Deze door AI ingekleurde foto van mijn vader in Lourdes stamt uit de late jaren twintig. Hij kende mijn moeder toen nog maar nauwelijks. De foto laat een jonge man zien die nog aan het begin van zijn leven stond, maar in zijn blik al iets van de ernst en de devotie draagt die hem zijn leven lang trouw zouden blijven. Ik vroeg gisteren aan ChatGPT om uit eerdere blogs van mij een nieuw verhaal te destilleren over wat Lourdes voor mijn vader betekend heeft. Lourdes is immers een wonderlijk fenomeen dat mij altijd heeft gefascineerd. Niet voor niets schreef ik ooit het boek Modernisme in Lourdes.
Ooit sprak ik een archeoloog die onderzoek had gedaan naar oude cultusplaatsen in Frankrijk. Zijn bevindingen waren opmerkelijk: veel van de huidige bedevaartsoorden bleken een veel oudere, vaak heidense oorsprong te hebben. Men stuitte op sporen van cultusplaatsen, offerplekken en geneeskrachtige bronnen, die al eeuwen vóór de komst van het christendom als heilig waren aangemerkt. Het water dat men er dronk of waaraan men zich wijdde, symboliseerde de geheime diepten van het leven zelf.
In dat licht verschijnt Maria als de voortzetting van een oeroud patroon: de verering van de moedergodin. In de eerste eeuwen van het christendom vond een stille transformatie plaats. Na het Concilie van Efese in 431, waarin Maria officieel als Moeder Gods werd erkend, werden veel tempels die aan heidense godinnen waren gewijd, omgevormd tot Maria-heiligdommen. Maar ook latere bedevaartsplaatsen, zoals Lourdes, vertonen vaak sporen van een voorchristelijke voorgeschiedenis. In Germaanse tijden, toen bomen, stenen en bronnen als bezielde manifestaties van het heilige golden, werden waterputten geslagen die eeuwen later onder christelijke vlag bleven voortbestaan als plaatsen van verering en genezing.
Of mijn vader zich dat alles heeft gerealiseerd, betwijfel ik. Hij was geen archeoloog en geen historicus, maar een gelovige man. Voor hem was de Heilige Maagd geen echo van een vergeten moedergodin, maar de Moeder die werkelijk kon ingrijpen, die gebeden verhoorde en wonderen verrichtte. Dat geloof was onaantastbaar, en van dat geloof kon niemand hem afbrengen. Misschien is dat uiteindelijk ook wel het diepste geheim van Lourdes: dat het niet de bron zelf is die geneest, maar de kracht van een onwrikbaar geloof. Alleen wie zich met heel zijn wezen toevertrouwt, ervaart dat er iets in beweging komt wat groter is dan henzelf.
Ook Friesland heeft een Lourdesgrot en wel in Sint Nicolaasga, dat ook wel ‘Het Lourdes van het Noorden’ wordt genoemd. Onlangs ben ik er vanuit Leeuwarden naar toe gefietst. Een fietsbedevaart, zou je kunnen zeggen. In de jaren vijftig ben ik meerdere keren in Sint Nicolaasga geweest, want mijn oom woonde daar. Hij heette Fonger Mous en had een radiozaak. De Lourdesgrot staat behoorlijk verstopt achter de Nicolaaskerk. Een oude man wees mij de weg door een laantje met coniferen. De grot staat er nog altijd prachtig bij en er branden zelfs enkele kaarsjes die je voor 25 cent kunt opsteken. Dat heb ik dan ook gedaan.
Dit is wat ChatGPT mij over mijn vader en Lourdes te vertellen had, een verhaal dat ook verbonden is met zijn liefde voor Friesland.
De eerste reizen naar Lourdes
Ik ben vier keer in Lourdes geweest: in 1962, 1963, 1965 en, veel later, in 2012. Mijn ouders gingen vaker. Mijn moeder misschien wel tien keer. Al in de jaren twintig reisde zij als ziekenverzorgster mee met de bedevaarttrein, waar ze mijn vader leerde kennen. Voor hen werd Lourdes een vaste bestemming, een mengeling van religie en vakantie, van plicht en devotie.
In 1958, bij hun 25-jarig huwelijk, reisden ze nog eens samen, dit keer per touringcar. In 1965 zouden ze er voor het laatst zijn. Mijn eerste indruk, als veertienjarige jongen, staat me nog scherp voor de geest: de processie met lampionnen, duizenden pelgrims uit alle windstreken, zingend in hun eigen taal, maar samen één polyglotte symfonie van Ave Maria. Dat internationale, dat wonderlijke samenspel van stemmen, is misschien wel de kern van Lourdes.
Het verlangen van mijn vader
Mijn vader verlangde altijd terug naar Friesland, naar de wisseling van seizoenen, het open land, de horizon. Ik, opgegroeid in Amsterdam, had die antenne nooit ontwikkeld. Hij probeerde me de namen van gewassen bij te brengen, maar dat is nooit gelukt. Ik wist niet eens welke groenten boven of onder de grond groeiden. Wat ik wel leerde: de stad lezen. Ik herkende seizoenen aan het plaveisel, aan vogelgeluiden in de ochtend, aan het licht in de kamer.
In de stad kon je verdwalen, jezelf verliezen. In Friesland kwam je jezelf altijd tegen. Ik was jaren bang voor die weidse horizon, waarin mijn blik verdronk. Pas later leerde ik dat je die horizon in één keer moet vastgrijpen. Zo veranderde ook mijn gevoel voor maat en schaal: wat ooit normaal leek in Amsterdam-Zuid, voelde later in Bakhuizen als speelgoed. En andersom: terug in de stad torenden de huizen opeens boven me uit als kathedralen.
De Mousen als familie en mythe
Over de Mousen werd in Friesland veel verteld. Pastoor Van der Wal, ooit ‘de Friese paus’ genoemd, schreef me eens een brief waarin hij de Mousen een lofzang toedichtte: technici, zangers, paters, vrolijke dorpsmensen. Hij legde onze familielegende naast de Bijbel: de tocht uit Polen, de bekering tot het katholicisme, en het geloof dat Friesland het beloofde land was.
Die mythe werd door mijn vader gekoesterd. Volgens de overlevering waren de Mousen ooit Joden, die rond 1800 voor pogroms uit Polen vluchtten en in Friesland neerstreken. Daar bekeerden ze zich, niet alleen tot het katholicisme, maar ook tot het Fries. Fanatieker dan de paus, zo gaat dat vaak met bekeerlingen. Voor hen telde slechts de directe relatie tot God; de mens zelf had geen enkele verdienste. Dat strenge geloof kon even gemakkelijk omslaan in hoogmoed: het verhaal ging zelfs dat ooit de antichrist uit ons geslacht zou voortkomen. Voor mij bleef het familielegende, maar het had zijn schaduw. In mijn familie kwam ook godsdienstwaanzin voor. Het messianistische geloof van mijn vader droeg tegelijk calvinistische trekken. Het was de ernst van de Friezen, maar dan nog eens verdubbeld door Rome.
Katholieke enclaves in een protestants land
De Mousen waren niet de enigen. Friesland kende meerdere katholieke enclaves – Bakhuizen, Blauwhuis, Witmarsum – waar koppige pastoors in de Reformatietijd geweigerd hadden zich te voegen. Zo bleven kleine gemeenschappen eeuwenlang trouw aan Rome, tegen de stroom in. Het leverde een dubbel isolement op: buiten Friesland waren ze Friezen, binnen Friesland katholieken. Ze knielden alleen voor hun eigen God en hielden vast aan hun eigen rituelen. Hun geloofsijver kreeg na 1853, toen de bisschoppelijke hiërarchie werd hersteld, vorm in triomfantelijke neogotische kerken die nog altijd de horizon bepalen. De Cuyperskerk in Blauwhuis is daarvan het bekendste voorbeeld: te groot, te nadrukkelijk, maar ook een teken van overlevingsdrang.
De emigratie en het vertrek van mijn vader
Ondertussen liep Friesland leeg. Tussen 1860 en 1920 vertrokken 150.000 mensen, vooral naar de Randstad. In 1947 was zeven procent van de oudere Amsterdammers in Friesland geboren. Ook mijn vader trok weg, in 1918, op zijn 21ste. Hij was een Pietje Precies, een ambachtsman die alles kon repareren, en al jong gefascineerd door de nieuwe wereld van radio en telefonie. In Limburg vond hij werk via zijn oom, die directeur van de Staatsmijnen werd. Daar leerde hij ook mijn moeder kennen, een telefoniste uit Arnhem. Ze trouwden in 1931, verhuisden naar Den Haag en later naar Amsterdam. Mijn moeder, wars van de communistische buurt waar ze aanvankelijk woonden, koos uiteindelijk voor de Watergraafsmeer, waar het uitzicht open en landelijk was.
Oorlogsjaren en geboorte
Tijdens de hongerwinter bracht mijn moeder de vier dochters naar Bakhuizen, terwijl ze zelf bij mijn vader bleef. Samen zagen ze vanuit hun raam de voedselpakketten van de geallieerden neerdalen. Na de oorlog, in 1947, werd ik geboren: eindelijk een zoon, een stamhouder. Maar er ontstond ruzie in de familie toen mijn moeder weigerde mij Durk Manus te noemen, zoals de traditie voorschreef. Ze koos voor Hubertus Johannes, een Limburgse naam. Brieven uit Friesland verdwenen ongeopend in de kachel. Zo kwam noord en zuid ook in mijn naam samen: Hubertus, de jager die zich bekeerde, en Mous, de naam van Poolse Joden die ooit katholiek en Fries werden.
Het geloof thuis
Katholieker kon het nauwelijks. Biecht, processies, rozenkrans – ze bepaalden ons dagelijks leven. Op oudejaarsavond knielden we met het hele gezin. Elk bed had een wijwatervat, mijn ouders een groot kruisbeeld boven het bed, en in de huiskamer stond het Heilig Hartbeeld pal boven de telefoon. Mijn vader was zachtzinnig, bijna te zacht. Zelfs een mug doodslaan mocht niet. Hij was een technicus, geen lezer. Terwijl ik boeken verslond, werkte hij met zijn soldeerbout, tussen draden en lampen. Toch was ik diep in mijn hart bang om op hem te gaan lijken: gesloten, stil, Friese ernst. Het leeftijdsverschil was groot – vijftig jaar – en mijn puberteit viel samen met zijn laatste, moeilijke jaren bij de PTT. Hij werd gepasseerd voor promotie, verbitterd, en ging in 1962 met pensioen.
Het afscheid
Bij zijn afscheid hield hij een toespraak die me is bijgebleven. Hij sprak over de wonderen van de telecommunicatie, die de wereld dichter bij elkaar had gebracht, maar ook over het verdwijnen van ouderwetse degelijkheid. En hij citeerde Paulus: Als ik zal roemen, zal ik roemen op mijn zwakheden. Voor één keer hoorde ik hem vurig spreken, gedragen door het oude geloof van de Mousen: alleen God kan redden, alles is genade. Vier jaar later stierf hij. Maar in die korte tijd reisden we nog samen, met de kleine Fiat 600D en een tent op de imperiaal. Frankrijk, Spanje, en telkens, als het even kon, langs Lourdes.
Epiloog
Lourdes en Friesland: het zijn de twee polen waartussen mijn familiegeschiedenis zich beweegt. Het ene een plek van religieuze vervoering, het andere een land van horizon en nuchterheid. Mijn vader droeg beide werelden in zich, net als ik. Al ben ik zelf mijn geloof verloren, omdat ik al het kwaad en het lijden in de wereld niet meer kon rijmen met het bestaan van een liefdevolle God. Dat geloof van mijn vader heb ik ook nooit helemaal kunnen doorgronden, maar ik voel het niettemin als een kostbare erfenis. Het is wat Lourdes mij leerde, als jongen van veertien: dat mensen uit alle windstreken, met hun eigen talen en tradities, samen één polyfonie kunnen vormen. Een symfonie die groter is dan ieder afzonderlijk leven.

