Het huis waar ik geboren ben

Door het raam kijk ik uit over het land. Een rij paarden graast in het zachte licht van de namiddag. Achter hen een dijk van bomen, de horizon van mijn jeugd. De lucht trilt als een herinnering die te lang in het geheugen heeft liggen wachten. Soms denk ik dat het leven niets anders is dan dit: het uitzicht dat zich in je nestelt en daar blijft, zelfs als alles verandert.

Het uitzicht op de weilanden was er al toen ik kind was. Vanuit de erker van ons huis aan de Johannes van der Waalsstraat keek mijn moeder over bijna hetzelfde landschap — al was het toen nog echt land: paarden , slootjes, een boerenschuur aan de Kruislaan. In de verte zag je helder weer Diemen liggen, en als de wind goed stond, hoorde je op zondag het gejuich uit het Ajaxstadion. De wereld was overzichtelijk. De lucht, het gras, de tijd — alles hoorde bij elkaar.

Toen ik onlangs nog eens terug was in de straat, zag ik dat ons huis nog altijd bestond. Nummer 33. Een bovenwoning die nu bijna negen ton waard is. Onvoorstelbaar. Mijn ouders betaalden ooit honderd gulden per maand voor hetzelfde huis. Wat ooit gewoon was, is nu onbereikbaar geworden. Een bovenwoning voor de gewone man is veranderd in een fort voor de rijken. De gewone wereld is verdampt.

Mijn ouders trokken er in 1938 in, aan de rand van de stad. De Van der Waalsstraat had toen nog niet de voornaam ‘Johannes’. Vanuit het dakraam kon je het land in kijken. In de hongerwinter was dat raam de enige verbinding met de hemel. Mijn ouders zagen daar in mei 1945 de voedselpakketten vallen als brood uit de lucht. Mijn zussen zaten toen ver weg, in Friesland, waar ze met de nachtboot naartoe waren gebracht om te overleven. Mijn moeder vertelde later dat ze wekenlang de geur van die reis bij zich droeg: kolen, angst, sneeuw.

Ze koos ervoor om bij mijn vader te blijven in Amsterdam, omdat ze wist dat hij het anders niet zou redden. Ze deelde de distributiebonnen met de buren, zoals de pastoor dat vanaf de preekstoel had bevolen. In de meterkast bleef een doos met oude bonnen liggen, muf en vergeeld. De geur van de oorlog bleef nog jaren in huis hangen.

Ik werd twee jaar na de bevrijding geboren, in 1947 — een zomer van vier hittegolven. Mijn moeder was toen tweeënveertig. Ze moet gezucht hebben onder dat gewicht, maar ze klaagde nooit. Mijn geboorte veroorzaakte wel enige beroering in de Friese familie, omdat mijn ouders mij geen Manus Durk wilde noemen, zoals de traditie dat eiste. Ze verbraken die lijn. De brieven uit Friesland bleven ongeopend in de kachel verdwijnen. Zo kreeg ik mijn naam: Hubertus Johannes. Een breuk in de keten van de Mousen.

Als kind dacht ik dat onze straat het einde van de wereld was. En eigenlijk was dat ook zo: achter de weilanden begon niets. Alleen wind, de geur van mest, het geluid van voetballende jongens op de straat. Ik herinner me nog hoe ik als elfjarige met krijt pijlen tekende op de stoep, op weg naar Betondorp, alsof ik de aarde rond kon lopen en weer thuis kon komen.

De tijd liep toen traag. Nu, als ik in dit stille huis zit en over de velden kijk, is het alsof de wereld van toen zich weer opent: de stemmen van mijn zussen, het gelach van mijn moeder. Soms droom ik nog dat ik het raam openzet en de stemmen hoor van voorbijgangers in de straat. De tijd heeft zich dichtgevouwen, als een brief die nooit werd opgestuurd. De cirkel sluit zich telkens weer, in het uitzicht, in het licht, in het trage bewegen van de paarden in het weiland.

Er valt een gat in de dag.

Een ober rekent af op het Campo Santo in Siena. Op het Piazza Navona wordt een foto genomen. Er staat een bankje op het Place des Vosges. Op het Vrijthof klinkt muziek van Tina Turner. Het huis van Josephine Baker, ontworpen door Adolf Loos, is te koop op een bouwplaat. In Venetië valt een toren om op een schilderij. Het gaat regenen boven Angoulême en er valt een porseleinen stilte. Tussen Gent en Brugge hoor ik de noordenwind in een chanson van Brel. Het is Indian Summer in Manhattan. In de Dokkumer Ee drijft bij wijlen een kurk voorbij. De woorden gaan vanzelf…

Er klopt iets niet. Wat betekenen deze zinnen?  Telkens weer verschijnen er beelden op het scherm van mijn computer. Droom ik? Ik kijk in de spiegel. Twee starende ogen zie ik. Ik kijk om me heen en sla de handen voor mijn ogen. Overal en nergens ben ik. Ik val in een stroom. Ik val. Ik stroom. Stroom ik? Mijn God, ik ben terug in de Johannes van der Waalsstraat. Terug in het het huis waar ik geboren ben.

Als ik terugkijk in mijn herinnering,
zie ik ‘t huis waar ik nog kind was
in een straat die tot aan de spoorbaan liep,
vredig en stil, alsof de wereld nog sliep.
Familie Kolkman beneden, Dijkstra ernaast.
De Vries, Van Herk en verderop….

Mevrouw Roosnek, ze hing zich op in een strop.
In het weiland ervoor hadden koeien gegraasd.
Ik hoor heimachines en volop geraas.
In een droom duikt dat alles telkens weer op.

.