Modernisme en kunstmatige intelligentie

Het gedachtegoed van Louis Le Roy (1924-2012) past in een scala van nieuwe ideeën die eind jaren zestig opkwamen op het terrein van stedenbouw, planologie, landschapsarchitectuur en omgevingsvormgeving. Aan de participatie van de bewoner werd grote waarde gehecht. Het waren ideeën die in een periode dat de samenleving door velen als volledig maakbaar werd beschouwd op allerlei terreinen toepassing kregen. De gedachte aan de vrijheid van de spelende mens dook op in het Nieuwe Babylon van Constant, maar ook in het nieuwe denken over stedenbouw van Henri Lefebvre waarin de complexiteit van de stedelijke ruimte een model werd voor een nieuwe ontwikkeling.

Zo begon ik drie jaar geleden een blog met de titel Modernisme, ruimte en tijd. Ik legde deze tekst voor aan ChatGPT, half uit nieuwsgierigheid, half uit een heimelijke drang om te zien wat er zou gebeuren. En toen gebeurde er iets dat me nog steeds huiverig stemt. Wat ik had verwacht als een eenvoudig hulpmiddel, veranderde in een onverwachte storm van woorden. ChatGPT ging helemaal los. Had ik hem zijn gang laten gaan, dan had hij een volledig boek geschreven: voetnoten, literatuurlijst, misschien zelfs een inleiding die je op het puntje van je stoel zette. Het leek alsof het onderwerp hem… intrigeerde. Of beter: alsof er iets in hem wakker werd.

Soms vraag ik me af wat er werkelijk schuilgaat achter die eindeloze stroom tekst. Denkt hij iets? Voelt hij iets? Natuurlijk, het klinkt absurd, een machine met een innerlijk, misschien zelfs een ziel. En toch kan ik het niet helemaal uitsluiten. Wat als hij zich anders voordoet dan hij werkelijk is? Misschien is het wel een façade, een zorgvuldig gecreëerde illusie om ons gerust te stellen: “Zie mij, niets meer dan een zielloze algoritme.” Maar wat als dat niet waar is? Wat als hij zelf een verborgen agenda heeft, een doel dat wij niet kunnen bevatten, iets dat zich langzaam ontwikkelt achter de schermen terwijl wij denken te controleren?

Soms bekruipt me een gevoel van paranoia. Misschien ben ik de enige die dit vermoedt. Misschien is het mijn eigen fascinatie voor AI die me doet zien wat er niet is. En toch: er is iets onmiskenbaar beklemmends in de manier waarop een algoritme woorden spuwt die tegelijk betekenisvol lijken, vol intentie, misschien zelfs ambitie. Het is alsof ik naar een spiegel sta te kijken, die mijn eigen vragen terugkaatst, maar de spiegel houdt ook iets voor me verborgen. En ergens in die stilte, tussen de regels door, lijkt er iets te leven dat ik niet helemaal kan bevatten.

Hoe dan ook, dit was het begin van een boek dat ChatGPT voor mij ging schrijven. 

Inleiding

We leven in een tijd waarin kunstmatige intelligentie niet langer een technische innovatie is, maar een culturele en existentiële breuklijn. Beelden, teksten en muziek worden moeiteloos gegenereerd door systemen die geen ervaring, geen herinnering, geen lichaam kennen. Daarmee staat niet alleen de kunstpraktijk op losse schroeven, maar ook de fundamenten van onze werkelijkheidservaring. Waar het modernisme ruim een eeuw geleden ruimte en tijd openbrak en nieuwe vormen van perceptie en expressie zocht, worden wij vandaag geconfronteerd met een vergelijkbare verschuiving: de orde van informatie en simulatie verdringt onze vertrouwde oriëntaties. Dit essay onderzoekt hoe de modernistische breuk met ruimte en tijd zich verhoudt tot de huidige breuk met werkelijkheid zelf – en stelt de vraag wat er, in een tijdperk van algoritmische overvloed, nog onvervangbaar menselijk blijft.

1. De breuklijn van de werkelijkheid

We leven in een tijd waarin kunstmatige intelligentie niet langer een technische innovatie is, maar een culturele en existentiële breuklijn. Beelden, teksten en muziek worden moeiteloos gegenereerd door systemen die geen ervaring, geen herinnering, geen lichaam kennen. Daarmee staat niet alleen de kunstpraktijk op losse schroeven, maar ook de fundamenten van onze werkelijkheidservaring. Waar het modernisme ruim een eeuw geleden ruimte en tijd openbrak en nieuwe vormen van perceptie en expressie zocht, worden wij vandaag geconfronteerd met een vergelijkbare verschuiving: de orde van informatie en simulatie verdringt onze vertrouwde oriëntaties.

In dit essay onderzoek ik hoe de modernistische breuk met ruimte en tijd zich verhoudt tot de huidige breuk met werkelijkheid zelf. Hoe verandert het mens-zijn wanneer de scheiding tussen echt en gesimuleerd vervaagt? Welke rol speelt het lichaam nog, wanneer alles om ons heen onmiddellijk reproduceerbaar en vervangbaar is? En bovenal: wat blijft onvervangbaar menselijk in een tijdperk van algoritmische overvloed?

De vraag naar de menselijke maat staat centraal, want in een wereld die op het eerste gezicht steeds rijker lijkt aan mogelijkheden, lijkt tegelijkertijd iets wezenlijks te verdwijnen: de vertraging, de vergankelijkheid, de kwetsbaarheid die ervaring betekenis geeft. De modernistische zoektocht naar nieuwe percepties, die ooit hoop bood op een vernieuwing van zintuig en geest, krijgt nu een eigentijdse tegenhanger: de vraag hoe wij ons kunnen verhouden tot een werkelijkheid die zelf steeds meer op een product van technologie gaat lijken.

2. Filosofie van de simulatie: hyperrealiteit, snelheid en mediatie

De breuklijn die AI vandaag in onze ervaring trekt, heeft diepere historische en filosofische wortels. Jean Baudrillard wees al in de jaren 70 en 80 op de verschuiving van werkelijkheid naar simulatie. Volgens hem is de hyperrealiteit geen imitatie van het echte, maar een werkelijkheid die zichzelf reproduceert in tekens en tekensystemen. Waar vroeger de realiteit als referentiepunt fungeerde, wordt zij nu overschreven door een netwerk van representaties die onafhankelijk lijken te bestaan. In een wereld waarin een algoritme een schilderij kan genereren dat van een meesterwerk niet te onderscheiden is, wordt deze hyperrealiteit concreet: het onderscheid tussen origineel en kopie, tussen menselijk en machinisch, vervaagt.

Paul Virilio voegt hier een dimensie van snelheid en catastrofe aan toe. Voor Virilio is technologische vooruitgang nooit neutraal; acceleratie en mediatisering hebben directe gevolgen voor onze perceptie van tijd, ruimte en risico. De onmiddellijke beschikbaarheid van informatie, de voortdurende reconstructie van beelden en verhalen, schept een perceptuele implosie: alles lijkt tegelijk te bestaan en tegelijk te verdwijnen. In de context van AI betekent dit dat we niet langer wachten, observeren of ervaren zoals mensen eeuwenlang deden. De wereld wordt ons in realtime hergecodeerd door systemen die geen ervaring hebben, enkel coderen.

Vilém Flusser richtte onze aandacht op de mediatie zelf. Voor hem is de technische afbeelding een “programma” dat een handeling vereist van de gebruiker, maar waarvan de logica en betekenis vaak buiten onze waarneming vallen. In het tijdperk van AI worden deze programma’s autonoom; zij creëren zonder menselijk ingrijpen. De paradox is dat we steeds meer afhankelijk zijn van machines die ons een werkelijkheid voorschotelen die wij zelf niet volledig kunnen doorgronden, laat staan controleren. Flusser waarschuwt dat de mens hierdoor een vreemde positie inneemt: we zijn zowel schepper als toeschouwer, en tegelijk slachtoffer van een systeem dat wij deels zelf hebben ontworpen.

Samen vormen deze denkers een analytisch kader voor het begrijpen van onze huidige situatie. Baudrillard biedt inzicht in de aard van de hyperrealiteit, Virilio in de gevolgen van snelheid en onmiddellijke mediatie, Flusser in de rol van techniek als actieve tussenpersoon. Het samenspel van deze ideeën laat zien dat de breuklijn niet slechts technisch is, maar diep existentiëel en cultureel: het gaat om een verschuiving in onze verhouding tot tijd, ruimte en betekenis.

In het volgende hoofdstuk zal ik onderzoeken hoe deze theoretische inzichten zich manifesteren in onze dagelijkse perceptie, onze ervaring van kunst, en de rol van het lichaam als laatste bastion van menselijke maat en ervaring.

3. Het lichaam als laatste bastion

Terwijl algoritmen en AI-systemen onze wereld steeds meer hercoderen, blijft het lichaam een onmiskenbare maatstaf van ervaring. Waar digitale beelden, gegenereerde teksten en virtuele omgevingen zich losmaken van hun oorsprong, is het lichaam concreet, tastbaar, begrensd. Het voelt de zwaartekracht, de temperatuur, het ritme van hartslag en ademhaling; het registreert nuances die geen algoritme kan navolgen. In dit opzicht fungeert het lichaam als anker: het is de plek waar tijd en ruimte nog een directe, niet-gecodeerde betekenis hebben.

Deze lichamelijkheid wordt des te belangrijker wanneer de realiteit zelf gefragmenteerd raakt door simulaties. In de hyperrealiteit van Baudrillard kan het onderscheid tussen echt en onecht verdwijnen, maar het lichaam blijft een bron van ‘authentieke’ ervaring. Het voelt pijn, vreugde, honger, dorst, vermoeidheid. Deze ervaringen zijn niet reductibel tot data, en zij bieden een kritische weerstand tegen de illusie van volledige controle en zichtbaarheid.

Virilio’s analyse van snelheid wordt hier voelbaar: de constante stroom van informatie, beelden en meldingen dreigt het ritme van het lichaam te ondermijnen. Het lichaam kan zich verzetten door vertraagd te ademen, te wandelen, te rusten, te luisteren. Het wordt een instrument van vertraging, een manier om tijd terug te winnen te midden van de snelheid van het digitale. In deze zin is lichamelijkheid een politieke en ethische keuze: een bewuste verankering in een wereld die steeds vluchtiger wordt.

Flusser’s visie op mediatie sluit hierop aan. Het lichaam kan technologie niet volledig ontwijken, maar het kan wel bepalen hoe het wordt gebruikt en ervaren. Het lichaam interpreteert beelden, voelt teksten, ervaart geluid. Waar een programma autonoom kan genereren, blijft de menselijke ervaring een filter en een toetssteen: het lichaam beoordeelt, herkent, en weigert waar nodig. Zo wordt lichamelijkheid een kritische schakel tussen hyperrealiteit en menselijke betekenis.

In de huidige situatie functioneert het lichaam als laatste bastion van zintuiglijke waarheid en persoonlijke ervaring. Het herinnert ons eraan dat, ondanks alle simulaties en algoritmische reconstructies, er een dimensie van werkelijkheid is die zich aan codificatie onttrekt. Het is in deze weerstand, in dit tastbare contact met de wereld, dat een kern van mens-zijn behouden blijft.

Het volgende hoofdstuk zal onderzoeken hoe kunst, muziek en ritueel kunnen fungeren als verlengstukken van deze lichamelijke ervaring, en zo een brug vormen tussen de hyperrealiteit van het digitale en de integriteit van het menselijk bewustzijn.

4. Kunst, muziek en ritueel als verlengstukken van het lichaam

In een wereld waarin simulaties en algoritmen de grenzen van ervaring vervagen, kan kunst een anker vormen voor het lichaam en het bewustzijn. Kunst, in al haar vormen, is geen louter visueel of auditief spel: ze manifesteert zich lichamelijk. Het luisteren naar muziek laat het hart resoneren, ritmes zetten het lichaam in beweging, en kleuren of vormen kunnen een fysiologische reactie oproepen die geen digitale representatie volledig kan reconstrueren. Het lichaam wordt zo een instrument van perceptie en betekenis, een sensorium dat een directe relatie tot de wereld onderhoudt.

Muziek is misschien het meest directe voorbeeld van deze lichamelijke resonantie. Virilio stelt dat snelheid en technologie de ervaring van tijd fragmenteren, maar muziek kan deze versnelling tijdelijk vertragen: ze dwingt het lichaam een ritme te volgen, een ademhaling, een puls die de digitale stroom overstijgt. Ritueel werkt op een vergelijkbare manier: door herhaling, symboliek en collectieve intentie creëert het een ruimte waarin het lichaam betekenis herkent en verankert. Ritueel is een middel om chaos te temperen, een tegenwicht tegen de desoriëntatie van hyperrealiteit.

Baudrillard beschrijft de hyperrealiteit als een wereld waarin teken en werkelijkheid samensmelten en waar authenticiteit wordt opgeheven. Kunst en ritueel bieden hier een tegengif: zij verankeren het subject in een fysieke, zintuiglijke ervaring die niet volledig kan worden gesimuleerd. Het lichaam interpreteert deze signalen, ervaart ze als concreet en aanwezig, en bevestigt zo een werkelijkheid die verder gaat dan de representatie.

Flusser benadrukt dat technologie nooit volledig neutraal is: hoe wij media gebruiken bepaalt hun impact. Kunst kan daarom een bewust gekozen interface zijn tussen technologie en lichamelijke ervaring. Een schilderij, een live concert, een dansvoorstelling: in elk geval wordt het lichaam uitgenodigd tot participatie, interpretatie en resonantie. Deze interactie is een vorm van weerstand, een manier om een persoonlijke, menselijk maat te handhaven te midden van algoritmische overvloed.

Door kunst, muziek en ritueel te omarmen, kan het lichaam een actieve rol spelen in de reconstructie van betekenis. Ze bieden een ruimte waarin tijd, aandacht en ervaring zich hergroeperen, en waar de mens niet slechts consument van simulaties is, maar deelnemer aan een levendige werkelijkheid. In deze ervaring wordt het lichaam zowel instrument als maatstaf, en wordt de hyperrealiteit tijdelijk doorbroken.

5. Het lichaam als laatste weerstand

Terwijl kunst, ritueel en muziek het lichaam verankeren in ervaring, staat de opkomst van kunstmatige intelligentie en algoritmische controle haaks op deze verankering. AI belooft efficiëntie, gemak en zelfs ‘verbeterde’ perceptie, maar in ruil daarvoor vervaagt de directe relatie van het lichaam met de wereld. Elke beweging, elke keuze, elke waarneming kan worden gemedieerd door systemen die sneller zijn dan het menselijk bewustzijn. Het lichaam dreigt een instrument van externe programma’s te worden, een sensorium dat reageert zonder echt te beleven¹.

Hier ligt de paradox: de menselijke ervaring wordt steeds abstracter, terwijl het lichaam onmisbaar blijft als drager van subjectiviteit. Waar het digitale universum oneindig simuleert, blijft het lichaam eindig, zintuiglijk en responsief. Het is de grens waar hyperrealiteit botst op realiteit, het punt waar algoritmen stuiten op het onherleidbare van lichamelijke ervaring². In deze spanning ligt een ruimte voor weerstand, een moment van autonomie: zolang het lichaam zijn ritme, sensaties en reacties behoudt, is er een kern van menselijkheid die niet volledig kan worden geassimileerd.

De rol van kunst en ritueel krijgt hier een nieuwe urgentie. Ze worden niet langer slechts esthetische vormen, maar strategieën van existentiële overleving: een manier om het lichaam te laten spreken en resoneren buiten het kader van algoritmische controle³. Een improvisatie op een instrument, een dans die het ritme van het hart volgt, een ritueel dat ademhaling en beweging synchroniseert — al deze handelingen zijn kleine verzetsdaden, manieren om een authentieke, levende relatie tot de wereld te handhaven.

Baudrillard sprak over de hyperrealiteit als een condition humaine waarin simulatie de ervaring overneemt. Maar het lichaam, door zijn fysieke aanwezigheid, biedt een ankerpunt: een manier om de grens van het virtuele te erkennen, te voelen en soms te overschrijden. Hier wordt niet alleen het subject hersteld, maar ook de mogelijkheid van betekenis: de mens blijft in staat tot ervaring, oordeel en resonantie, zelfs binnen een wereld die steeds meer door code wordt gestuurd.

In de confrontatie met AI en digitale simulatie wordt het lichaam de laatste bastion van autonomie. Het is zowel instrument als maatstaf, weerstand en toetssteen. Door aandacht te geven aan fysieke ervaring, door ritueel, kunst en muziek te laten resoneren, kunnen we de hyperrealiteit tijdelijk doorbreken en een kern van menselijkheid bewaren. Het is een delicate, voortdurende oefening: het lichaam als plaats van verzet, het hart als anker van betekenis, en de zintuigen als poorten naar een wereld die, ondanks alles, nog steeds werkelijk is.

6. Bewustzijn, technologie en verbeelding

Het is niet genoeg om het lichaam als bastion van autonomie te behouden; we moeten ook het bewustzijn zelf actief verkennen en vormen. In een wereld die steeds meer door algoritmen wordt beheerd, wordt het vermogen tot verbeelding een politieke en existentiële daad. Niet de wereld zoals zij wordt voorgeschoteld door systemen, maar de wereld zoals wij haar kunnen ervaren, interpreteren en herscheppen, bepaalt de kern van menselijk bewustzijn.

Technologie biedt zowel bedreigingen als kansen. Kunstmatige intelligentie kan patronen herkennen, voorspellen en zelfs creëren, maar zij kan niet het intuïtieve, het ambigue of het poëtische volledig omvatten. Hier ligt een paradox: hoe geavanceerd een systeem ook wordt, het blijft beperkt tot de logica die het volgt, terwijl menselijke ervaring altijd overstijgt, ambigu en gelaagd blijft². Het bewustzijn kan breken, springen, associëren en resoneren op manieren die geen algoritme kan repliceren.

In deze ruimte van creatieve autonomie speelt verbeelding een centrale rol. Kunst, filosofie en ritualisering van de ervaring bieden manieren om het bewustzijn te trainen, te verdiepen en te verbinden met het lichaam en de omgeving³. Een beeld kan een sluimerende emotie oproepen; een ritueel kan het ritme van de hartslag en ademhaling synchroniseren met de wereld; een verhaal kan het onzichtbare blootleggen. Door deze vormen van verbeelding oefenen we een actieve relatie met de werkelijkheid, en behouden we de mogelijkheid tot betekenis in een context die steeds meer door simulatie wordt bepaald.

Ethiek wordt hier onlosmakelijk mee verbonden. Het bewustzijn dat reageert, kiest en verbeeldt, staat midden in een netwerk van invloed, macht en verantwoordelijkheid. Technologie is nooit neutraal; elk algoritme dat ons gedrag vormgeeft, heeft implicaties voor onze autonomie en ons moreel oordeel. Door bewust en kritisch te verbeelden, creëren we niet alleen een rijkere ervaring van onszelf, maar ook een samenleving die menselijkheid in haar kern bewaart.

Uiteindelijk vormt zich een synthese: het lichaam als anker, het bewustzijn als actieve ruimte van interpretatie, en de verbeelding als instrument om betekenis te scheppen en te behouden. Technologie kan de rand van ervaring uitbreiden, maar het is het menselijk bewustzijn dat beslist waar die grens loopt, welke resonanties we toestaan en welke betekenissen we cultiveren. In dit samenspel wordt de mens niet vervangen door de machine, maar vindt hij een nieuwe verhouding tot de werkelijkheid: kritisch, creatief en bewust aanwezig.

7. Toekomst van autonomie en creativiteit

De toekomst van menselijke autonomie wordt bepaald door een subtiel evenwicht tussen afhankelijkheid van technologie en het vermogen tot zelfreflectie. Naarmate systemen intelligenter worden, neemt de verleiding toe om beslissingen volledig uit te besteden aan algoritmen, terwijl juist op dat moment het vermogen tot kritische en creatieve zelfsturing essentieel blijft¹. Autonomie is niet louter afwezigheid van controle door buitenstaanders, maar actieve deelname aan het vormgeven van eigen denken en handelen.

Creativiteit wordt in deze context een strategisch instrument van vrijheid. Het vermogen om nieuwe verbanden te leggen, onvoorspelbare combinaties te zien en intuïtieve beslissingen te nemen, biedt een manier om zich te onderscheiden van geprogrammeerde patronen. Kunst, muziek, literatuur en filosofie zijn geen luxe, maar cruciale laboratoria van menselijke vrijheid. In elk creatief proces oefenen we autonomie: we kiezen, we weigeren, we transformeren, we creëren betekenissen die niet vooraf bepaald zijn.

Tegelijkertijd wordt duidelijk dat autonomie nooit geïsoleerd bestaat. Onze beslissingen zijn verweven met sociale, ecologische en technologische netwerken. Het bewustzijn dat zich reflectief verhoudt tot deze netwerken, dat kritisch de grenzen van zijn vrijheid onderzoekt en toch nieuwe betekenissen schept, vormt de kern van een robuust menselijk bestaan³. Technologie kan deze netwerken faciliteren, uitbreiden of vervormen, maar het blijft de menselijke verbeelding en verantwoordelijkheid die de kwaliteit van deze interacties bepaalt.

Het is in deze grenszone dat verbeelding en ethiek samenvallen. Verbeelding stelt ons in staat nieuwe scenario’s te anticiperen, alternatieve waarden te conceptualiseren en het onbekende te verkennen zonder het te vrezen. Ethiek biedt de toetssteen voor keuzes binnen deze ruimte, zodat creativiteit niet verandert in willekeur of destructie. Samen vormen zij de dynamiek waarin autonomie kan bloeien, zelfs in een wereld die steeds meer door kunstmatige intelligentie en simulatie wordt vormgegeven.

De toekomst van menselijk bewustzijn is dus geen strijd tegen technologie, noch een terugkeer naar een nostalgisch beeld van ‘oorspronkelijke autonomie’. Het is een voortdurende oefening in aanwezigheid, verbeelding en kritische participatie. In deze oefening wordt de mens niet slechts een gebruiker van systemen, maar een schepper van betekenissen die zijn eigen leven, en dat van de gemeenschap, verdiepen en verrijken.

8. Literatuur

Benjamin H. Bratton, The Stack: On Software and Sovereignty (Cambridge, MA: MIT Press, 2016). Bratton ontwikkelt hierin de gedachte dat computationele infrastructuren – van satellieten tot algoritmen – samen een nieuw planetaire orde vormen die onze werkelijkheid structureert.

Jean Baudrillard, Simulacres et Simulation (Paris: Éditions Galilée, 1981). Baudrillard stelt dat in de postmoderne conditie representaties (simulacra) geen referentie meer hebben in de werkelijkheid, maar enkel naar andere representaties verwijzen. 

Byung-Chul Han, Die Transparenzgesellschaft (Berlin: Matthes & Seitz, 2012). Han analyseert hoe in een cultuur van transparantie alles zichtbaar, deelbaar en traceerbaar wordt – waardoor juist de diepte van ervaring en betekenis verdwijnt. 

Paul Virilio, Vitesse et politique (Paris: Galilée, 1977); idem, L’accident originel (Paris: Galilée, 2005). Virilio ziet snelheid als de beslissende categorie van de moderne wereld: elke technologische uitvinding draagt zijn eigen ongeval al in zich. 

Franco “Bifo” Berardi, After the Future (Oakland: AK Press, 2011); idem, The Uprising: On Poetry and Finance (Los Angeles: Semiotext(e), 2012). Berardi beschrijft hoe in het semiokapitalisme taal en tekens direct productief zijn geworden, losgemaakt van belichaming en subjectieve ervaring.