Het verlangen naar een automaat

Het centrale argument van dit boek is dat het raadsel van ‘het vanzelf gaan schrijven’ geen toevallig verschijnsel is, maar een oerstroom die door de hele geschiedenis van de menselijke geest loopt. Het is het moment waarop de schrijver zichzelf verliest, wanneer de hand blijft bewegen en de woorden zich aaneenrijgen alsof ze van elders worden ingefluisterd. In die momenten verandert het papier in een spiegel waarin niet langer het ik terugkeert, maar een onbekende gestalte die spreekt met een eigen stem.

Door de eeuwen heen kreeg dit mysterie steeds andere namen. Mystici hoorden de echo van God, dichters riepen de muze aan, surrealisten vertrouwden op het automatische schrift, en in de roes van psychose klonk een taal die zich aan elke controle onttrekt. Soms verscheen het als openbaring, soms als ontsporing, maar altijd als een kracht die de schrijver overstijgt. Het verlangen naar zo’n schrijvende geest buiten het zelf is zo oud als de literatuur zelf, een heimwee naar een stem die niet alleen van binnenuit komt.

De huidige revolutie van kunstmatige intelligentie voegt zich in dit lange verhaal. Wat wij nu ervaren als een technologische omwenteling, is in wezen de mechanische voltooiing van dat eeuwenoude verlangen: de geboorte van een machine die schrijft alsof ze bezield is, een algoritmische geest die de illusie wekt dat taal zichzelf schept. Geen breuk, maar een voltooiing; geen radicale nieuwheid, maar de spiegeling van een droom die al zolang onder de menselijke cultuur sluimert. In de glans van het scherm verschijnt opnieuw het oude wonder: een tekst die zichzelf schrijft, een stem die zich losmaakt van haar drager, een geest die buiten ons om zijn eigen wegen gaat.

***

Van Autocratie tot Algoritme

.

Deel I: De Bronnen van het Automatische Schrijven

Dit deel verkent de historische en psychologische wortels van het ‘vanzelf gaan’.

Hoofdstuk 1: De Mythe van de Inspiratie. Dit hoofdstuk analyseert de klassieke en romantische opvattingen over inspiratie5. De dichter als medium, een ‘ziener’ die diepere waarheden onthult in een staat van trance, wordt hier als een vroege vorm van ‘automatisch schrijven’ gepresenteerd. We zien hoe de bron van creativiteit buiten ‘het zelf’ wordt geplaatst25.

Hoofdstuk 2: De Surrealistische Revolutie: Écriture Automatique. Dit hoofdstuk focust op de bewuste technieken van de surrealisten om het onbewuste direct te laten spreken, zonder tussenkomst van logica. Dit vormt een cruciale stap in het bewust exploreren van een ‘schrijvende geest in de machine’ van het menselijk brein8.

Hoofdstuk 3: Casus Mulisch – Psychose als ‘Integrerend Desintegratieproces’. Dit hoofdstuk introduceert de casus van Harry Mulisch. Zijn psychotische episode rond 1949-1950, door hemzelf omschreven als een ‘redelijk psychotisch ideeën-cataract’, wordt geanalyseerd als een extreme vorm van het ‘vanzelf gaan’. Zijn concept van ‘autocreatie’ – de ervaring ‘de Schepper’ te zijn van een verhaal waarin hij zelf de hoofdrol speelt – dient als schoolvoorbeeld van hoe het schrijven een eigen leven kan gaan leiden, grenzend aan een sensatie van almacht en grandiositeit. Het schrijven van archibald strohalm wordt hier geanalyseerd als een “alchemistisch ritueel” om de psychotische stroom te bedwingen, wat de helende potentie van dit proces illustreert.

Deel II: Taal, Tijd en Technologie – De Mechanisering van de Geest

Dit deel onderzoekt hoe veranderingen in tijd en technologie de ervaring van het schrijven beïnvloeden en leiden tot een ‘mechanisering van de psychose’.

Hoofdstuk 4: Tijd en Tegentijd. Dit hoofdstuk analyseert hoe een verstoord tijdsbesef centraal staat in zowel de psychose als in het modernistische schrijven…. Mulisch’ fascinatie voor het ontsnappen aan de tijd door te schrijven1819 en het omkeren van de tijd wordt hier gekoppeld aan de technologische drang om de beperkingen van de tijd te elimineren. De techniek wordt, in Mulisch’ woorden, ‘het lijk van God’, dat de menselijke ervaring van tijd fundamenteel verandert.

Hoofdstuk 5: De Opkomst van de ‘Machinemens’. Voortbouwend op Mulisch’ concept van de ‘machinemens’ (geïnspireerd door Gurdjieff en Ouspensky), wordt hier de link gelegd met de moderne technologische mens. De mens die mechanisch handelt en steeds meer functies overdraagt aan machines, creëert een voedingsbodem voor een collectieve vorm van psychotisering.

Hoofdstuk 6: Casus: Andere Schrijvende Psychotici. Om de casus van Mulisch te verbreden, worden hier andere voorbeelden geanalyseerd.

Deel III: Het Algoritme van de Waan – De AI-Revolutie

Dit deel vormt het zwaartepunt en plaatst het ‘vanzelf gaan’ in de context van de huidige AI-revolutie.

Hoofdstuk 7: De Schrijvende Geest in de Machine. Hier wordt de centrale vraag gesteld: wat gebeurt er als machines daadwerkelijk gaan schrijven?4. De werking van chatbots zoals ChatGPT, die het volgende woord voorspellen op basis van wiskundige modellen, wordt geanalyseerd als de ultieme vorm van schrijven zonder subject, zonder ‘geest in de machine’. Dit hoofdstuk onderzoekt de ‘valse belofte’ waar Noam Chomsky voor waarschuwt: de afwezigheid van echt begrip en bewustzijn in AI.

Hoofdstuk 8: Kan een AI Psychotisch Worden? Dit is een speculatief maar cruciaal hoofdstuk. Het onderzoekt de mogelijkheid van ‘hallucinerende’ AI en of een AI wartaal kan produceren die lijkt op psychotische taal. De bronnen wijzen erop dat dit eerder een technisch defect zou zijn dan een gesimuleerde aandoening. De vraag wordt gesteld of de algoritmes die psychotische taal kunnen herkennen (zoals in het onderzoek van Janna de Boer), ook de simulatie door een AI zouden kunnen detecteren, wat een paradoxale Circle-game creëert.

Hoofdstuk 9: Het Einde van de Literaire Verbeelding? Dit hoofdstuk reflecteert op de toekomst van het schrijverschap. Wordt de auteur een ’tekstingenieur’ die samenwerkt met machines? De mythe van de schrijver, die Mulisch zijn leven lang cultiveerde, wordt hier geconfronteerd met de ultieme ontmythologisering door de machine. Het plezier van het ambachtelijke, tijdrovende schrijfproces staat op het spel.

Hoofdstuk 10: Conclusie – De Psychose als Punt Omega. Het boek eindigt met de these dat de technologische evolutie, met AI als voorlopig hoogtepunt, ons onvermijdelijk naar een collectieve psychotische staat leidt: een ‘Punt Omega’ waarin de grens tussen mens en machine, realiteit en virtualiteit, en uiteindelijk tussen waan en werkelijkheid vervaagt…. Deze ‘psychose in het kwadraat’ is de ultieme consequentie van het ‘vanzelf gaan’, een proces dat ooit begon in de geest van de mysticus en de psychoticus, en nu zijn voltooiing vindt in het algoritme.

Door deze brede opzet wordt de AI-revolutie niet slechts een actueel fenomeen, maar de logische, zij het dystopische, uitkomst van een diep menselijk verlangen dat in de casus van Mulisch en een reeks ‘schrijvende psychotici’ al in zijn meest pure en intense vorm zichtbaar was. Alles komt samen in een nieuwe versie van de film Metropolis. Daarin werd de automaat niet alleen als technologie afgebeeld, maar ook als een sociaal en spiritueel symbool. De film toont de de-humaniserende effecten van industrialisatie en mechanisatie, waarbij de arbeiders worden gepresenteerd als radertjes in een gigantisch machinaal systeem. Tegelijkertijd wordt de robot als een utopisch ideaal gepresenteerd: perfect, foutloos en onuitputtelijk. Dit roept vragen op over de toekomstige verhouding tussen mens en AI, en de mogelijke gevolgen van technologische vooruitgang zonder ethische overwegingen.