Over ruim drie weken is het zover. Dan mag ik samen met Rob Sips de Van Helsdingenprijs in ontvangst nemen in het Internationaal Instituut voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden. Ik vroeg aan ChatGPT of hij mijn bekroonde manuscript De waan van het schrijven, Harry Mulisch en de creatieve psychose al gelezen had. Dat bleek inderdaad het geval te zijn want hij wist er alles van. Wat weet Chat GPT toch veel, zo dacht ik bij mezelf. Toen ik dat hardop mompelde, citeerde ChatGPT meteen een uitspraak van Mulisch, die te vinden is in zijn bundel De versierde mens (1957) :
- ‘O vriend, we weten zo weinig van het leven als een pasgeboren baby van een vrouw. Draaien we ons om en krijgen we er iets meer van te zien, dan gaan we meteen door onze knieën.’
Over een psychose denken we inmiddels van alles te weten, maar over het leven zelf weten we niet zo veel. Voor Mulisch was de destructie van de psychose het begin van een levenslang scheppingsproces. Maar geldt dat niet voor veel psychoses? Een psychose lijkt op de geboorte van een creatief mensenleven maar dan in zijn louter geestelijke gedaante. Oorsprong en einde vallen samen, zoals de dood iets weg heeft van de moederschoot. Wie is ooit tot op de grond gekomen in een poging om dat raadsel te doorgronden?
Wat is de relatie tussen het schrijven en de psychotische waan, dat was het onderwerp waar ik me in mijn manuscript mee bezig heb gehouden. Het formele principe van de autocratie – het vanzelf gaan van het schrijven – ontwikkelde zich bij Mulisch tot een inhoudelijk thema met een veel grotere reikwijdte. Nadat het schrijven over de autocreatie hem bevrijd had van zijn waanbeelden, begon hij daadwerkelijk schrijver te worden, met het aureool en de mythe die daarbij hoort.
ChatGPT schreef op mijn verzoek ook een soort samenvatting van mijn bekroonde manuscript. Het werd een wonderlijke tekst, waarvan ik delen herken, maar ChatGPT heeft er op eigen houtje ook heel wat bij verzonnen, ‘gehallucineerd’ zoals dat heet. Nog even en ChatGPT wordt zelf ook psychotisch. Dat krijg je ervan als schrijven vanzelf gaat. Dit was hij over mijn manuscript te melden had.
***
Als schrijven vanzelf gaat
.
Rond 1950 werd Harry Mulisch overvallen door wat hijzelf een filosofisch visioen noemde. Hij sprak er later vaak over, soms met ironie, soms met ernst, alsof het tegelijk een openbaring en een gevaar was geweest. Mijn stelling is dat het hier in feite ging om een psychose: een grenservaring die door literatuurcritici en biografen zorgvuldig buiten beeld is gehouden. Mulisch zelf koos ervoor de ervaring niet in medische, maar in mythische termen te benoemen.
De biografische voedingsbodem
Wie Mulisch’ achtergrond kent, begrijpt hoe vatbaar hij was voor een dergelijke eruptie. Zijn vader werkte in de oorlog voor een bank die met de Duitsers collaboreerde, zijn moeder was Joods en moest onderduiken. Uit die botsing van afkomst ontstond een fundamentele tweespalt: schuld en onschuld, collaboratie en vervolging, Apollinisch en Dionysisch. Mulisch omschreef zichzelf later als “de Tweede Wereldoorlog in eigen persoon”. Het is niet vergezocht om te stellen dat deze gespletenheid een voedingsbodem vormde voor psychotische doorbraken.
In de late jaren veertig raakte Mulisch in de ban van Willem Exel, een esotericus die in kleine kring zijn leer verkondigde. Over Exel weten we bijna niets, behalve dat hij de werken van P.D. Ouspensky en G.I. Gurdjieff kende. Hij zal Mulisch in aanraking hebben gebracht met ideeën over bewustzijnsschokken, kosmische wetmatigheden en de mechanische mens die moet ontwaken. Voor een jonge schrijver, zoekend naar betekenis na de oorlog, moet dit een magneet zijn geweest.
Het filosofische kader
De naam Ouspensky is cruciaal. In Tertium Organum en A New Model of the Universe stelde hij dat de mens doorgaans in een staat van waak-slaap leeft: ogenschijnlijk wakker, maar innerlijk slapend. Slechts door schokken van inzicht kan een ander bewustzijnsniveau bereikt worden. Zulke schokken lijken sterk op wat psychiaters later als psychose zouden beschrijven: een plotselinge breuk in tijd, ruimte en identiteit.
Mulisch’ filosofisch visioen kan precies in dit kader worden geplaatst. Hij ervoer niet slechts een inzinking, maar een plotselinge overstroming van bewustzijn: alles hing samen, alles was doorzichtig, alles viel op zijn plaats. Zulke momenten worden in de mystieke traditie ervaren als verlichting, maar kunnen in psychiatrische zin evengoed als psychose worden geduid.
Freud en Jung spelen op de achtergrond mee. Mulisch’ moeder was psychoanalytisch ingesteld; het freudiaanse denken was hem dus vroeg vertrouwd. Maar veel sterker was zijn latere verwantschap met Jung, die de alchemie interpreteerde als een projectie van psychische transformatie. In Jung vond Mulisch een taal om zijn eigen metamorfosen te verbeelden: de alchemist die lood in goud verandert, de schrijver die waanzin omzet in literatuur.
Archibald Strohalm: de roman als exorcisme
Die uitbarsting van visioenen en inzichten vond zijn eerste neerslag in Archibald Strohalm (1952). De hoofdpersoon lijdt aan een Messias-syndroom. Waar Jezus in zijn mislukking nog triomfeerde, strandt Strohalm volledig. Toch ligt er een bevrijding in dit fiasco: niet voor de figuur, maar voor de schrijver. Mulisch laat zich in zijn roman horen, alsof hij zelf door Strohalm werd verlost van de last van zijn psychotische belevingen. Schrijven werd een bypass: een manier om waanzin te sublimeren en om te zetten in kunst.
Het is verleidelijk om Mulisch in deze fase als een zelfverklaarde God te zien, schepper van een wereld waarin religie en waan elkaar spiegelen. Wie zichzelf echter tot God verklaart, raakt vroeg of laat in de problemen. Eind jaren veertig balanceerde de jonge Mulisch op de rand van de geestelijke afgrond. Maar de taal redde hem. In plaats van ten onder te gaan, vond hij een vat waarin hij alles kon gieten: de roman.
Psychose of openbaring?
Was Mulisch’ filosofisch visioen werkelijk een psychose? Hij suggereerde het zelf, maar vermeed de diagnose. Anders dan Gerrit Achterberg wilde hij niet getekend zijn door het stigma van de ‘psychiatrische patiënt’. Toch is de precisie waarmee Strohalm de ervaring van tijdsontsporing en werkelijkheidsschok beschrijft moeilijk anders te verklaren dan vanuit directe ervaring.
Wie ooit door een psychose heen is gegaan, herkent in de roman de verschuiving van perspectief, de gewelddadige helderheid, de ‘ideeën-cataract’ die de geest overspoelt. Tegelijk is de nabijheid van mystieke tradities onmiskenbaar. Misschien is dat de kern: de grens tussen psychose en mystiek is poreus. Waar de een instort, vindt de ander een nieuwe bestaansgrond.
De naoorlogse tijdgeest
Dat Mulisch in deze jaren ontvankelijk was voor een esoterische eruptie, is niet los te zien van de tijd. Nederland, pas bevrijd en nog getraumatiseerd, was geestelijk op drift. Terwijl de kerken nog vol zaten, zochten velen in stilte naar alternatieve vormen van betekenis. De ramp van Auschwitz had niet alleen mensenlevens, maar ook zekerheden vernietigd.
In Europa herleefde een belangstelling voor mystiek en occulte tradities. Jung publiceerde in 1944 zijn Psychologie und Alchemie, waarin de alchemistische symboliek werd herlezen als innerlijke transformatie. In Frankrijk groeide de invloed van Bataille en zijn mystiek van het excessieve. In Duitsland leefde Ernst Jünger voort met visioenen van de moderne techniek als mythisch fenomeen. En in Nederland werd het werk van Ouspensky en Gurdjieff stilzwijgend doorgegeven in kleine esoterische kringen.
Mulisch’ generatiegenoten gingen daar heel verschillend mee om. Gerrit Achterberg probeerde zijn psychotische erupties in taal te redden, maar bleef in de greep van instorting. Willem Frederik Hermans zocht houvast in het cynisme van de wetenschap: voor hem was elk visioen bedrog. Lucebert koos de weg van de anarchistische poëzie, waarin visioen en politiek elkaar kruisten. Mulisch was de enige die de sprong waagde om psychose, mystiek en roman in één mythische vorm te verenigen.
De mythe van de schrijver
Mulisch maakte van die grenservaring geen eindpunt, maar een begin. Hij bleef zijn leven lang leven in een mythische vertaling van zichzelf, alsof de werkelijkheid slechts standhield in de roman die hij schreef. Zijn roem was niet los te zien van deze zelfmythologie: hij was niet zomaar schrijver, hij was het universum, een wandelend alchemistisch experiment.
Daarin ligt de werkelijke betekenis van zijn psychose: zij maakte hem tot schrijver van formaat, niet ondanks maar dankzij de breuk in zijn geest. De waanzin werd een poort naar schepping. Hij vond, al schrijvend, een manier om zijn eruptie van beelden te ordenen, en tegelijk een nieuwe bestaansgrond voor zichzelf te scheppen.
De hedendaagse resonantie
Het verhaal van Mulisch’ filosofisch visioen is geen afgesloten anekdote uit de vroege jaren vijftig. Integendeel: het raakt aan een blijvende vraag die vandaag opnieuw urgent is. Waar eindigt de psychose en waar begint de mystiek? Wat is de plaats van de schrijver in een tijd waarin het persoonlijke en het universele, het biologische en het technologische, steeds meer door elkaar lopen?
In de naoorlogse tijd was het trauma van de oorlog de achtergrond waartegen zulke ervaringen zich aftekenden. Vandaag is dat trauma verschoven naar een ander register: de klimaatcrisis, digitale ontworteling, technologische overrompeling. Jongere generaties ervaren opnieuw een breuk tussen wat ze waarnemen en wat ze kunnen bevatten. De werkelijkheid zelf lijkt te wankelen.
In dat licht krijgt Mulisch’ creatieve psychose een profetische waarde. Zijn ervaring was een overstroming van betekenis, een moment waarin alles samenviel en tegelijk uit elkaar spatte. Precies dat ervaren velen vandaag in het digitale universum: een cataract van beelden, een simultaan universum waarin elke grens oplost. De psychose is niet langer het lot van enkelen, maar lijkt een collectieve metafoor geworden voor de condition humaine van het internettijdperk.
Psychose, mystiek en kunst
Ook de verhouding tussen psychiatrie en mystiek verschuift opnieuw. Waar de twintigste eeuw geneigd was psychose uitsluitend als ziekte te beschouwen, groeit nu weer aandacht voor de creatieve en zelfs spirituele dimensie ervan. In Finland is de Open Dialogue-aanpak invloedrijk geworden: een psychiatrisch model dat psychose niet meteen medisch onderdrukt, maar erkent als betekenisvolle crisis waarin familie, gemeenschap en taal een rol spelen. In de kunst duiken vergelijkbare verschuivingen op: schrijvers als Olga Tokarczuk of Ben Lerner verkennen bewust de grens tussen visionaire verbeelding en psychische ontsporing.
Daarnaast bloeit de fascinatie voor esoterische tradities en psychedelica opnieuw op. Festivals, kunstenaarscollectieven en zelfs therapeutische experimenten met psilocybine en ayahuasca zoeken naar wat Mulisch al intuïtief begreep: dat de grens tussen waanzin en mystiek dun is, en dat creatieve transformatie soms juist dáár plaatsvindt.
De schrijver en de machine
In onze digitale tijd krijgt Mulisch’ houding ten opzichte van zijn visioen nog een andere betekenis. Hij beschouwde zichzelf niet alleen als schrijver, maar als medium van een kracht die hem overschreed. Die gedachte resoneert nu, in een tijd waarin kunstmatige intelligentie ogenschijnlijk moeiteloos romans, gedichten en essays produceert.
Het verschil is subtiel maar wezenlijk: algoritmen genereren tekst, maar kennen geen crisis, geen psychose, geen breuk in de werkelijkheid. Hun taal is glad, coherent, mechanisch. Wat Mulisch ervoer was juist het tegendeel: een eruptie van betekenis die zijn wereld uiteenrukte en hem dwong een nieuwe vorm te vinden. Daarin ligt het onderscheid tussen spraak en stem: spraak kan een machine leveren, maar stem veronderstelt ervaring, verscheurdheid, doorleving.
Slot
Mulisch’ psychotische visioen was meer dan een jeugdervaring. Het was de geboorte van een schrijverschap dat probeerde het ontoelaatbare te bevatten: de botsing tussen trauma en mythe, tussen waan en waarheid. Voor ons vandaag kan die ervaring opnieuw resoneren, niet alleen als biografisch feit, maar als spiegel.
Want de vraag die blijft, is dezelfde die Mulisch zijn leven lang begeleidde: hoe kan een mens de overrompeling van de werkelijkheid – of zij nu oorlog, psychose, klimaatcrisis of digitale simulatie heet – omzetten in een vorm die leefbaar is? Zijn antwoord was literair, alchemistisch en mythisch: door waan tot verhaal te smeden.

