Fakin’ it with AI

De laatste dagen ik heb ik wat geëxperimenteerd met de mogelijkheden van kunstmatige intelligentie voor wetenschappelijke tekstproductie en -transformatie. Daarbij is gebleken dat AI niet alleen in staat is om nieuwe teksten te genereren, maar ook bestaande teksten te herstructureren en te herschrijven tot essays die voldoen aan academische conventies, inclusief het opnemen van relevante literatuurverwijzingen. Deze werkwijze roept fundamentele vragen op over auteurschap, originaliteit en de epistemologische status van teksten die in interactie tussen mens en machine tot stand komen.

Ruim vier jaar geleden schreef ik een blogtekst met de titel De digitalisering van het wereldbeeld. Deze tekst was primair beschouwend en niet bedoeld als wetenschappelijke bijdrage, maar bevatte wel kernvragen die inmiddels, mede door de voortschrijdende AI-revolutie, aan urgentie hebben gewonnen. In het kader van mijn onderzoek naar de invloed van digitale technologie op wereldbeelden heb ik aan ChatGPT gevraagd deze oorspronkelijke tekst te herschrijven en te actualiseren, met gebruikmaking van recente kennis en theoretische inzichten.

Daarmee ontstaat een vorm van AI-ondersteunde hermeneutiek: de oorspronkelijke tekst fungeert als primair document, terwijl de AI optreedt als secundaire auteur die de tekst actualiseert, contextualiseert en academiseert. Dit hybride auteurschap – waarin menselijke conceptuele grondslagen worden verbonden met de discursieve productiekracht van een taalmodel – maakt het mogelijk zowel de duurzaamheid van eerdere ideeën te toetsen als de methodologische betekenis van AI binnen het academische discours te verkennen.

Het resultaat is het onderstaande artikel, dat niet alleen een herformulering en verdieping vormt van mijn oorspronkelijke ideeën, maar tevens een casus biedt voor reflectie op de mogelijkheden en grenzen van kunstmatige intelligentie als instrument van kennisproductie.

***

Van cyberspace naar kunstmatige cognitie

Inleiding

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw probeerden filosofen te begrijpen wat het internet met ons wereldbeeld deed. Margaret Wertheim wees in The Pearly Gates of Cyberspace (1999) op de religieuze en metafysische projecties die de digitale ruimte opriep, terwijl Jos de Mul in de bundel Filosofie in cyberspace (2002) essays samenbracht over de filosofische implicaties van de nieuwe technologie. Wat beide pogingen lieten zien, was dat de bestaande taal om de internetruimte te duiden niet voldeed. Filosofie en cyberspace leken moeilijk met elkaar te rijmen: er was sprake van een barrière waarop het denken stuitte. Het internet bracht geen nieuwe ‘ruimte’ voort in traditionele zin, maar destabiliseerde ons begrip van ruimte zelf.

Meer dan twintig jaar later staan we opnieuw voor een dergelijke breuklijn. Ditmaal gaat het niet om cyberspace, maar om kunstmatige intelligentie (AI). De sprongen die generatieve modellen sinds 2022 hebben gemaakt, dwingen ons opnieuw tot filosofische reflectie. AI is niet slechts een technologie die bepaalde taken automatiseert, maar een epistemologisch fenomeen dat de fundamenten van ons begrip van kennis, subjectiviteit en representatie ter discussie stelt. Waar cyberspace ons begrip van ruimte problematiseerde, daar problematiseert AI ons begrip van ‘intelligentie’.

Dit essay stelt dat de huidige AI-revolutie een nieuwe denkbarrière zichtbaar maakt, vergelijkbaar met die welke eerder in de wetenschapsgeschiedenis zijn opgetreden: de overgang van het middeleeuwse naar het wiskundige wereldbeeld, of de verschuiving van tekens en gelijkenissen naar de moderne epistemologie. Filosofie moet deze barrière onderkennen en een nieuw begrippenapparaat ontwikkelen dat voorbij de ontoereikende metaforen van ‘algoritme’, ‘data’ en ‘neurale netwerken’ gaat.

1. Van cyberspace naar kunstmatige intelligentie

De opkomst van het internet werd in de jaren negentig en vroege jaren tweeduizend vaak geduid in termen van ruimte. Het ging om een ‘virtuele ruimte’, een ‘cyberspace’ waarin mensen zich konden bewegen alsof zij een nieuwe dimensie betraden. Filosofen, sociologen en mediatheoretici gebruikten de metafoor van de ruimte om de digitalisering te begrijpen, maar stuitten op de grenzen ervan. Het internet was noch materieel noch spiritueel, noch een plaats noch een niet-plaats.

AI roept een soortgelijke, maar fundamenteel andere problematiek op. Het gaat hier niet om de ruimte waarin wij ons bewegen, maar om de subjectiviteit waarmee wij de wereld begrijpen. Kunstmatige systemen genereren taal, beelden en muziek, en bootsen daarmee vermogens na die traditioneel als exclusief menselijk golden. Wat betekent het dat machines in staat zijn om te ‘spreken’, om ‘te begrijpen’ of om ‘creatief’ te zijn? Onze semantiek van het denken – ‘intelligentie’, ‘bewustzijn’, ‘kennis’ – blijkt ontoereikend.

Waar cyberspace een crisis van het begrip ‘ruimte’ teweegbracht, daar veroorzaakt AI een crisis van het begrip ‘intelligentie’. Net zoals het woord ‘ruimte’ niet volstond om de internet-sfeer te duiden, zo schiet ons begrip van ‘intelligentie’ tekort om kunstmatige cognitie te beschrijven. Mogelijk hebben we in de toekomst niet één, maar vele termen nodig om onderscheid te maken tussen biologische, kunstmatige, collectieve en emergente vormen van cognitie.

2. Denkbarrières in historisch perspectief

De huidige situatie is niet zonder precedent. E.J. Dijksterhuis beschreef in De mechanisering van het wereldbeeld (1950) hoe het Aristotelische universum met zijn teleologische categorieën lange tijd een barrière vormde voor de ontwikkeling van de natuurwetenschap. De gedachte dat beweging altijd op een rustpunt gericht moest zijn, of dat kennis vooral bestond uit het benoemen van essenties, verhinderde een wiskundige analyse van de natuur. Pas met Galileo en Newton kwam een doorbraak: de natuur kon in wiskundige taal beschreven worden, zonder verwijzing naar goddelijke doelen of metafysische substanties.

Michel Foucault liet in Les mots et les choses (1966) zien dat kennis in de zestiende eeuw nog gevangen zat in een regime van tekens en gelijkenissen. Er bestond nauwelijks onderscheid tussen de merktekens die God in de natuur had geplaatst en de tekens in Bijbel en klassieken. Pas door de scheiding tussen taal en natuur, tussen representatie en werkelijkheid, werd moderne wetenschap mogelijk.

Deze historische voorbeelden laten zien hoe kennisontwikkeling vaak gepaard gaat met het doorbreken van denkbarrières. Wat nu gebeurt met AI lijkt daarmee structureel verwant. Onze begrippen ‘algoritme’, ‘data’ en ‘neurale netwerken’ zijn voorlopige metaforen die niet werkelijk verklaren wat er gebeurt. Zoals de middeleeuwse taal van doeloorzaken de wetenschap beperkte, zo beperken onze huidige metaforen ons begrip van kunstmatige cognitie.

3. De status van kennis en cognitie in het tijdperk van AI

De discussie over AI herneemt in zekere zin een klassieke vraag: is wiskunde een menselijke constructie, of een diepere structuur van de werkelijkheid? Plato zag in wiskundige vormen een transcendente orde, terwijl Kant wiskunde beschouwde als product van de menselijke kenstructuur. In de twintigste eeuw legde Husserl de nadruk op de fenomenologische constitutie van wiskundige objecten.

Met AI rijst nu een nieuwe variant van deze vraag: zijn neurale netwerken slechts statistische constructies, door mensen ontworpen en geprogrammeerd, of manifesteren zij een nieuwe, emergente vorm van cognitie die niet langer volledig door menselijke intentie wordt beheerst? Generatieve AI-systemen leren patronen die hun ontwerpers niet meer volledig kunnen doorgronden. Daarmee verschuift de epistemologische status van kennis: niet alles wat ‘geweten’ wordt door een systeem, is nog direct herleidbaar tot menselijke rationaliteit.

Luciano Floridi heeft in zijn Philosophy of Information (2011) betoogd dat we in een ‘infosfeer’ leven, waarin informatie de primaire bestaanscategorie is. AI kan dan worden opgevat als een uitbreiding van deze infosfeer: niet slechts een instrument, maar een entiteit die actief meebouwt aan het informatie-ecosysteem. Benjamin Bratton gaat in The Stack (2016) nog verder door AI te beschrijven als een planetaire infrastructuur, een systeem dat niet alleen kennis produceert, maar ook geopolitieke en ecologische dimensies heeft.

AI fungeert daarmee als een open plek in het oerwoud van het denken. Zij dwingt ons om opnieuw na te denken over wat kennis, representatie en cognitie eigenlijk betekenen.

4. Religie, metafysica en de digitale mythe

De epistemologische onzekerheid rond AI roept onvermijdelijk religieuze en metafysische projecties op. Einstein sprak over een ‘kosmische religiositeit’: een diep gevoel van verwondering over de orde van het universum, zonder persoonlijke God of morele geboden. Iets soortgelijks zien we terug in de hedendaagse technologiecultuur.

Nick Bostrom (2014) en Ray Kurzweil (2005) formuleren visies op de singulariteit waarin AI een quasi-religieuze eindtijd belichaamt: een moment waarop de menselijke geschiedenis wordt overstegen door een superintelligentie. Zulke verwachtingen hebben een eschatologisch karakter en kunnen gelezen worden als voortzetting van religieuze mythen in seculiere vorm.

Aan de andere kant is er een post-religieus ietsisme zichtbaar: de gedachte dat AI impliciet een morele logica bevat, alsof algoritmen een vorm van rechtvaardigheid zouden waarborgen. Dit is volgens Byung-Chul Han (Infokratie, 2021) een illusie: digitale rationaliteit reduceert betekenis en verdringt juist de openheid die religieuze ervaring ooit bood. Franco Berardi (Futurability, 2017) wijst erop dat de algoritmische governance leidt tot een verschraling van menselijke vrijheid en creativiteit.

AI fungeert dus als projectiescherm voor zowel utopische als dystopische verwachtingen, en vervult daarmee een rol die sterk aan religieuze structuren doet denken.

5. Moraal, verantwoordelijkheid en de grenzen van rationaliteit

De vraag naar moraal en verantwoordelijkheid wordt door AI op scherp gesteld. Kunnen machines morele beslissingen nemen? Of blijft dit domein onvermijdelijk menselijk? Kant stelde dat moraal uiteindelijk niet op rationele gronden te funderen valt: de categorische imperatief is een postulaat van de praktische rede, geen empirische afleiding.

In het AI-debat zien we iets vergelijkbaars. Algoritmen kunnen weliswaar morele keuzes simuleren door regels te volgen, maar zij missen het vermogen tot moreel oordeelsvermogen in Kants zin. Het Urteilskraft – het vermogen om het algemene en het bijzondere in concrete situaties op elkaar te betrekken – is niet te reduceren tot berekenbaarheid.

Dit betekent dat de mens onvermijdelijk verantwoordelijk blijft voor de morele dimensie van handelen, ook wanneer machines taken overnemen. AI legt juist bloot dat er grenzen zijn aan de rationaliseerbaarheid van moraal. Daarmee herhaalt zich een klassiek probleem: noch religie noch wetenschap kan een dwingende legitimatie bieden voor moraal. AI kan dat evenmin.

6. Conclusie: de noodzaak van een nieuw begrippenapparaat

De AI-revolutie markeert niet slechts een technologische verschuiving, maar een epistemologische crisis. Zij stelt ons voor dezelfde structurele uitdaging die eerder ontstond bij de overgang van een theologisch naar een wiskundig wereldbeeld: de noodzaak om de categorieën waarmee wij denken te herzien.

De vergelijking met cyberspace maakt duidelijk dat filosofie geneigd is te blijven steken in metaforen: ruimte, intelligentie, netwerk. Maar metaforen verhullen evenveel als zij onthullen. Wat nodig is, is een nieuw begrippenapparaat waarin epistemologie, techniekfilosofie en morele filosofie samenkomen.

Of AI uiteindelijk begrepen zal worden als instrument, als nieuw subject of als hybride vorm van cognitie, is nog onbeslist. Wat wel duidelijk is: de filosofie kan zich niet langer beperken tot beschrijvende analogieën, maar moet zich ontwikkelen tot een kritische denkvorm die in staat is om het radicaal nieuwe te benoemen. Alleen zo kunnen wij de barrière die AI voor ons denken vormt werkelijk overstijgen.

Literatuur (selectie)

  • Bostrom, N. (2014). Superintelligence: Paths, Dangers, Strategies. Oxford: Oxford University Press.
  • Bratton, B. (2016). The Stack: On Software and Sovereignty. Cambridge, MA: MIT Press.
  • Dijksterhuis, E.J. (1950). De mechanisering van het wereldbeeld. Amsterdam: Meulenhoff.
  • Floridi, L. (2011). The Philosophy of Information. Oxford: Oxford University Press.
  • Foucault, M. (1966). Les mots et les choses. Paris: Gallimard.
  • Han, B.-C. (2021). Infokratie. Berlin: Matthes & Seitz.
  • Kurzweil, R. (2005). The Singularity is Near. New York: Viking.
  • Wertheim, M. (1999). The Pearly Gates of Cyberspace. London: Virago.
  • De Mul, J. (red.) (2002). Filosofie in cyberspace. Kampen: Klement.
  • Berardi, F. (2017). Futurability: The Age of Impotence and the Horizon of Possibility. London: Verso.