Een ander gezicht van het verleden

Dit is een van de weinige foto’s uit de jaren vijftig waarop al mijn oudere zussen samen te zien zijn. Onlangs heb ik de opname door AI laten inkleuren. Dat bracht een onverwacht effect teweeg: de gezichten leken nauwelijks, en toch merkbaar, veranderd – alsof de herinnering zelf een ander gelaat had gekregen. De technologie schoof zich ongemerkt tussen mij en het verleden, en gaf de foto een vreemd soort actualiteit, alsof wij allen nog ergens in een vergeten heden voortleefden.

De opname is vermoedelijk gemaakt in 1956, door mijn vader. Ik was toen acht jaar oud. Van links naar rechts zijn te zien: mijn oudste zus Mariet († 2022), tante Marie (de oudste zus van mijn moeder), mijn zus Cornelie († 2014), mijn jongste zus Trees († 2019), pater Deden, ikzelf, mijn moeder en mijn zus Lucie († 2015).

Wanneer ik naar deze foto kijk, valt mijn blik telkens terug op pater Deden. Zijn aanwezigheid temidden van ons gezin roept een herinnering op aan de rol die geestelijken in die tijd vanzelfsprekend speelden. Hij was een huisvriend, maar ook meer dan dat: een vertegenwoordiger van een wereld waarin geloof en dagelijkse werkelijkheid nauwelijks gescheiden waren. Zijn donkere soutane contrasteert met de lichte jurken van mijn zussen, alsof hij een andere tijd of sfeer belichaamde. Voor een kind van acht was hij een figuur die respect inboezemde en tegelijk vragen opriep.

Wat mij trof, toen ik onlangs via ChatGPT nadere informatie over pater Deden zocht, was hoe fragmentarisch zulke levens zich nog laten traceren. Namen, data, soms een publicatie of een vermelding in een parochiearchief, het zijn kleine bakens in een zee van vergetelheid. Toch volstaat een enkel detail om hem weer dichterbij te brengen, zoals de ingekleurde foto dat ook deed.

Zo gaat dat met de herinnering: niet de volledigheid, maar de toevallige overlevering. Een foto, een naam, een gebaar dat in de tijd bewaard is gebleven. En wanneer een nieuwe techniek zich ermee bemoeit – het inkleuren door AI, het zoeken naar digitale sporen – wordt de herinnering niet vervangen, maar wel herschikt. Ze krijgt kleur, een andere glans, soms ook een ander gezicht.

Terwijl ik dit schrijf, bedenk ik dat dit precies de taak is van herinneren in het heden: niet vasthouden aan de onveranderlijkheid van het verleden, maar toestaan dat het zich telkens opnieuw openvouwt, in een andere taal, met andere kleuren, in het licht van de tijd waarin we leven.

Ik vroeg aan Chat GPT om een blog te schrijven op basis van eerdere blogs maar daarbij gevoegd wat hij aan nadere informatie kon vinden over Pater Deden. Dit was het resultaat. 

***

Pater Deden, een volle neef van mijn vader, was lid van de congregatie van de priesters van het Heilig Hart. Hij kwam geregeld bij ons thuis en ook bij mijn tantes in Huissen. Zo vormde hij, wonderlijk genoeg, een brug tussen mijn Friese familie en de Arnhemse familie van mijn moeder. Een theoloog tussen noord en zuid, zou je kunnen zeggen. In datzelfde jaar vierde hij bovendien zijn 25-jarig priesterjubileum.

In het dagblad De Tijd van 19 juli 1956 vond ik het volgende bericht over hem: 

‘Heden, donderdag, viert dr. D. Deden SCJ , leraar aan het Theologicum van de priesters van het H. Hart te Heesch bij Nijmegen, zijn zilveren priesterfeest. Na zijn priesterwijding studeerde pater Deden theologie en semitica aan de universiteit van Leuven, waar hij o.m. leerling was van de bekende aradisant prof. G. Rijckmans. In 1935 promoveerde hij op een dissertatie getiteld: “Le mystère paulinien”. Van zijn hand verschenen o.a. „De Messiaanse profetieën” en — in de seriecommentaar De Boeken van het Oude Testament — “De kleine profeten I”, terwijl in dezelfde serie binnenkort het tweede deel van dit boek het licht zal zien. Pater Deden verstaat de kunst om zijn kennis op het gebied der bijbelse topografie op een boeiende en ook voor outsiders duidelijke wijze voor te dragen, waarom hij dan ook in velerlei kring een graag gehoord spreker is.’

Pater Deden was een vriendelijke, spraakzame man, heel open van aard – een uitgesproken tegenpool van mijn vader, die vooral zwijgzaam en gesloten was. Als pater Deden op bezoek kwam, werd hij met respect ontvangen en hing iedereen aan zijn lippen. Pas veel later ontdekte ik dat hij het nog tot professor in de theologie heeft gebracht. In de Friese Encyclopedie van 1975 staat hij zelfs met foto vermeld als prof. dr. D. Deden scj, supervisor van de Friese bijbelvertaling die in 1966 van start ging op initiatief van It Kristlik Selskip, It Roomsk Frysk Boun en de gezamenlijke kerken in Friesland.

Dat wisten wij thuis in de jaren vijftig allemaal nog niet. 1966 was bovendien ook het jaar waarin mijn vader overleed en waarin de grote uittocht uit de Kerk begon. Alleen mijn moeder bleef de Kerk trouw; de kinderen gingen ieder hun eigen weg. De Moederkerk werd voor ons gaandeweg een moeder van herinneringen, een symbool van een tijdperk dat voorgoed voorbij was. Voor mij viel deze uittocht samen met het ineenstorten van het jezuïetische bolwerk dat mijn jeugd had gevormd.

Er wordt vaak beweerd dat de teloorgang van het Nederlandse katholicisme in de jaren zestig vooral te wijten was aan de kerkelijke elite, die te veel met zichzelf bezig was en te weinig oog had voor het gewone volk. Helemaal toen Rome de teugels aantrok met conservatieve encyclieken als Sacerdotalis Caelibatus (1967, over het celibaat) en Humanae Vitae (1968, over anticonceptie), en met omstreden bisschopsbenoemingen.

In het boek Moederkerk. De ondergang van rooms Nederland (2012) schetst Jos Palm een vergelijkbaar beeld: een elite die de vernieuwingsdrift niet wist te vertalen voor het volk. Toch denk ik dat deze analyse tekortschiet. Want daarmee wordt voorbijgegaan aan de theologische crisis die zich na de oorlog zelf had aangediend. Theologie is, net als kunst, een intrinsiek onderdeel van het culturele weefsel. En juist dat weefsel begon in de jaren zestig te rafelen.

Er was sprake van een crisis van het religieuze symbool, van het verdwijnen van de transcendentie uit de moderne ervaring van tijd en ruimte. Het bovennatuurlijke was zo zorgvuldig losgemaakt van de natuur – gevrijwaard van alle aardse smetten – dat het uiteindelijk zijn kracht verloor. Van de weeromstuit kon de verwereldlijking vrij spel krijgen. Het geloof verdween niet door een tekort, maar door een teveel aan transcendentie. Zelfs het seksueel misbruik van geestelijken in die jaren van ondergang zou je kunnen zien als een perverse uitwas van die losgezongen bovennatuur.

Terwijl de mystiek uit de theologie verdween, bloeide zij in de subculturen juist als onkruid tussen het asfalt. De religie droogde op, maar de spiritualiteit ging stromen in de hippiecultuur, de oosterse goeroes, Bagwan-volgelingen en de transcendente meditatie van Maharishi Yogi. Men zocht verlichting in sensitivity training of in de eigen seksualiteit, als hedonistisch middel tot emancipatie en zelfexploratie. Het was het begin van een individualisering die tot op heden voortduurt – van mindfulness tot neoliberaal zelfmanagement. Kies voor jezelf, voor je vrijheid, voor je hart. Maar dat hart blijkt vaak even leeg als een cactus, terwijl de wereld gewoon doordraait, op goed geluk, zonder horlogemaker – zoals Michel Sardou ooit zo mooi zong.

Al die latere ontwikkelingen waren voor ons thuis in de jaren vijftig nog ondenkbaar. Zeker wanneer pater Deden weer eens langskwam en honderduit sprak over de Moederkerk in heden, verleden en toekomst. Hoe het hem later is vergaan, weet ik niet. Misschien is hij de Kerk trouw gebleven, misschien niet. Velen traden in die jaren uit en legden hun witte boord af, zelfs de meest fanatieke jezuïeten. De dogma’s die mij in mijn jeugd met zoveel strengheid waren ingeprent, bleken ook voor hen uiteindelijk slechts praatjes voor de vaak