De post-roomse melancholie

Van links naar rechts: Georges Maissan, ikzelf, Nard Loonen en Hans Kraan, Vilsteren 1962

Na enig zoeken tussen stapels papieren, die ik ooit in een ladekast heb weggeborgen, vond ik gisteren het essay dat ik in de winter van 1969 schreef. Het draagt de titel De vraag en de absurditeit, met als motto een Arabisch spreekwoord: ‘De enige zin van de mens is de zin die hij zichzelf stelt.’ Het zijn 54 dicht beschreven vellen papier in een klein kriebelig handschrift. Ik weet nog dat ik het manuscript later heb uitgetypt, maar dat document is verloren gegaan. Herlezen heb ik het nog niet; het gevoel alleen al van het manuscript in mijn handen is genoeg. Het roept herinneringen op aan een tijd dat ik naar mezelf op zoek was, overtuigd dat ik door diep na te denken de zin van het leven zou kunnen doorgronden. Dat is destijds niet gelukt. Nog steeds niet trouwens.

In die winter stopte ik met mijn studie en ging ik door de stad dwalen, in een soort mentale leegte die ik nauwelijks kon doorgronden. Op een dag kwam ik in de hal van het Centraal Station, waar een bordje me confronteerde met een zin die ik nooit meer zou vergeten: ‘Het is verboden om zich in deze ruimte op te houden voor andere doeleinden dan deze ruimte is bestemd.’ Het was een ruimte voor wachtende reizigers; ik was niet aan het wachten en ging niet op reis, dus ik moest weg. Maar wat deed ik dan wél? Die vraag raakte iets diep in mij. Alles viel stil in mijn hoofd. Geen gedachten, geen gevoelens, geen zin. Ik wilde niemand meer zien, niet spreken, alleen maar blijven in de leegte van mijn eigen gedachten.

Niet lang daarna zat ik met Hans Kraan – mijn klasgenoot die in 2019 is overleden –  op een verwarmd terras op het Rembrandtplein, samen met Hermine Heijermans. Ik was in die tijd zo manisch als een dansend vuurvliegje in de zon. Over het gesprek met haar herinner ik me niets meer, wel dat we later bij haar thuis zijn geweest. In die tijd kwam ik wel eens vaker bij spraakmakende mensen thuis: Simon Vinkenoog, Ton Regtien… gesprekken waarvan de inhoud na al die jaren is ontglipt. Hans vroeg me ooit een portret van Ton Regtien te schilderen; het resultaat was rampzalig; schilderen was ook nooit mijn grootste talent. Ik liep achter alles aan wat bewoog, en mijn gedachten volgden een eindeloze keten van vragen.

Zo dwaalde ik door de stad en de parken: het Oosterpark, Vondelpark, Flevopark… In het Flevopark wierp ik vlak na zonsopkomst een hele vracht papier in het water. Een ritueel dat ik later nog vaak herhaalde: weggooien, want bewaren had geen zin. Dit essay over de vraag is een van de weinige teksten uit die tijd die ik nog bezit. Later begreep ik dat ik in een cirkelredenering gevangen zat, als een grammofoonplaat waarvan de naald in een groef bleef steken: ik draaide rond in mezelf, communiceerde niet meer.

Jaren later werd ik benaderd door een iemand van de VPRO-televisie, die – mede naar aanleiding van mijn blogs over de jaren zestig – een documentairereeks wilde maken over post-katholieke babyboomers. Zijn uitgangspunt: een oude foto van een naoorlogs gezin, gevolgd door het leven van de kinderen vijftig jaar later. Hij wilde niet de clichés laten zien – de egoïstische materialisten, de teleurgestelden die hun idealen hebben verruild voor melancholie – maar onderzoeken wat deze generatie werkelijk kenmerkt. 

Ik wees hem op mijn eigen gezin. Ik ben babyboomer, geboren in 1947, met vier oudere zussen die de jaren zestig ieder op eigen wijze beleefden, maar die inmiddels allen overleden zijn. De jongste zus, van 1944, had het meeste gemeen met mijn eigen beleving van die tijd; de oudste vond de jaren vijftig net zo vernieuwend als de jaren zestig. We spraken vaak over die tijd, over verwarring, idealen, experimenten, en over de beperkingen van het katholieke milieu waarin we opgroeiden.

Mijn ervaringen als kind en jongvolwassene werden  sterk gevormd door het St.-Ignatiuscollege, waar alles gebeurde tot meerdere glorie van God…  Ad Maiorem Dei Gloriam. Alles werd geregisseerd: school, Mis, voetbal, zomerkampen. Je werd opgeleid om te kunnen excelleren, maar vooral ook als de toekomstige voorhoede  van het roomse smaldeel van de samenleving. Je kunt je afvragen of dat oogmerk uit pedagogisch oogpunt wel zo verstandig was. Zeker voor degenen die wat minder goed konden meekomen in de goed geregisseerde competitiestrijd die elk jaar weer ontbrande om de beste van de klas te worden.  Voor de intellectueel minder bedeelden hadden de jezuïeten weinig oog. Ze waren vaak onnavolgbaar die vrome leden van de Societas Jesu. Velen van hen verlieten ook als eersten de Kerk toen bleek dat het Tweede Vaticaans Concilie niet had opgeleverd wat men had gehoopt.

Maar begin jaren zestig bood deze wereld van strenge discipline ook ruimte voor verwondering en gesprek. Ik herinner me een avond met Hans Kraan bij Gerard Wijdeveld, niet alleen onze leraar klassieke talen, maar ook de katholieke dichter die na de oorlog nog vast heeft gezeten vanwege zijn foute verleden. Wij spraken over Augustinus, manicheïsme, poëzie, en zelfs over schizofrenie. Het was een tijd waarin intellect, geloof en nieuwsgierigheid voortdurend in elkaar overvloeiden.

Later, in de digitale tijd, vond ik een nieuwe ruimte voor reflectie in mijn weblog. Wat begon als een vluchtweg, een manier om mijn gedachten op papier te zetten, werd een soort openbaar dagboek. Maar met die openbaarheid vervaagden ook veel grenzen. Een weblog is fictie in werkelijkheid, een schaduwwereld die ongemerkt de echte wereld binnendringt. Soms, in die wisselwerking, stel ik mezelf weer de oude vraag: wat is een vraag?

Dat was ook de essentie van dat essay uit 1969 over de vraag en de absurditeit: ‘Wat is een vraag?’ Het leven blijft een oefening in het stellen van vragen, in het omgaan met absurditeit, in het ontdekken van de kleine, vaak willekeurige momenten die betekenis geven aan wat we doen. Zoals ik destijds schreef:

“Als iets altijd nog zichzelf als zin zou kunnen hebben, kan het nooit volledig zinloos zijn.”

Dat is een relativering van de zinloosheid: het stille besef dat de eeuwige vraag naar een zin niet meer op een antwoord wacht, maar genoegen neemt met de ruimte waarin die vraag gewoon een vraag kan zijn. Meer niet. Het is een gedachte die nog steeds ergens diep in mij blijft resoneren, of ik nu dwaal door een park, een weblog bijwerk, of wegmijmer bij een foto van een gezin uit de jaren zestig. Uiteindelijk draait alles om het stellen van vragen, ook vragen waar je nooit een antwoord op krijgt. Of zoals ik schreef in mijn essay over de vraag en de absurditeit:

‘Naast ‘zin als verwijzing naar iets anders’ en ‘zin als verwijzing naar zichzelf’, moet er nog een derde mogelijkheid zijn: de ervaring van een volstrekte zinloosheid, de absurditeit, waaruit de vraag naar zin is voortgekomen. Maar in die mogelijkheid ligt misschien ook de paradox besloten van een zekere onzekerheid, als het buitenste binnen van het redelijk denken, waarbinnen ook de vraag zelf absurd wordt. En misschien zelfs ligt er achter de grenzen, die door het licht van het heldere denken zijn gesteld, een nieuw territorium van leven, in een absolute vrijheid door een absolute gebondenheid aan de eindigheid van dit leven.’

De taal is barok, de zinsbouw kronkelig, en de inzet bijna messiaans: het nieuwe territorium van leven achter de grenzen van het denken. Als ik het nu teruglees moet ik onwillekeurig glimlachen om het idee dat je met een paar goedgekozen begrippen de grens van het heldere denken kon aanraken. De zinnen ademen de ernst van een jongeman die de diepte in wil, die weigert genoegen te nemen met oppervlakkige antwoorden. Er spreekt iets van Camus en Sartre uit, de confrontatie met de absurditeit, maar ook een verlangen naar een verzonnen vrijheid binnen de begrenzingen van het leven, een vrijheid die ik meende te hebben ontdekt in mijn filosofische hoogdraverij, en anders wel in mijn onvolwassen verlangen volwassen te zijn, zwelgend in mijn post-roomse melancholie.