de babyboomers naar geestelijke bevrijding en mystieke vormen van zelfkennis. Maar de onderliggende structuur van de waan – het verlangen naar een absolute betekenis, een verborgen plan, en een messiaans perspectief – bleef in beide gevallen aanwezig.

De sixties waren niet alleen rationeel en emanciperend, maar ook een tijd waarin archaïsche energieën opnieuw de kop opstaken. Het irrationele dat in de nazi-tijd een fatale rol had gespeeld, verscheen nu in mildere, maar nog steeds geladen vormen: magie, psychedelica, astrologie, pseudowetenschap en utopisch messianisme. De spirituele revolutie en de politieke revolte deelden dezelfde bron: het verlangen naar een totaal andere werkelijkheid.

Maar het gedroomde paradijs op aarde kon zich zomaar omkeren in een inferno. Deze radicale beweging manifesteerde zich ook in mijzelf. Midden in die roerige periode belandde ik plotseling in een psychotische waan. Een psychose is in wezen het verlangen naar een verloren vaderland van de psyche dat ooit ten onrechte lijkt te zijn verlaten. Zo’n waan verschijnt vaak als de mythe van het Beloofde Land in een wereld die te kil en mechanisch is geworden. Het bijbehorende messianisme gaat ook dikwijls gepaard met een roepingsvisioen waarin het goddelijke zich opnieuw aandient, maar dan in een schemerachtig register van het innerlijke leven. En nogmaals, dat opstandige messiasbeeld kan zomaar omslaan in zijn tegendeel, met een radicale ompoling van goed en kwaad.

Zo bezien lijken Hitler en de babyboomers elkaars tegenpolen, maar ze delen een onderliggende structuur: een religieuze kern die zich uit in het verlangen om de wereld radicaal te hervormen. Het nationaalsocialisme was een politiek substituut voor een verdwijnend christendom, een pseudo-religie die goed en kwaad omdraaide. De sixties waren een poging om datzelfde verlies te compenseren, maar dan in tegengestelde richting: via radicale emancipatie, kosmische liefde en nieuwe vormen van vervoering en extase. Beide bewegingen waren producten van een onverwerkte secularisatie, ieder met een eigen gedaante van de waan.

De naoorlogse geschiedschrijving over Hitler heeft zich is meebewogen met de voortschrijdende secularisatie. In de eerste decennia na de oorlog was er veel aandacht voor zijn demonische aspecten van Hitler, zijn charisma, zelfs de mogelijkheid van een bijzondere messiaswaan. Later, toen de blik rationeler werd, verschoof de aandacht naar onderliggende structuren en maatschappelijke krachten. De machinerie van de geschiedenis kwam gaandeweg centraal te staan. Zo werd Hitler steeds meer gezien als sluwe politicus, als autonoom handelend leider, en niet meer niet als iemand in de ban van een waan, een machinemens op de rand van een psychose. 

Maar met die verschuiving in de beeldvorming ging ook iets verloren: de mogelijkheid om de relatie tussen de waan en het kwaad werkelijk te doorgronden. Als de waan uit beeld verdwijnt en het kwaad wordt gereduceerd tot een kille historische analyse, raakt ook een diepere dynamiek van de menselijke psyche buiten zicht. Want wie was Hitler werkelijk? Wat was zijn waan? Waren de babyboomers geheel vrij van die waan? En zijn wíj gevrijwaard van zo’n waan? Of wordt ons zicht telkens opnieuw vertroebeld door de waan van de dag die zich tegenwoordig niet zelden manifesteert via digitale structuren, algoritmen en virtuele werkelijkheden?

Een waan is hoe dan ook een fictie die als werkelijkheid wordt beleefd, ontoegankelijk voor rationele correctie. In de DSM geldt de waan als afwijking, een fout in de realiteitservaring. Maar de twintigste en eenentwintigste eeuw hebben laten zien dat waan niet slechts een individuele afwijking is, maar een collectieve mogelijkheid – zeker wanneer de psyche wordt gemodelleerd naar de logica van de machine.

De machinemens is vatbaar voor de psychose omdat zijn innerlijke structuur lijkt op die van de waan: gesloten, circulair en zelf-bevestigend. Het nationaalsocialisme was daarvan het ultieme voorbeeld: een collectieve psychose die zich voedde met mythevorming, technologie en de illusie van een absolute betekenis. Maar ook in deze tijden van AI – met zijn zelf-versterkende informatiestromen en digitale echo’s – draagt de kiemen van zo’n structuur in zich. De waan ontstaat niet alleen in individuen, maar ook in culturen, systemen en tijdperken. De machine heeft ons denken ingrijpend veranderd, en dat doet het nog steeds, zelfs meer dan  voorheen.  Daarmee vergroot zij ook onze kwetsbaarheid voor de waan. In deze tijden van AI is de grens tussen techniek en mythologie – en daarmee tussen het gezonde verstand en de waan – poreuzer dan ooit.