Een dolende Jood in Friesland

De familie Mous in Bakhuizen, ruim honderd jaar geleden, met in het midden de stamhouder: mijn vader.

Onlangs kreeg ik een mail van een vrouw die vermoedt dat er een familieband tussen ons bestaat. Haar moeder is een dochter van Gezina Mous, die zelf weer een dochter was van Bonifacius Mous, zoon van Hermanus Jozef Mous – allemaal uit de omgeving van Mirns-Bakhuizen. Enkele jaren geleden is zij begonnen met een zoektocht naar haar stamboom. Daarbij kwam zij uit bij dezelfde voorouder die ik ooit op mijn website noemde: Jozef Michiel Gersjes, ofwel József Mihály Görcsös in zijn Hongaarse naam.

Afgelopen zomer reisde zij zelfs af naar het dorp in het huidige Slowakije – destijds nog Oostenrijk-Hongarije – waar deze voorouder vandaan zou komen. In sommige bronnen wordt Jasov genoemd, maar volgens haar onderzoek gaat het om Debrad’/Debrőd, twee dorpen naast elkaar. Omdat zij is opgeleid in de Oost- en Centraal-Europese studies, sprak juist dat aspect haar aan: een Hongaarse voorouder die op onbekende wijze in Friesland terechtkwam. Op het lokale kerkhof zag ze de naam Görcsös verschillende keren terugkeren.

Pas later ontdekte ze dat deze voorouder mogelijk een politieke vluchteling was, misschien zelfs iemand die had meegevochten in de Kościuszko-opstand. Historisch bewijs vond ze daar niet voor, maar het vermoeden dat hier een bijzonder familieverhaal verborgen ligt, laat haar sindsdien niet meer los. Ze vroeg zich af of er bij ons nog iets was blijven hangen uit de familieoverlevering – over deze voorouder, maar ook over de Mousen in bredere zin.

Foto’s uit Debrad ( Hongarije) die mij werden toegestuurd


Stamboom gegeneerd door mijn zoon Jurriaan, met acht generaties van mijn voorouders.Met in met lichtblauw de Hongaarse link met Jozef Michiel Gersjes met mij in het centrum. Manus Durk Mous uit 1800 met Evertje Josephs Gersjes als de gemeenschappelijke tak. De stamboom gaat naar Hongarije terug tot 1708 in Jasov met Michal Görcsös, maar Josef is inderdaad geboren in Debrad.

Dit alles deed me denken aan een mail die ik jaren geleden ontving van pastoor Jan Romkes van der Wal, ooit pastoor in Bakhuizen, die in 2012 met emiraat ging en in 2023 overleed. Hij schreef dat hij op een website had gezien dat ik werd geciteerd, en dat hij aanvankelijk dacht dat het om een puberende kleinzoon moest gaan die zijn naam misbruikte. Pas na enig doorzoeken besefte hij dat ik werkelijk bestond en bovendien in Friesland bekend stond als kunstkenner.

Van der Wal beschreef vervolgens zijn verbondenheid met de Mous-familie. Hij had meerdere Mousen gedoopt, getrouwd en begraven, en vertelde daarbij vaak een familielegende: het verhaal van de zware tocht van Hongarije naar Friesland, een kleine Exodus die hij graag naast het bijbelse verhaal plaatste. Hij had de Mousen leren kennen als hardwerkende technici en fabrieksdirecteuren, vrome paters en heilige zusters, dorpszangers en carnavalsprinsen – kortom: als opgewekte Friese dorpsmensen. Maar niet, zo benadrukte hij, als verbitterde critici die anderen met harde oordelen tegemoet treden.

Die laatste opmerking verwees naar iets dat ik op mijn blog had geschreven: dat bekeerlingen soms fanatiek en zelfs fundamentalistisch kunnen worden. Ik had zijn naam daarbij genoemd – ten onrechte, want hij voelde zich aangesproken als katholiek bekeerling én als fanatieke Fries. Maar de ironie wilde dat de Mousen zelf ooit ook bekeerlingen waren geweest: Joden die katholiek waren geworden, en Friezen die ergens van ver waren binnen gedwaald.

Ik ben zelf in mijn jeugd katholiek geweest, in de tijd dat katholieken druk bezig waren hun emancipatie te voltooien. Toen dat proces eind jaren zestig voltooid was, donderde het hele bouwwerk in elkaar. Sindsdien heb ik het katholieke geloof op zijn beloop gelaten. Toch voel ik me nog altijd een beetje katholiek, zonder dat ik er iets aan doe om dat te zijn. Dat is nu eenmaal de paradox van het katholicisme: je raakt het nooit meer kwijt. ‘Katholiek’ betekent ’algemeen’, dus in zekere zin is iedereen katholiek, of wordt het ooit.

Zo is het ook met het Friese. Je bent het, of je bent het niet, maar ergens willen veel mensen het toch een beetje zijn. En Friese katholieken – zo geloof ik – zijn Friezen in het kwadraat. In hun marginaliteit in een van oudsher protestantse provincie lijken ze op Joden in de diaspora: diep vanbinnen miskend, maar tegelijk overtuigd van een zekere uitverkorenheid. Friezen zullen het nooit hardop zeggen, maar ze beschouwen zichzelf vaak als een bijzonder volk in een bijzonder land, met een zweem van messiaanse verwachting. En zoals elke fundamentalist een Messias in zich draagt, zo sluimert in elk Fries een heimelijk geloof in een belofte die nog moet worden ingelost.

In mijn eigen familie ging zelfs het verhaal dat uit het geslacht der Mousen ooit de Antichrist zou voortkomen. Er rustte een vloek op de familie, zo werd gezegd: wij droegen zowel de sleutel van het Beloofde Land als die van de Hel. Ook kwamen er bij de Mousen gevallen van ‘paranoia religiosa’ voor. Vandaar dat ik een tikkeltje wantrouwig sta tegenover zulke verhalen.

Maar dat de Mousen van oorsprong Hongaarse Joden waren die rond 1800 – op de vlucht voor pogroms – naar het westen trokken en uiteindelijk in Friesland belandden, dat klopt denk ik wel. Dat is de kern van de familielegende waar ook pastoor Van der Wal vaak naar verwees. De Mousen werden toen niet alleen katholiek, maar ook Fries. En zoals dat bij bekeerlingen gaat, werden ze daarin wellicht fanatieker dan wie ook: Roomser dan de paus, en Frieser dan een Fries.

De familie splitste zich later in twee takken: een Friese en een Limburgse. Mijn vader koesterde zijn hele leven een verlangen ooit in Limburg te wonen, waar hij in zijn jeugd een mooie tijd had gehad. Het kwam er nooit van. In plaats daarvan bleef hij in Amsterdam hangen, waar ik kort na de oorlog ben geboren. Friesland kende ik in mijn jeugd als een ver land, waar je met een stoomboot naartoe reisde. Het lot bracht me later terug naar dat oude land: het land van mijn vader, maar nooit mijn vaderland.

In wezen ben ik geen Fries; ik hecht eraan de taal van mijn moeder te spreken. Zij kwam uit Arnhem, droeg de naam Sanders – ook een van oorsprong Joodse naam – en had niet veel op met de Friezen, behalve dan met mijn vader. En zo sta ik er nog altijd tussenin: niet meer katholiek, al raak je dat nooit kwijt; en geen echte Fries, al voel ik nog altijd zoiets als Fryslân do ropst my. Ik ben geen bekeerling, maar ook geen afvallige. Een passant in een vreemd pakhuis, zonder duidelijke identiteit. Misschien hooguit een gespleten identiteit. Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust. Maar het moet gezegd, ik ben en blijf een Mous. Maar ook …een dolende Jood in Friesland.