De vader die ik niet kende

Op de foto staat in het midden mijn vader. Het is 1926. Locatie: het Van Nispenhuis aan de Nassaukade 55 in Amsterdam, toen nog het onderkomen van de Sint Jozeph Gezellen Vereniging. Zulke tehuizen bestonden overal in het land, in de hoogtijdagen van het Rijke Roomse Leven. Jonge katholieke arbeiders en kantoorklerken die nog vrijgezel waren, moesten een goed onderkomen hebben, waar zij op de juiste wijze hun levenspad konden vervolgen. Er was een kapel voor het gebed, een bibliotheek, een toneelzaal en een recreatieruimte met biljart. Alles was erop gericht om het leven te ordenen en te behoeden — alsof orde een vorm van genade was.

Mijn vader was toen negenentwintig. Hij werkte als ambtenaar bij de APT — de Administratie der Posterijen en Telegrafieën, pas later de PTT genoemd — en was net overgeplaatst vanuit Heerlen, waar hij als monteur had gewerkt. Daarvoor had hij nog jaren in Friesland doorgebracht, waar nauwelijks werk te vinden was. Ook mijn grootvader en overgrootvader werkten bij de post. De PTT zat bij de Mousen in het bloed: betrouwbaarheid, plichtsbesef, de stille eer van het volhouden.

Op de foto heeft hij een wat stijve, geposeerde houding, alsof hij wist dat er iets van hem verwacht werd. De blik recht vooruit, de linkerhand in de broekzak, het gezicht ernstig, maar niet zonder trots. Alles onder controle. ‘Hij voelde zich op de vierkante meter een vorst,’ zong Pisuisse in Mensch durf te leven. Misschien klonk dat lied in zijn hoofd toen de fotograaf afdrukte. Pisuisse zou het jaar daarop samen met zijn vrouw op het Rembrandtplein worden vermoord. Maar dar wist mijn vader toen nog niet. Hij maakte in die jaren snel promotie. Voor iemand die alleen de ambachtsschool in Sneek had gevolgd, was dat niet vanzelfsprekend. Door zelfstudie in de elektrotechniek had hij zich opgewerkt in een wereld die zich in een razend tempo vernieuwde.

In Amsterdam werd hij ‘schouwer’: iemand die storingen in installaties voor huistelefonie moest opsporen, maar ze niet mocht repareren — daarvoor waren anderen. Zijn werk bracht hem overal in het land, ook bij de AKU in Arnhem, waar drie jaar later mijn moeder telefoniste zou zijn. Maar hier, op deze foto, was hij nog een katholieke vrijgezel, een jongeman die wist waar hij stond in het leven. De crisis moest nog komen. De wereld was licht en vol verwachting, alsof de toekomst nog alles in zich had.

Wie de andere mannen op de foto zijn, weet ik niet. Wat hen bond, was het geloof: een netwerk van vriendschap en discipline, van gedeelde gebeden en beschaafde ontspanning. Misschien speelden ze samen biljart, of lazen de Katholieke Illustratie. Voor elke menselijke behoefte bestond een katholieke voorziening. De duivel werd beteugeld door een goed geordend programma.

Toen ik als kind in de jaren vijftig in Amsterdam-Zuid naar school ging, kwam ik nog wel eens in datzelfde Van Nispenhuis. De vrijgezellen waren verdwenen. Er werden toneelvoorstellingen voor kinderen gehouden en balletvoorstellingen van Scapino. Ik herinner me vooral de kapel: de Sint Hubertuskapel, met haar hoge gewelven en de doffe glans van wierook en kaarsvet. Misschien heb ik mijn naam wel aan die kapel te danken. Manus Durk mocht niet van mijn moeder. Nomen est omen.

Mijn vader moet daar vaak in de kerkbanken hebben gezeten. Ik stel me voor hoe hij luisterde, niet zozeer in vroomheid als wel met volle aandacht. Dat was voor hem een vorm van bidden: aandacht als gebed. De kapel brandde in 1977 af. Een half jaar later verhuisde ik zelf van Amsterdam naar Friesland. De cirkel was rond. Ik vertrok naar waar hij ooit vandaan kwam. Mijn vader was toen al elf jaar dood.

Bij zijn afscheid van de PTT in 1962 citeerde hij Paulus: ‘Als ik wil roemen, wil ik roemen op mijn zwakheden.’ Dat was zijn geloof in één zin: dat kracht niet in machtsvertoon ligt, maar in het het omgaan met je eigen tekort. Hij kende zijn zwakheden en verdroeg ze zonder klagen. Mijn moeder zei later vaak: ‘Durk had eerder uit Friesland weg moeten gaan. Hij is daar te lang blijven hangen.’ Misschien had ze gelijk. In wezen gold dat later misschien ook wel een beetje voor mij. Ik ben hier blijven hangen, maar ik ben – net als mijn vader – ook nooit teruggegaan naar mijn geboortegrond.

Toch ben ik zeker niet het spiegelbeeld van mijn vader. Wanneer ik op zijn leven terugkijk, zie ik in de verte een gestalte die mij vertrouwd en vreemd tegelijk is — een zachte schaduw die zich aan mijn herinnering onttrekt. Ik heb hem nooit werkelijk gekend. Hij verdween te vroeg uit mijn leven, alsof hij stilletjes om een hoek verdween om nooit meer terug te keren. Het vervagen van zulke beelden is als het verdwijnen van het geloof: het uitdoven van een vanzelfsprekende bron van zin en betekenis.

Misschien kan ik hem alleen terugvinden door diep in mijn eigen ziel te kijken, in  die donkere spiegel waarover Paulus schreef: ‘Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht.’ Een raadselachtige tekst, die ik nooit goed heb begrepen. Paulus bedoelde misschien dat wij in dit leven slechts flarden zien, onvolmaakte weerspiegelingen van wat ooit geheeld zal zijn. Alles wordt nu nog gekenmerkt door een gemis. Pas later — als het raadsel zich oplost — zullen wij zien wat we werkelijk zouden kunnen zijn. Tenminste, als je het wilt geloven…. Kom daar nog eens om. 

Ik heb ook die andere passage opgezocht die mijn vader zo dierbaar was, over het roemen op je eigen zwakheden. . In 2 Korinthiërs 12 schrijft Paulus:

‘Wat mijzelf betreft zal ik mij slechts op mijn zwakheid laten voorstaan. (…) Ik wil worden beoordeeld op grond van wat men van mij hoort en ziet, niet op grond van de uitzonderlijke openbaringen die ik heb gekregen.

Er zit iets in die woorden wat ik pas nu begin te verstaan. Nederigheid is geen vorm van zelfverloochening, maar een erkenning van het ondoorgrondelijke in jezelf. Mijn vader heeft zoiets zeker geweten. Hij leefde in een wereld waarin geloof nog vanzelf sprak, maar hij droeg dat geloof niet uit; hij belichaamde het. Ik ben dat geloof kwijtgeraakt, niet plotseling, maar langzaam, haast ongemerkt. 

Toch herken ik in zijn houding iets wat bleef hangen, een rest van een basaal vertrouwen, een milde ernst die ik soms in mijzelf terugvind, juist in momenten van bezinning of lichamelijk herstel. Mogelijk is dat  wat overblijft van het geloof wanneer al die vrome woorden van Paulus zijn verdwenen: niet de leer, niet de zekerheid, maar het oerpatroon van iets dat ooit als waarheid werd beleefd.

In 1963 zong ik als jongen mee met het koor van het Ignatiuscollege op een kleine grammofoonplaat, Ambrozijn en Groggelgein, met vier liederen onder leiding van Bernard Huijbers S.J. Eén daarvan was de gospel Live a humbleLeef nederig. Toen zong ik die woorden gedachteloos. Nu hoor ik ze terug als een echo van van mijn vader.

Met het ouder worden komt het besef dat het geloof niet vanzelfsprekend overgaat van vader op zoon, maar dat er toch iets kan zijn dat achterblijft, een resonantie die voortduurt, ook als de melodie is verstomd. Zijn geloof leeft voort in mijn herinnering aan zijn zwakheden, zijn rust, zijn ingetogen ernst. En in de stilte waarmee hij dat alles droeg en uitdroeg.

Soms denk ik dat het geloof dat ik verloor, zich in mij op een bijzondere wijze verinnerlijkt heeft, als een stem die niet meer bidt tot een God daarboven, maar spreekt uit dingen hier beneden: de tijd, het toeval, de stilte, de liefde wellicht maar dat is zo’n groot woord… Laten we het houden op de hernieuwde kleuren in een oude foto. Zo blijft ook mijn vader in stilte aanwezig in het heden. Niet als concrete herinnering, maar als iets dat nog altijd in mij voortleeft. Een gestalte die ik niet echt heb gekend en die, terwijl ik schrijf, soms zwijgend over mijn schouder lijkt mee te kijken.