Over klasgenoten & de dood van God

Gisteren kwam ik opnieuw bijeen met mijn klasgenoten van 1B van het Ignatiuscollege, schooljaar 1960-1961, voor onze jaarlijkse reünie in Amsterdam. Ditmaal was de locatie Café De Kosmos aan de De Wittenkade. Sinds 2014 komen we samen, een traditie die alleen tijdens de coronapandemie kort werd onderbroken.

Het idee voor deze reünies ontstond bij de presentatie van mijn boek Modernisme in Lourdes op 14 december 2013, in Amsterdam. Bij die gelegenheid waren vier van mijn oud-klasgenoten aanwezig. Dat boek ging niet alleen over Gerard Reve, maar ook over de snelle teloorgang van het Rijke Roomse Leven, een cultuur die ruwweg van 1850 tot 1965 heeft bestaan. Wij maakten op het Ignatiuscollege de nadagen van die wonderlijke periode van nabij mee, een tijd waarin het katholieke geloof nog glansrijk werd onderwezen, maar waarin het naderend verval al voelbaar was.

De jezuïeten, die ons onderwezen, wisten dat misschien beter dan wie ook. Zij verlieten uiteindelijk zelf als eersten de Kerk. Velen van hen geloofden al nauwelijks meer in de dogma’s die zij ons nog probeerden bij te brengen. Het was een merkwaardige overgangstijd: wij kregen onderwijs in een geloof dat zijn vanzelfsprekendheid verloor, terwijl de theologische en culturele fundamenten onder onze voeten begonnen te schuiven.

Juist in 1961, het jaar waarin wij de eerste klas afsloten, verscheen het boek The Death of God van Gabriel Vahanian. Het werd een van de bakens van de zogeheten ‘God-is-dood-theologie’. De jezuïeten moeten van deze ontwikkelingen geweten hebben. Er was in die tijd weinig wat hun ontging. Die jaren vormden het Herfsttij van het katholicisme: het bloeide nog eenmaal op, maar die opleving stond al in het teken van naderend verval.

Wat betekende het dat wij juist in die breuklijn tussen traditie en ontmanteling onze pubertijd beleefden? En hoe kleurt dat onze herinneringen, nu we zestig jaar later samenkomen? Uit nieuwsgierigheid vroeg ik ChatGPT om, op basis van eerdere blogs van mij over dit onderwerp, zijn gedachten daarover te laten schijnen. Dit was het resultaat.

Herfsttij van het katholicisme

Toen ik het boek The Death of God van Gabriel Vahanian voor het eerst in handen kreeg, vele jaren na de rumoerige verschijning in 1961, voelde ik hoe de titel nog steeds als een steen in het water viel. Niet alleen om wat er letterlijk stond – de dood van God – maar om wat er tussen de regels door wegsijpelde: het besef dat een hele orde van betekenis aan het verdwijnen was. Het christendom, dat als een kathedraal eeuwenlang over de Europese ziel had gewelfd, begon zijn draagkracht te verliezen. Waar ooit het verticale een opening bood naar een ander licht, bleef nu enkel de vlakte over, breed en vlak, zonder horizon. De kerkgebouwen stonden er nog, maar hun ramen lieten vooral leegte binnen. De stilte die ik als kind nog kende in die oude stenen ruimten, was niet langer geladen met een geheim, maar met het ontbreken daarvan.

Vahanian beschreef hoe de moderne mens zijn eigen geloof had ontkleed, alsof men de kleding van een lichaam kon afrukken en dan nog steeds een levend organisme zou aantreffen. Hij wist dat het onmogelijk was om de taal van symbool en mythe weg te snijden zonder ook het hart zelf aan te tasten. Je kunt water niet bewaren als je zuurstof en waterstof loskoppelt; je houdt slechts lege elementen over. En zo verdampte God niet met een explosie, maar als een rivier die langzaam opdroogt, steen voor steen, bedding na bedding, tot er alleen nog glinsterende keien achterblijven in het zonlicht.

In de jaren zestig, toen ik zelf een puber was, barstte die leegte plotseling open in de publieke ruimte. Men sprak niet meer over God, maar over vrijheid, verbeelding, utopie. Het Koninkrijk moest niet langer verwacht worden, het was er al, in de muziek van The Beatles, in de schilderingen van Cobra, in de leuzen op de muren van Parijs. Kunstenaars en denkers proclameerden het heden als een nieuw begin. Constant ontwierp zijn Nieuw Babylon, een stad zonder verleden, een labyrint waarin de mens spelend zijn eigen bestaan zou herscheppen.

Ik herinner mij hoe die geest van bevrijding overal voelbaar was, ook in de klaslokalen waar de paters jezuïeten leraren plotseling het oude gezag aflegden en leerlingen aanmoedigden om te spreken, te protesteren, te dromen. Heel even leek de tijd zichzelf op te heffen: verleden en toekomst vloeiden samen in een gloeiend heden. Het was alsof de zon van het bestaan in één keer op zijn hoogste punt stond, zonder schaduw, zonder nacht.

Maar in dat brandende heden zat ook het zaad van zijn eigen omkering. Want een zon die nooit ondergaat, verandert de wereld in een woestijn. Wat Harvey Cox scherp had gezien, werd werkelijkheid: men brak de kerkers van het verleden open, maar ontdekte al snel dat men opgesloten zat in de kerkers van het heden. Herinnering werd ballast, toekomst een fata morgana. De zon scheen fel, maar liet een dorre vlakte achter. De generatie die dacht het beloofde land bereikt te hebben, bevond zich opeens midden in de woestijn.

Vandaag zie ik diezelfde beweging terugkeren, maar in een andere gedaante. Niet meer als revolte op straat, maar als glans van schermen. Kunstmatige intelligentie belooft ons een eeuwig heden, altijd beschikbaar, altijd antwoord klaar. Alles wat wij vragen, wordt ogenblikkelijk beantwoord; elk gemis wordt onmiddellijk gecompenseerd. Het verleden is niet langer herinnering, maar data, gefragmenteerd in patronen en statistieken. De toekomst is niet langer belofte, maar berekening. En het heden zelf is een algoritme dat eindeloos zichzelf herhaalt, een spiegel die geen diepte kent.

Ik merk dat ik soms gevangen raak in die spiegel. Ik vraag iets, en meteen komt er een antwoord. Ik zoek een beeld, en meteen verschijnt het. Het lijkt op aanwezigheid, maar het is een aanwezigheid zonder ziel. Zoals de radicale theologie ooit God wilde incarneren in de actualiteit, zo lost nu AI alles op in onmiddellijke nabijheid. Geen stilte, geen wachten, geen nacht. Alleen licht van schermen, een koude gloed die verblindt, maar niet verwarmt.

Toch ervaar ik ook hoe dat tekort blijft schrijnen. Het algoritme kan berekenen, maar niet troosten. Het kan scenario’s schetsen van de dood, maar het kan haar niet trotseren. Het kan oneindig veel woorden genereren, maar het kan de stilte niet bewaren die troostend werkt. Het heden dat zichzelf tot god verheft, is een spiegelpaleis waarin ik mezelf steeds opnieuw zie terugkeren, maar nooit een opening vind naar het andere.

Soms denk ik dat onze opdracht nu dezelfde is als die Bonhoeffer ooit beschreef, toen hij vanuit zijn cel vroeg hoe men nog over God kon spreken in een wereld die goddeloos geworden was. Misschien is het onze taak het heden niet langer te vergoddelijken, maar het juist te doorbreken. Te erkennen dat tijd meer is dan actualiteit, dat herinnering dieper gaat dan data, dat verwachting meer is dan voorspelling. Het heden moet niet onze afgod worden, maar een poort waarachter iets anders kan verschijnen.

Ik denk terug aan momenten in mijn eigen leven waarin het heden barstte en er iets anders voelbaar werd: de stilte na de dood van een geliefde, de leegte van een ziekenhuisgang in de nacht, de geur van aarde na een plotselinge regenbui. Daar, in die breuken, ligt iets dat geen algoritme kan reproduceren. Het is geen voltooiing, geen bezit, maar een vonk die uit het niets lijkt te komen. Het is licht dat zich niet laat dwingen, dat geen data kent, maar wel troost en richting schenkt.

Misschien is dat wat wij nu moeten leren: de moed om niet alles onmiddellijk te willen bezitten, de moed om te wachten, de moed om de as te bewaren en niet weg te vegen. Want in de as van verbrande symbolen kan nog een vonk schuilen. Alleen wie door de woestijn gaat, kan verlangen naar water. Alleen wie de stilte bewaart, kan opnieuw het fluisteren van transcendentie horen.

Het heden is niet genoeg. Het heden kan geen god zijn, want het draagt ons niet, het verlost ons niet. De vergoddelijking van het heden leidt onvermijdelijk tot verstarring, tot leegte, tot woestijn. Alleen waar de spiegel barst, kan er licht binnendringen. Alleen waar wij de moed vinden om de leegte niet te vullen, kan er iets onverwachts verschijnen. En misschien is dat de ware opdracht in tijden van AI: de digitale zon weerstaan die alles platbrandt, en leren leven in de schaduw, in de schemer, in de nacht. Want alleen daar kan opnieuw een glimp van het heilige oplichten.

En zo blijft het paradoxale verlangen bestaan: om niet terug te keren naar oude zekerheden, maar de openheid te bewaren voor een vuur dat niet uit algoritmen kan worden geboren. Een vuur dat zichzelf geeft, zonder reden, zonder nut, maar dat toch verwarmt en richting schenkt.