AI zet het verleden in beweging

Jurriaan heeft voor mij een paar oude zwart-witfoto’s ingekleurd met een nieuw AI-programma. Daardoor krijgen momenten uit mijn verleden ineens een bijna tastbare levendigheid terug. Op één van die foto’s, ooit verschenen in de Volkskrant, herkende ik destijds mezelf, samen met Hans Kraan. We staan onder een paraplu, ineengedoken tegen de straal van een waterkanon. Het was tijdens de ongeregeldheden die voorafgingen aan de bezetting van het Maagdenhuis, in mei 1969. De kleur geeft de foto een nieuw soort werkelijkheid, maar tegelijk dringt het besef zich op hoe ver dat alles alweer achter ons ligt.

Twee jaar later, in de zomer van 1971, vroeg Hans me of ik een kamer wilde huren in het huis waaruit zijn ouders kort daarvoor waren vertrokken. Zijn vader was fietsenmaker geweest en daarnaast een bevlogen amateur-heemkundige. Het huis ademde nog iets van die dubbele wereld: het praktische vakmanschap en de stille fascinatie voor geschiedenis.

Hans zelf had in die tijd een tomeloze energie. Hij correspondeerde met mensen uit de hele wereld, alsof hij via brieven en ansichtkaarten een eigen netwerk van werelden weefde. Vriendinnen uit verschillende continenten kwamen soms logeren in de Wakkerstraat, waardoor het huis een tijdelijk trefpunt werd van talen en verhalen. Voor mij was dat een openbaring: het gevoel dat de wereld groter en tegelijk toegankelijker was dan ik tot dan toe had gedacht.

In september 2019, drie weken voor zijn dood, heb ik Hans nog opgezocht in zijn flat in de Bijlmermeer, waar hij uiteindelijk was beland. We spraken die middag over van alles in het leven: herinneringen, oude vrienden, de keuzes die we hadden gemaakt, de wegen die onherroepelijk achter ons lagen.

Dit alles lijkt de bewerkte foto voor mij samen te vatten in één beeld, waarin het verleden weer in beweging komt. Jurriaan wist AI er zelfs toe te bewegen om de foto zelf ook in beweging te krijgen, maar bij de video die zo ontstond ging AI een beetje hallucineren en creëerde een heel andere situatie.

Een poging om de omringende situatie wat beter in beeld te krijgen, leidde tot een antieke weergave van een waterkanon, en een wel zeer intensieve waterstraat waaronder wij haast geheel bedolven werden.

Gisteren vroeg ik ChatGPT om op basis van enkele van mijn oude blogs een verhaal te schrijven over mijn ervaringen met Hans in de jaren zestig. Het voelt vreemd: eerst ziet een AI mijn verleden in kleur, en nu legt een andere AI er woorden overheen. Alsof er lagen van herinnering, technologie en verbeelding op elkaar worden gestapeld in een nieuwe werkelijkheid. Toch blijft onder die lagen iets eenvoudigs aanwezig: de herinnering aan een vriend, een tijd, en een gevoel dat ondanks alles niet verloren gaat.

***

Afschilferingen van tijd

Hans en ik in 1960 ( Foto AI-bewerkt)

”Ik heb de oorlog niet meegemaakt, maar de jaren zestig des te intenser. Dat decennium zit als dikke jaarringen in de stam van mijn bestaan, zichtbaar voor wie maar goed kijkt. Soms denk ik dat mijn generatie de oorlog in het geheim heeft willen overdoen, maar dan in een andere gedaante: niet tegen tanks en kanonnen, maar tegen vaders, rectoren, priesters en een log, zelfgenoegzaam bestel. Onze vaders kregen de vraag: wat deed jij in de oorlog, papa? Wij stelden onszelf een andere: wat deden wij in de jaren zestig? Het was een vraag die bleef naklinken, als een echo die je nooit meer kwijtraakt.

Alles stond op zijn kop. Alsof er, zoals Dylan zong, ergens een vliegende schotel was geland. Mijn eigen rol was niet groot, maar ik heb tenminste niet mijn kop in het zand gestoken. Het was vaak meer toeval dan moed, maar ik werd meegezogen in de maalstroom, in het rumoer van een tijd waarin elke dag als een sprong voelde. In het voorjaar van 1968 belandde ik in Parijs, waar de straten openbraken voor barricades, stenen, slogans en hoop. Precies een jaar later stond ik in Amsterdam voor het Maagdenhuis.

Het was 16 mei 1969. Op de radio hoorde ik dat studenten het bestuursgebouw gingen bezetten. Medebeslissingsrecht, dat was de inzet: one man, one vote. Samen met mijn vriend Hans liep ik erheen. Ik zie het nog: Ton Regtien die een raam forceren, Paul Verheij naast hem, zoon van een communistische wethouder. Het was alsof de generatiekloof zich in dat ene moment verbeeldde. De politie keek toe, machteloos, alsof ook zij zich bewust waren dat de tijd hun door de vingers glipte. Rector magnificus Belinfante probeerde met een megafoon de bezetters te overtuigen, maar zijn stem sloeg dood tegen de muren van het plein. We gingen naar binnen, iedereen deed dat, en ik ook.

Binnen was het een dolle boel: zingen, discussiëren, eindeloze gesprekken die pas stilvielen tegen de ochtend. Ik ging naar huis om te eten, mijn moeder vroeg waar ik geweest was. “In het Maagdenhuis!” zei ik, en ze moest lachen. Ik had nog nooit een meisje ontmaagd. Later die dag liep ik weer naar binnen, via een loopbrug aan de achterkant. Alles was chaos, boeken en papieren verspreid. Mensen sjouwden weg wat ze pakken konden. Daar stond plots mijn oude leraar Latijn, pater Bremer S.J. , met die strenge blik. Hij zei niets, maar in zijn ogen las ik Et tu, Brute? Ik schaamde me niet, integendeel: ik nam een nummer van Scientific American mee, alsof dat blad mij later nog eens zou herinneren aan dit moment, de geur van opstand en vrijheid.

’s Middags sloot de politie het gebouw hermetisch af. Buiten spoot een waterkanon, de lucht rook naar traangas. Ik zie mezelf nog, met een paraplu, terug op een oude persfoto. Ook op het Polygoonjournaal, een week later, stond ik daar, achter het ME-cordon, een figurant in een geschiedenis die groter leek dan ikzelf. En toch was het een geluk dat ik er niet meer bij was toen de bezetting op 21 mei met geweld werd beëindigd. Studenten werden aan hun haren van de trappen gesleurd. Ik slikte toen anti-psychotische medicijnen, mijn gedrag was onvoorspelbaar. Als ik daar had gestaan, weet ik niet hoe het was afgelopen. Soms vind ik het jammer dat ik geen strafblad heb overgehouden aan het Maagdenhuis – het gold als een ereteken – maar misschien is het wel mijn redding geweest.

Een maand eerder hadden Hans en ik samen onze eigen eigen kleine revolutie ontketend, in onze parochiekerk, de Martelaren van Gorkum. Het was Paasnacht. Ba de Mis klom ik de preekstoel op. Met overslaande stem nodigde ik de kerkgangers uit naar de sacristie te komen, die wij bezet hadden, om te spreken over de rol van de kerk in Latijns-Amerika. Voor de parochianen moet ik een potsierlijke verschijning zijn geweest: een puber die zichzelf Che Guevara waande, maar meer weg had van een jongen die verlegen om aandacht was. Al snel draaide de koster het geluid uit. Tien mensen kwamen toch mee, we discussieerden een half uur, tot de politie kwam. We werden vreedzaam verwijderd. Ik eiste een proces-verbaal, koppig, alsof daarin de ernst van mijn daad lag. De volgende dag stond ik in de krant, slechts met initialen, maar toch: bewijs dat ik had bestaan. En enkele weken later was er in dezelfde kerk een officiële discussieavond, geleid door Ed van Westerloo. Soms brengen zelfs de komische mislukkingen iets in beweging.

Uit de kelder van de kerk, waar sociëteit Omega bijeenkwam, groeiden vriendschappen die mijn leven hebben getekend. Er klonk popmuziek tijdens de mis: Dylan, Joan Baez, Renaissance. Het was onze manier om te zeggen dat de tijd veranderd was, dat de toekomst van ons was.

Niet iedereen bleef. Hans Kraan, mijn kameraad in de bezettingen, stierf in 2019. Herman Klink, met wie ik nachtenlang droomde van een roman waarin alleen maar kikkers voorkwamen, overleed al in 2011. Met hem fietste ik ooit naar Holysloot, in het grijze uur van de ochtend. We zaten zwijgend aan het water, luisterden naar het gekwaak van de kikkers, tot we een achtergelaten roeiboot vonden en wegvoeren, tussen het riet, de zon die opkwam. Het leek alsof we waren weggegleden in een droom van Nescio. Jongens waren we, maar aardige jongens.

En toch – soms vraag ik me af wat er werkelijk is blijven hangen tussen al die afschilferingen van tijd. Was het de illusie van vrijheid, of de ervaring dat vrijheid altijd in regels gevangen blijft? Ik wilde toen vrij zijn, maar wel volgens de voorschriften die daarvoor golden. Misschien was dat de grootste paradox van mijn generatie. Maar ik heb erbij gehoord, die nachten vol rumoer, in kerken en collegezalen, op straat en in kroegen. Het leven was onstuimig, naïef soms, maar vol vriendschap en dromen. Dat is dat wat de jaren zestig me hebben nagelaten: het besef dat je in je overmoed de wereld wilde veranderen, maar dat je onderweg vooral jezelf vond, zoekend, struikelend, verlangend naar een ander leven.