
Vijf jaar geleden schreef ik een blog met als titel De gevangenis van het onechte. Het betoog ging over de stoornis van het narcisme die volgens Alice Miller bestaat uit ‘eenzame opsluiting van het ware ik in de gevangenis van het onechte’. Gevangen in een opvoeding, dat is de kern van haar betoog. De gevangenis waarin het kind zit opgesloten bij de opvoeding kan ogenschijnlijk zeer aangenaam zijn. In mijn geval was die gevangenis de gesloten katholieke zuil van de jaren vijftig en begin zestig. Het was een uiterst aangename gevangenschap en daarom juist killing. Zo bezien heeft elke generatie zijn eigen ‘gevangenis van het onechte’ gekend, een kerker waaruit men zich moet bevrijden bij het opgroeien.
Alice Miller onderzoekt in haar werk de diepe invloed van kindermishandeling op latere destructieve en gewelddadige gedragingen. In haar artikel over Hitler betoogt zij dat mishandelde kinderen hun pijn moeten onderdrukken om te overleven; dit pantser van gevoelloosheid kan, indien niet verwerkt, in volwassenheid leiden tot woede, haat en destructieve macht. Hitler wordt door Miller geanalyseerd als een begaafd kind dat volledig ontspoorde doordat hij zich aanpaste aan de strenge opvoedingspatronen en zo zijn ware zelf verdrong. Deze dynamiek verklaart volgens Miller hoe persoonlijke trauma’s kunnen uitmonden in collectieve waanzin, waarbij wraakfantasieën een hele natie meeslepen.
De kern van Millers boodschap ligt niet uitsluitend in de kwalijke gevolgen van de religie, maar in het gegeven dat het kwaad vaak zijn oorsprong vindt in de kindertijd, in het niet mogen voelen van pijn en vernedering. Waar volwassenen hun eigen innerlijke wonden niet erkennen, wordt de verleiding van verblinding en destructieve ideologie groot. Leiders als Hitler, Trump en Poetin worden dragers van deze verdrongen pijn, transformeren persoonlijke en collectieve kwetsuur in macht en ideologie, en laten zien dat de geschiedenis zich herhaalt zolang men de stilte na een klap en de leegte van onuitgesproken verdriet negeert. De les is helder: alleen wie zijn eigen pijn durft te doorleven, kan immuniteit ontwikkelen tegen de verleiding tot verblinding.
Ik vroeg aan ChatGPT of hij voortbouwend op deze gedachten een analyse wilde geven van het mogelijke narcisme van de huidige wereldleiders Trump en Poetin. Het resultaat, dat nu volgt, is wellicht wat kort om de hoek, maar geeft toch stof tot nadenken in deze barre tijden.
***
Om niet te sterven, zo schrijft Alice Miller, moeten mishandelde kinderen hun pijn volledig onderdrukken. De klappen, de vernederingen, de verbijstering – het kind kan de omvang daarvan niet verwerken. Onderdrukking is een levensreddend mechanisme. Maar wat het kind beschermt, wordt later in het volwassen leven een gevaarlijke kracht. Als de pijn niet alsnog wordt doorleefd, verandert ze in woede, haat en vernietigingsdrang. De pantsering van de ziel kan zich dan richten op zichzelf, of op de wereld. In de carrières van despoten als Hitler en Stalin werden die verdrongen wraakfantasieën omgezet in massale wreedheden.
Miller onderzocht uitvoerig de jeugd van Hitler. Ze liet zien hoe zijn vader hem sloeg en vernederde, en hoe het kind zichzelf gevoelloos moest maken om te overleven. Dat proces beschreef zij eerder in Het drama van het begaafde kind (1979). Het begaafde kind, schrijft ze, past zich zo perfect aan de eisen van zijn omgeving aan dat zijn ware zelf wordt opgesloten “in de gevangenis van het onechte”. Begaafdheid in combinatie met volgzaamheid kan dan leiden tot een fatale ontsporing. Hitler was zo’n begaafd kind, maar de prijs voor zijn overaanpassing was dat zijn ware ik verstikte. Uit die verstikking groeide zijn meedogenloosheid.
Die “gevangenis van het onechte” kent vele gedaanten. Soms is zij streng en gewelddadig, soms juist behaaglijk en subtiel. In mijn eigen jeugd was dat de gesloten katholieke zuil van de jaren vijftig en zestig – een uiterst aangename, maar daarom juist verraderlijke gevangenis. Elke generatie kent zo’n kerker waaruit men zich moet bevrijden. En telkens speelt religie daarbij een rol, expliciet of impliciet. Miller legt in haar analyse niet de nadruk op de religie, maar in werkelijkheid is ze vaak beslissend: een teveel aan religie kan verstikken, een tekort eraan kan evenzeer verwonden. Het is de kern van mijn eigen boek Modernisme in Lourdes. God en goddeloosheid, de uitersten spiegelen elkaar, en opvoeden betekent juist leren koers houden in een tijd van mateloosheid.
Een prachtige illustratie van dit mechanisme biedt Michael Haneke’s film Das weisse Band (2009). Hij toont een Duits dorp vlak voor de Eerste Wereldoorlog, waar autoritaire en religieuze opvoeding een beklemmende atmosfeer schept. De film is geschoten in zwart-wit, alsof het hele verhaal zich afspeelt in de herinnering van de dorpsonderwijzer die terugkijkt. Zo ontstaat de illusie van een collectief geheugen: een droomtuin met echte padden erin. De verborgen betekenislaag is duidelijk: in de strenge opvoeding van honderd jaar geleden werden de kiemen van het fascisme gelegd. Kinderen die gebukt gaan onder morele dwang internaliseren die wet en voeren haar letterlijk uit – vaak op moorddadige wijze.
Maar Haneke’s film overstijgt het Duitse verleden. Het probleem is universeel. Elke cultuur die zuiverheid tot ideaal verheft, roept vroeg of laat geweld op. Salman Rushdie verwoordde het scherp: “In elke cultuur waar het woord ‘zuiverheid’ centraal staat, duikt vroeg of laat Auschwitz op.” Pascal schreef eeuwen eerder: “De mens is engel noch beest, en het ongeluk wil dat wie engel wil zijn, beest wordt.” Religieuze orthodoxie, maar evenzeer militante goddeloosheid, kan kinderen zo vastklemmen dat hun innerlijke ruimte verstikt. De prijs van een “te zuivere band” is vaak bandeloosheid.
Alice Miller wees erop dat religie en ideologie een kwalijke rol kunnen spelen: ze verhullen pijn, verharden slachtoffers en verheerlijken misbruik. Rituelen en dogma’s verpakken de leugens die slachtoffers zichzelf hebben aangeleerd, en wie deze herhaalt, vindt gemakkelijk volgers. Zoals ze schrijft: “Stop alles in ideologische of religieuze verpakking, en herhaal de leugens die je zelf hebt geleerd – je zult vele volgers vinden.” Hitler begreep dit mechanisme als geen ander: hij sprak openlijk zijn haat uit en liet zien hoe schaamteloosheid de massa kan overtuigen. Eerlijkheid in het kwaad – het ongegeneerd uitspreken van haat – blijkt telkens weer verontrustend effectief.
Vandaag zien we hetzelfde patroon terug. Trump sprak uit wat miljoenen heimelijk voelden: rancune, vernedering, het gevoel te hebben gefaald. Zijn kille jeugd – een vader die zwakte niet tolereerde – vormde hem tot een narcist, ongevoelig voor kwetsuur. Zijn schaamteloosheid werd een spiegel voor de verdrongen pijn van zijn volgelingen. Zij voelden zich eindelijk gezien, niet door liefde, maar door gedeelde woede en haat. Ideologie werd zo een instrument om pijn te kanaliseren en macht te legitimeren.
Poetin hanteert een ander masker: de zoon van Rusland die grootheid wil herstellen. Ook hij groeide op in vernedering en geweld. Zijn volk herkent daarin hun eigen verlies na het uiteenvallen van het Sovjet-imperium. Oorlog wordt zo een ritueel offer: een manier om een gekwetst zelf heroïsch te verheffen en de eigen pijn te transformeren in collectieve macht. Ideologie en symboliek verbinden persoonlijke trauma’s met politieke macht – en maken van pijn een instrument voor massamanipulatie.
Dit mechanisme is universeel: leiders die hun eigen wonden verhullen, kunnen de pijn van anderen spiegelen en kanaliseren, waardoor persoonlijke trauma’s worden omgezet in politieke macht. Schaamte wordt vervangen door schaamteloosheid, kwetsbaarheid door een gevoel van gedeelde grootheid. Ideologie, ritueel of symbool fungeert daarbij als katalysator: het legitimeert wat anders onuitspreekbaar of onverdraaglijk zou zijn. Zo blijkt dat de meest verontrustende vormen van macht niet altijd geboren worden uit kracht of moraliteit, maar uit een vaardig gebruik van menselijke pijn – een pijn die gespiegeld, gedeeld en verheven wordt tot collectieve overtuiging.
Hitler zei ooit: “Wat een geluk voor machthebbers dat de mensen niet denken.” Vandaag zouden we eraan kunnen toevoegen: wat een geluk dat zij hun pijn niet willen voelen. Want waar niet wordt gevoeld, kan gemakkelijk worden verblind. Dat is de actualiteit van Alice Miller. Het kwaad begint niet met tanks of verkiezingsleuzen, maar in de kinderkamer: in de stilte na een klap, in de kilte van een te hoge verwachting, in de leegte van een afwezige ouder. Het kind dat zijn tranen inslikt, zal later de wereld laten wenen in zijn plaats.
Trump, Poetin, Hitler – verschillende namen, één onwrikbare logica. Hun macht groeit uit onverwerkte pijn, uit woede die nooit mocht worden gevoeld, uit verdriet dat nooit mocht klinken. Hun charisma is een donkere alchemie: kwetsuur verandert in wraak, schaamte in glorie, leegte in ideologie. Het is de kunst van de verblinding: het kind dat nooit mocht huilen, laat een volk lijden voor hem, laat een natie trappen in de schaduw van zijn onverwerkte wonden.
Miller waarschuwt ons met harde eenvoud: alleen wie zijn eigen pijn durft te doorleven, ontsnapt aan de verleiding van de spiegel waarin de wereld zich verdwaald herhaalt. Wie dat niet doet, ziet geschiedenis zich herschrijven, telkens in nieuwe gedaanten, altijd met dezelfde ondertoon van hunkering en boosheid. De wereld treurt, maar zelden om het kind zelf; meestal om de echo van zijn onvervulde tranen, om de leegte die hij naliet. En wie luistert, voelt dat het collectieve gejammer niet te stuiten is – want het begon bij het kind dat nooit mocht huilen, dat nooit mocht klagen, dat nooit mocht zijn.