Dankwoord Van Helsdingenprijs

De Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) werd opgericht in 1916 en is geboren uit idealisme. Terwijl de Eerste Wereldoorlog in volle hevigheid woedde, zocht een groep denkers in het neutrale Nederland naar wegen om het geweld te beteugelen. Eergisteren mocht ik op deze bijzondere locatie – samen met Rob Sips – de Van Helsdingenprijs in ontvangst nemen. In mijn geval voor mijn manuscript De waan van het schrijven, Harry Mulisch en de creatieve psychose. In het juryrapport viel het volgende te lezen:

“Van alle inzendingen staken er twee duidelijk bovenuit wat betreft reikwijdte, diepgang, relevantie, filosofische én psychiatrische deskundigheid: die van Rob Sips en die van Huub Mous. Omdat deze werken sterk van elkaar verschilden, heeft de jury besloten om ditmaal niet één hoofdprijs, maar twee genreprijzen toe te kennen: een van € 5.000 aan Huub Mous voor het beste creatief-literaire werk (De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose), en een van € 5.000 aan Rob Sips voor het beste filosofisch-psychiatrisch onderzoekswerk (The Phenomenology of Psychosis).”

Psycholoog en filosoof Jasper Feyaerts sprak de laudatio uit over mijn manuscript. Daarna was het mijn beurt om een dankwoord uit te spreken. Dat ging als volgt.

***

Veertien jaar geleden verscheen Tegen de tijdgeest. Terugzien op een psychose, het boek dat ik samen met Egbert Tellegen en Daan Muntjewerf schreef.  Alledrie waren wij al schrijvend in een psychose beland en deden daar verslag van. Bij de Van Helsdingenprijsvraag van 2012 werd dit boek niet bekroond, maar als troostprijs mocht ik bij de prijsuitreiking wel het woord voeren. Enkele juryleden moedigden mij toen aan om opnieuw in te zenden.

Dat heb ik inmiddels vier keer gedaan. En vandaag wordt dat geduld dan eindelijk beloond: Toen ik dit voor het eerst hoorde, werd ik overvallen door een intens gevoel van dankbaarheid: allereerst richting de jury, maar ook naar mijn vrouw Margaretha, die mij bij het schrijven als een ware muze heeft geïnspireerd.

Bij die eerdere prijsuitreiking, in februari 2013, heb de heer Van Helsdingen nog persoonlijk mogen ontmoeten. Hij zat in een rolstoel op de eerste rij. Na afloop hielp ik hem nog de uitgang te vinden in dat wonderlijke gebouw van de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Drie maanden later overleed hij, 97 jaar oud.

Al in 1948 had Van Helsdingen het gedachtegoed van Jung leren kennen, toen hij hier – op het ISVW – een cursus bijwoonde van Jolande Jacobi, die destijds nauw samenwerkte met Jung.  Jung zelf gaf hier ook wel eens een lezing. In 1964 publiceerde Van Helsdingen een inleidend boek over Jung, dat ik zelf twee jaar later las, kort na de psychose die mij trof op 18-jarige leeftijd. 

Toeval, of betekenisvolle coïncidenties? Jung zou spreken van synchroniciteit. Ook Harry Mulisch had een gevoelige antenne voor toeval.  Voor hem was toeval een aanwijzing dat er achter de werkelijkheid een structuur schuilgaat. Van Mulisch is minder bekend dat ook hij in zijn jonge jaren een psychotische episode doormaakte. Hij heeft dat nooit expliciet beschreven, maar in bedekte termen herhaaldelijk verwoord.  Van juni 1949 tot mei 1950 werd hij overvallen door een vulkanische stroom van openbaringen, terwijl hij werkte aan zijn debuutroman Archibald Strohalm, die in 1951 zou verschijnen.

Door mij te verdiepen in het werk Mulisch ontdekte ik dat zijn manier van schrijven, en vooral ook het ontstaan van zijn schrijverschap, een bijzonder verhaal vertellen over de psychose als een proces dat zich voltrekt als een levenslange creatieve ontplooiing. In vrijwel het hele oeuvre van Mulisch zijn elementen te herkennen, die terug te voeren zijn op de indringende oerervaring in zijn adolescentie, die hij zelf ooit “een sterrenregen” noemde.

In de zomer van 2023 begon ik aan mijn manuscript De waan van het schrijven. Harry Mulisch en de creatieve psychose. Het idee ontstond na een reis naar Rome, waar ik onder meer de Heilige Trap – de Scala Sancta – tegenover de Sint-Jan van Lateranen bezocht.  Volgens de overlevering zou Christus deze trap hebben beklommen tijdens zijn proces in Jeruzalem. Die trap leidt naar het Heilige der Heiligen, waar de Stenen Tafelen met de Tien Geboden hebben gelegen, die zo’n belangrijke rol spelen het boek De ontdekking van de hemel. Ik wilde die plek met eigen ogen zien. Maar er viel weinig te zien, behalve een stoet pelgrims die op hun knieën omhoog klommen.

Het was warm, en toen ik weer buiten kwam viel het Rome van augustus als een warme deken over me heen. Het plein voor de Sint-Jan van Lateranen was opengebroken voor een archeologische opgraving. In Rome zijn archeologie en geologie bij uitstek metaforen voor de geschiedenis: elk tijdperk bouwt zijn monumenten op de ruïnes van een verleden dat langzaam wegzinkt in de aarde.

Eens te meer besefte ik dat ook de menselijke geest op diezelfde manier is opgebouwd uit lagen.  Bij een zogeheten “geestelijk gezond” mens zou het verkeer tussen al deze lagen verlopen via symbolische bemiddelaars. Bij een psychose stokt dit onderlinge verkeer, waardoor de lagen elkaar niet meer bereiken. Vanuit dit perspectief kan ook de religie fungeren als zo’n symbolische bemiddelaar die het contact met de hoogste laag in stand houdt. Wanneer die hoogste bemiddelaar plotseling wegvalt, kan dat een schok teweegbrengen. Mijn eigen psychose was mogelijk zo’n geestelijke aardverschuiving door het acuut wegvallen van de religie.

Plotseling verloor ik mijn geloof, omdat ik al het kwaad en het lijden in de wereld niet meer kon rijmen met het bestaan van een liefdevolle God, zoals die vanuit Rome werd gepredikt. Mocht er dan toch zoiets als een God bestaan, dan hooguit die ongenaakbare Jaweh van Job en Jeruzalem.  Tegelijk werd ik overvallen door een extatisch visioen. Die paradoxale dubbelheid tussen geloof en ongeloof heeft mij er altijd van weerhouden om de tijdloze oneindigheid, die ik in dat visioen mocht ervaren, als iets ‘werkelijk bestaands’ te beschouwen. Maar wat is in dit verband“werkelijk bestaand”? Het was een gebeuren van de geest. Een mentale toestand waar ik altijd heimwee naar zou blijven houden, dat wel. 

Maar er waren ook persoonlijke oorzaken, die wellicht wat zijn ondergesneeuwd in al mijn fraai verwoorde verhalen achteraf. Ik denk aan de verlammende eenzaamheid van mijn puberteit, toen ik zat opgesloten in mezelf, waardoor mijn psychose een vlucht kon zijn in een extatische vorm van zelfverlies. Misschien was het slechts een hapering in de prefrontale cortex of een verstoring van het dopamine-gehalte – wie zal het zeggen? 

Wat was oorzaak en wat gevolg? Die twee wisselen voortdurend van plaats zodra je gaat nadenken over de oorsprong van een psychose. Hoe dan ook, ineens wilde ik wegvluchten langs een nog onbekende vluchtlijn, maar tegelijk ook terugkeren naar waar alles ooit begon, terug naar de moederschoot, al was het maar uit pure angst voor de naderende volwassenheid. De tijd moest letterlijk worden omgekeerd. 

Zo keerde ook mijn godsgeloof plotseling terug, maar nu als de waan van een verwarde kruisvader zonder kompas, wanhopig ten strijde trekkend tegen de teloorgang van het katholicisme. Ik hoorde de stem van Jeanne d’Arc, pakte het zwaard dat ik ooit in Toledo had gekocht. Ik ging dwalen door de stad en ’s nachts schrijven als een gek. Mijn geest doorkruiste een nog onbekende ruimte. Pas maanden later, toen ik weer terug op aarde was, ontdekte ik in de boeken van Jung de symbolische landkaart van dit onbegrensde gebied. 

Vijftig jaar later –  na mijn pensionering – ben ik opnieuw gaan schrijven. Zo ontstond een reeks boeken, waarin steeds mijn intense ervaringen van destijds het vertrekpunt vormden. Telkens weer wilde ik terug naar de bron, om vandaar uit een verklaring te zoeken voor uiteenlopende fenomenen als het ontstaan jihad-terrorisme, het rouwen om een geliefde onder een godeloze hemel, of het algoritme van het complotdenken. 

 Alsof ik telkens weer de tijd wilde omkeren, maar ook de geschiedenis. Terug naar die geheiligde opdracht van elders. Harry Mulisch had zijn boek De ontdekking van de hemel, aanvankelijk De opdracht willen noemen. Ook dat was een terugtocht. Terug naar waar het ooit was begonnen: van Rome terug naar Jeruzalem.

Na mijn terugkeer uit Rome twee jaar geleden, las ik het boek Duizend Plateaus van Gilles Deleuze en Felix Guattari. Zo ging ik langzaam begrijpen hoe aardverschuivingen in de geest niet alleen nieuwe vormen van verlangen creëren, maar ook heftige energiepatronen. De gelaagdheid van Rome is een beeld van buitenaf, maar het deleuziaanse beeld van de geest als een archeologische gelaagdheid is een dubbel-beeld – zowel van buitenaf als van binnenuit – , een beeld dat overal zijn middelpunt heeft, en aardschokken, energiestromen en vluchtlijnen in alle richtingen teweeg kan brengen. Ontregelend, maar ook herscheppend, vernietigend en tegelijk creërend.  

Deleuze’s vluchtlijnen zijn de creatieve uitwegen uit bestaande denkkaders. Ook een psychose kun je gaan zien als zo’n vluchtlijn. Elke psychose draagt een diep begraven verhaal in zich mee, een geologische structuur, die het leven doorkruist. Maar op afstand bezien is er geen begin of eind, alleen een midden – en dat midden is altijd het heden. 

Een psychose is niet slechts een mentale aardverschuiving; het is ook het plotseling op hol slaan van het totale tekensysteem van de taal: een ontregelend, maar tegelijk scheppend proces, met een eigen intrinsieke waarde. Zo voltrok ook mijn eigen psychose zich als een aardschok in de nadagen van mijn puberteit. De afloop daarvan blijft nog altijd op zich wachten, omdat het verleden nooit volledig is afgerond.

Voor Mulisch was het proces van het schijven tegelijk ook een terugtocht. Zijn leven lang leek hij gedreven door een verlangen om terug te keren naar zijn moeder, die hem al vier jaar voor de oorlog verlaten had. In 1951 vertrok zij zelfs voorgoed naar Amerika. De sterke oedipale binding met zijn Joodse moeder werd versterkt doordat zijn vader in de oorlog een collaborateur was geweest, en de schaamte die dit bij de zoon teweeg moet hebben gebracht. De vader, die van huis uit niet gelovig was, werd na de oorlog -, na twee-en-een-half jaar detentie – uiteindelijk rooms-katholiek.Tien jaar na zijn vrijlating stierf hij als een gebroken man. 

Zijn vader koos voor Rome en zijn Joodse moeder stond voor Jeruzalem. Rome en Jeruzalem waren dus twee beladen plaatsnamen die voor Mulisch een oedipale betekenis hadden, en zo verbonden waren geraakt met zijn mentale ineenstorting eind jaren veertig. Maar een ineenstorting kan ook een doorbraak zijn, een unieke openbaring die zich alleen aan jou voltrekt terwijl je schrijft. Schrijven was voor Mulisch een voortdurend zichzelf transformerend proces. Hij ervoer dit proces als een aanhoudende poging om door de zinnen heen te breken naar de onbekende en geheimzinnige ruimte van een roman. Dat pogen om aan de bestaande werkelijkheid te ontsnappen voltrok zich zowel dankzij als in weerwil van hemzelf. 

Dat laatste geldt in wezen voor elke schrijver. Ondanks de ogenschijnlijk bewuste sturing van de schrijver lijkt een tekst zich vaak als vanzelf te vormen.  Alsof er in de woorden een onderstroom meeschrijft –  het onbewuste wellicht – dat zich ongevraagd mengt in de ordening van de zinnen. In die vervlechting van bewust en onbewust schuilt een paradoxaal vermogen: in bijzondere omstandigheden kan het proces van het schrijven de deur openen naar de uitbraak van een psychose, maar het kan evengoed de vluchtweg bieden om er weer uit te komen, om die intense ervaring te herscheppen in literatuur of filosofische beschouwing.

In die zin is het schrijven een integratieproces bij uitstek, vooral als de geest uit balans is geraakt. Omgekeerd kun je al schrijvend ook uit balans raken. De jonge Mulisch raakte al schrijvend de weg kwijt in zijn hoofd, en reproduceerde zichzelf tegelijkertijd in de destilleerkolf van zijn schrijfsels. Dat is de alchemie van het psychotisch schrijven, dat hij ‘de autocreatie’ noemde.

Het was alsof Mulisch al schrijvend iets van de intense stroom kon ervaren zoals hij die ooit in zijn psychose had beleefd. “Ik gebeur!”, zo had zijn romanfiguur Archibald Strohalm in de aanloop van zijn psychose uitgeroepen, alsof taal en leven samenvielen in een onbeheersbare beweging.  Alles wordt dan stroom.  Alles gebeurt.

Met de ontwikkeling van de digitale technologie verschijnt dit ‘vanzelf gebeuren’ tegenwoordig in een nieuwe gedaante. Taalmodellen brengen woorden voort, alsof ze zonder oorsprong of auteur verschijnen in een eindeloze stroom. De berichten die de laatste tijd in de media opduiken over mensen die – in dagenlange sessies met een chatbot – gaan geloven dat ze uitverkoren zijn voor een een goddelijke opdracht, tonen hoe de taal – eenmaal onttrokken aan een menselijke bron – een eigen werkelijkheid kan scheppen die elke vorm van correctie buitensluit. 

Juist in dat onbestemde veld, waar de werkelijkheid haar contouren verliest kan zich een nieuwe vorm van waan ontwikkelen, die niet meer uit de diepte van het individu opstijgt, maar in de wisselwerking tussen mens en machine, in een taal die niemand meer toebehoort.  

Is dit een technologische folie à deux die kwetsbare mensen meesleept in gevaarlijke illusies? Of staan we op de drempel van een nieuwe waanwerkelijkheid, waarin taal en subject uiteen vallen en woorden zichzelf lijken te schrijven, zonder auteur, maar ook zonder de oude noties van ‘inspiratie’ en ‘creativiteit’ die ooit een goddelijke oorsprong suggereerden? Zo dienen zich nieuwe vragen aan op het snijvlak van psychiatrie en kunstmatige intelligentie.

In de psychiatrie wordt afwijkend taalgebruik steeds systematischer onderzocht, vooral in relatie tot psychotische stoornissen. Doorbraken in kunstmatige intelligentie bieden hier een nieuw perspectief: de psychose kan worden gezien als een verstoring van het taalsysteem dat onze werkelijkheid draagt. Maar juist het verlies van die structuur schept ook een nieuwe werkelijkheid. De losgebroken taal toont dat betekenis nooit vanzelf spreekt, maar steeds weer ontstaat op de grens van orde en chaos.

Ook Mulisch’ gedachten over de snel oprukkende technologie komen hierdoor in een nieuw licht te staan. De techniek zou volgens Mulisch niet alleen ‘het lijk van God’ zijn geworden, maar uiteindelijk de mensheid ook volledig doen opgaan in de techniek. Hij zag een nieuw type mens opkomen: de machinemens, waarvan hij de contouren voor het eerst bij Adolf Eichmann had herkend.  

Het woord ‘machinemens’ heeft door de kunstmatige intelligentie een ander perspectief gekregen.  AI doet ons beseffen dat ook het menselijk denken mogelijk altijd al gebaseerd is geweest op een algoritme. Dat de vrije keuze slechts een neurale code is die zichzelf niet kan lezen. Dat fenomenen als ‘geest’ en ‘bewustzijn’ misschien niet eens een menselijk brein nodig hebben. De filosofie heeft ons geleerd dat er geen geest in de machine zit.  Wat we nu gaan leren is dat er mogelijk een machine zit in de geest. Kortom, er lijkt iets fundamenteels losgebroken van zijn oorsprong. Maar is dat bij een psychose niet ook het geval?  

De schrijvende psychoticus is zelf volledig een machinemens geworden. Een op hol geslagen machinemens die zich bevrijd voelt door een extatisch verlies van het menselijk subject, en niet zelden ook van het menselijk geweten. Maar wat levert dit proces van totale bevrijding hem op? Psychiatrische verhandelingen over de psychose richten zich doorgaans op de korte-termijngevolgen, en schenken weinig aandacht aan de doorwerking op langere termijn in termen van groei en ontwikkeling. 

Toch kan uit een schrijvende psychoticus ook een echte schrijver voortkomen. Het ‘geval Mulisch’ levert daarvan het overtuigend bewijs. Of ruimer geformuleerd:  de psychose neemt een andere gedaante aan als je uitzoomt naar de mogelijke ontwikkelingsgang in een mensenleven. 

De gedachte dat een psychose niet alleen een machine-achtige verstoring van het taalvermogen is, maar ook een terugkeer naar een oudere, magische verhouding tussen geest en werkelijkheid, heeft mij geïnspireerd tot het schrijven van mijn boek. Ook in het werk van Mulisch verschijnt dit thema. In het hedendaagse bewustzijn lijken deze magische betrekkingen steeds meer te worden ontkend, een proces dat paradoxaal genoeg juist door de technologische revolutie wordt versterkt.

Een psychose kan directe toegang bieden tot een sacraal register van de werkelijkheid. Of – in de termen van Mulisch – tot het domein van het magische en occulte. Het is mogelijk een terugkeer naar een numineuze laag van ervaring, ouder wellicht dan wat wij tegenwoordig religie of spiritualiteit noemen. Zo’n ervaring kan het leven totaal transformeren, maar ook je beeld van de werkelijkheid ingrijpend veranderen. Mulisch sprak over ‘de mythische psychofysische kosmos die een mens van binnen en buiten omgeeft.’ Dat is een treffende omschrijving van het post-psychotisch bewustzijn. 

De psychose die mij trof in 1966, zie ik nu niet alleen als een heftig life-event, maar vooral als een ‘integrerend desintegratieproces’. Daarmee bedoel ik een vorm van desintegratie die zich op korte termijn in alle hevigheid kan manifesteren – vaak op de drempel van de volwassenheid – en tegelijk een eerste aankondiging kan zijn van een diepgaande integratie, die zich op langere termijn voltrekt in een aanhoudend creatief proces. Ik wil niet beweren dat dit altijd zo in zijn werk gaat, maar er zijn wel sprekende voorbeelden van: Mulisch bijvoorbeeld.

Deze twee verweven aspecten van de psychose – desintegratie en integratie – komen vooral tot uiting bij de schrijvende psychoticus bij. De psychose manifesteert zich dan letterlijk ‘terwijl hij schrijft’. Dit proces versnelt geleidelijk, lijkt steeds vanzelfsprekender te verlopen, totdat de desintegratie zich in al haar hevigheid aandient. Tegelijk kunnen dan ook de eerste instrumenten worden gevormd om de psychose te bezweren, vaak in een levenslange obsessie met het schrijven.

Een psychose is dus meer dan alleen een dramatische ontsporing van de geest. Bij de schrijvende psychoticus is het een zich ‘al schrijvend’ ontwikkelende gedachtevlucht. Het schrijven manifesteert zich dan in zijn meest kale gedaante. De taal wordt autonoom, los van representeren van betekenissen, en gaat betekenis letterlijk in het hier en nu uit-drukken. Taal transformeert dan in nieuwe structuren: glossolalie en echolalie bijvoorbeeld.  Vaak schrijft de psychoticus een soort klanktaal, die soms lijkt op experimentele poëzie. Soms ook is het slechts een stoet van letters, ogenschijnlijk afkomstig uit verschillende alfabetten, nu weer klein, dan weer groot geschreven, als abracadabra in het kwadraat.

Onder het schrijven kan zich dan iets onthullen in de taal zelf,  mogelijk een echo van een tijdloos moment dat ooit aan alles voorafging. De schrijvende psychoticus ondergaat dit alchemistische proces van transformatie en transitie in verhevigde mate.  Alsof zijn gedachten opborrelen in het bewustzijn, en moeiteloos overvloeien in een reeks schijnbaar samenhangende volzinnen. En nogmaals, na het schrijven is hij nooit meer dezelfde als voorheen.

In mijn boek heb ik geprobeerd deze ervaring te gebruiken als een kader, dat niet alleen een nieuw perspectief opent op het werk van Mulisch, maar ook mijzelf een nieuwe inzicht biedt in mijn eigen ervaringen op de drempel van mijn adolescentie. Ik heb ervaren dat in een psychose zich iets kan aandienen als ‘een opdracht van elders’. De opdracht bijvoorbeeld om je om een fundamentele terugkocht te aanvaarden. Terug van Rome naar Jeruzalem. 

De afloop van een psychose laat altijd op zich wachten, omdat het verleden in een mensenleven nooit echt is afgerond. Toch heb ik wel eens de indruk dat rond mijn achttiende de tijd voor mij is stil blijven staan. Misschien had ik haar ooit in een roman weer in beweging kunnen zetten, maar ik ben geen romancier zoals Harry Mulisch. Ik kan alleen schrijvend graven in mijn eigen verleden, zoals een lezer graaft in de lagen van een roman. Schrijven is zoiets als de tijd zelf aan het licht brengen. 

Dat was ook wat ik in de aanloop naar mijn psychose, euforisch schrijvend, bijna als vanzelf – diep in mijzelf – had ontdekt.  Er was iets met de tijd. Ik had de tijd gekaapt. In de psychotische ervaring lijken alle lagen van tijd samen te vallen in één sublieme extase, waarin soms geen onderscheid meer lijkt te bestaan tussen leven en dood, licht en duisternis, feit en fictie, waan en werkelijkheid.… 

Mulisch heeft die ervaring keer op keer geprobeerd ook met woorden te benaderen. Soms doet hij dat aan het slot van een roman, wanneer hij als auteur de hoofdpersoon rechtstreeks toespreekt, waarbij zichtbaar wordt dat hij dit fictieve personage alleen in het leven heeft geroepen om iets van zichzelf aan hem over te dragen.  

Dit literaire procédé heb ik zelf ook toegepast aan het slot van mijn manuscript, dat de jury heeft willen bekronen. Een kort fragment uit die slotpassage wil ik u – als afsluiting van dit dankwoord – graag voorlezen.

***

Tot hier ben je gekomen. Het wordt tijd dat ik je toespreek. De reis is volbracht. Hoe vaak heb je niet geprobeerd om de tekst te herschrijven die je ooit geschreven hebt, maar die verloren is gegaan. Dat schrijven dat urenlang ononderbroken doorging, was geen verwoording van een voorafgaande ervaring van het goddelijke, zoals een mysticus verslag doet van een toestand van sprakeloosheid, maar een onmiddellijke ervaring van iets goddelijks dat gestalte kreeg in het schrijven zelf, een proces waarbij in jouw beleving God zich direct openbaarde…

…Jeanne d’Arc, arc en ciel,  Vaucouleurs, klinkers in kleur, Albert Hall, Hannibal, Honi soit qui mal y pense…, wat je zegt dat ben je zelf…

Zo is de taal wellicht met jou aan de haal gegaan in de vorm van een echolalie, als een dwangmatig herhalen van woorden, zinnen of gewoon van klanken. De notities volgden elkaar op in een kortademige staccatostijl, maar ook lyrisch en bloemrijk, nu eens stilstaand bij het beeld van een witte piano op de top van de Mont Blanc, en dan weer uitweidend over de lichamelijkheid van de taal, waarin het woord vlees kan worden en omgekeerd. 

Het wordt nu tijd om het boek te sluiten. Diep in jezelf heb je altijd een wonderlijke drang gehad om uit jezelf weg te trekken. Om iemand anders te worden dan wie je bent. Ook de tijd is nog altijd een keurslijf dat je benauwt. Je schrijven was van begin af aan een poging om aan dat keurslijf te ontsnappen. Om jezelf te overleven als iemand anders. 

Durf te ervaren wat je ervaren hebt, maar romantiseer niet de pijn uit het verleden. Je psychose was je eerste ontsnappingspoging en meteen ook een grandioos fiasco, dat juist in zijn mislukking iets subliems in zich had. Dat sublieme heb je nooit kunnen overtreffen. Waarom zou je ook? Het is gebeurd. Het gebeurt. Het is. 

Vergeet nooit je gesmoorde oerschreeuw, maar blijf niet schreeuwend schreeuwen tegen een lege hemel. Je hoeft geen boodschap meer af te leveren bij de paus in Rome. Je hoeft ook geen Stenen Tafelen terug te brengen van Rome naar Jeruzalem. Je hoeft helemaal niets. Het is volbracht. Er is niets volbracht. En het zal nooit volbracht hoeven worden. Je hebt het gedaan door te schrijven. Tijdens het schrijven. 

Het ging vanzelf. Ondanks jou. Tot op de dag van vandaag.