Op 7 november jl. vond in Groningen de 43ste Van der Leeuw-lezing plaats, gewijd aan Alexander von Humboldt, met Andrea Wulf – schrijfster van de veelgeprezen biografie – De uitvinder van de natuur – als hoofdspreker. In haar lezing liet Wulf zien hoe Von Humboldt, meer dan wie ook, de natuur wist te verbinden met een romantisch gevoelsleven én met het ontluikende empirische denken van de moderne tijd. Zijn natuurervaring was een mengvorm van zintuiglijke vervoering en wetenschappelijke nauwkeurigheid: een Einfühlung in de natuur die tegelijk haar wetten wilde doorgronden.
Von Humboldts vertrekpunt was een holistisch natuurbegrip: de natuur als netwerk van krachten waarin mens, berg, plant en atmosfeer onafscheidelijk samenhangen. Wulf benadrukte verder dat voor Humboldt esthetische ervaring en wetenschappelijke kennis geen tegengestelden vormden maar elkaar juist versterkten. Wulf stelde dat in het huidige tijdperk van klimaatcrisis en ecologische onzekerheid Von Humboldts oproep tot verwondering en verbondenheid met de natuur urgenter is dan ooit: wetenschap zonder gevoel zou onvoldoende zijn om de diepe samenhangen waarin we leven te doorgronden.
Eerder had ik wel eens wat over Von Humboldt gelezen, maar ik had hem nooit als een centrale figuur gezien in de overgang naar de Romantiek. Rüdiger Safranski noemt Von Humboldt in zijn boek Romantik. Eine deutsche Affäre slechts zijdelings, maar zijn figuur vormt wel een scharnierpunt in die geschiedenis. Hij stond met één been in de Romantiek – als vriend van Goethe en erfgenaam van de Naturphilosophie – en met het andere in de moderne wetenschap. Zijn streven om alle natuurverschijnselen in hun onderlinge samenhang te begrijpen, zonder de esthetische of spirituele dimensie te veronachtzamen, laat zien hoe de Romantiek niet eindigde in dromerigheid, maar uitmondde in een vroege ecologische visie avant la lettre. De natuur was voor hem geen verzameling objecten, maar een levend organisme, een netwerk van krachten waarin alles met alles verbonden is.
In die visie klinkt iets door wat men ook bij Karl Philipp Moritz terugvindt: het besef dat schoonheid niet losstaat van vernietiging. Zonder dood en verval geen schepping, zonder ontbinding geen leven. Bij Moritz werd dat een esthetische theodicee – een poging om het kwaad in de natuur te rechtvaardigen door het schone. Von Humboldt gaf die gedachte een nieuwe, meer wereldse gedaante. Hij zag in de ruwe, ontketende krachten van de aarde – vulkanen, stormen, aardbevingen – niet slechts verwoesting, maar juist ook een uitdrukking van scheppende energie. Schoonheid en geweld, orde en chaos, waren voor hem de twee gezichten van één en dezelfde natuur.
ZoalsArnold Heumakers heeft laten zien in De esthetische revolutie (2015), wortelen veel romantische ideeën in een geseculariseerde vorm van religie. Bij Von Humboldt zie je iets soortgelijks, maar op een meer empirisch-gedisciplineerde manier. Bij hem zijn de religieuze echo’s niet zozeer theologisch of quiëtistisch van aard – hij werkt niet met een moreel of spiritueel kader dat expliciet van God is afgeleid. Toch dragen zijn natuurbelevingen een gevoel van verhevenheid en verbondenheid dat sterk lijkt op een diepe vervoering, een ontzag voor het universum, een idee van een harmonisch, doelmatig geheel. Dit kan worden opgevat als een geseculariseerde vorm van religieuze ervaring: het object van devotie is niet God, maar de natuur zelf.
Net zoals bij Moritz wordt het transcendente gevoel verplaatst naar een immanente wereld: schoonheid en orde worden ontdekt in de wereld, en niet opgelegd door een bovennatuurlijke macht. Humboldt combineert deze ervaring met systematisch onderzoek, wat hem onderscheidt van meer esthetisch-romantische denkers. Zijn secularisatie van het religieuze is dus zowel emotioneel als rationeel: de natuur vervult een quasi-religieuze functie als bron van betekenis, maar wordt tegelijk analytisch verstaan en beschreven.
De liefde voor de kunst, het geloof in de vormende kracht van schoonheid, zijn restvormen van een transcendent geloof dat zijn God heeft verloren maar zijn intensiteit heeft behouden. In plaats van het goddelijke werd de natuur – of de kunst – de nieuwe drager van zin. Deze overgang van het religieuze naar het esthetische markeert het begin van de moderniteit: de heilige vervoering blijft, maar haar object verandert.
Von Humboldt bracht de theologie terug naar de aarde. Zijn natuurervaring was geen vlucht uit de wereld, maar een verdichting ervan. Waar Moritz het goddelijke in de kunst vermoedde, zag Humboldt het in de natuur zelf werkzaam – niet als schepper buiten de wereld, maar als kracht ín de wereld. Zijn geloof was een aardse mystiek, waarin de natuur niet meer als schepping werd beschouwd, maar als zichzelf voortbrengend geheel: een eeuwige kringloop van wording en vergaan.
Zo vormt Von Humboldt de nuchtere echo van de romantische theodicee die bij Moritz nog theologisch van toon was. In hem bereikt de secularisering van het religieuze gevoel haar voltooiing. De natuur blijft bezield, maar de ziel heeft haar naam veranderd. In plaats van een transcendente God spreekt nu de aarde zelf – als een organisme dat zichzelf begrijpt door de mens die haar beschouwt.
Toch opent zich juist daar ook een nieuw tekort. Friedrich Nietzsche zou later dat tekort benoemen als de leegte die ontstaat na de dood van God: de schoonheid blijft, maar zij mist haar metafysische grond. Wat bij Moritz nog troost bood – de gedachte dat het lijden esthetisch zinvol is – wordt bij Nietzsche tot de pijnlijke luciditeit van het dionysische: de erkenning dat de wereld schept én vernietigt zonder reden. Waar Moritz en Humboldt nog geloofden in een verborgen harmonie, zag Nietzsche slechts de dans van de chaos, waarin de mens zijn eigen betekenis moet worden.
Toch blijft in al deze figuren – van Moritz tot Von Humboldt en Nietzsche – eenzelfde intuïtie werkzaam: dat de mens slechts mens is in zijn vermogen tot verwondering, in zijn sensus naturae, zijn gevoel voor de bezieling van het bestaan. In een tijd waarin de natuur opnieuw tot object dreigt te worden gereduceerd, is dat wellicht de diepste les die Humboldt ons naliet: dat het begrijpen van de wereld begint bij het vermogen haar te voelen.
