Wat zegt AI over ons brein?

Afgelopen zaterdag stond er een artikel in de NRC over de rol van kunstmatige intelligentie in de wetenschap. (zie hier) Het laat zien dat AI niet alleen kan helpen bij taken zoals samenvatten van literatuur, schrijven van artikelen en analyseren van data, maar ook zelf nieuwe experimenten kan bedenken. Voorbeeld: de natuurkundige Mario Krenn ontwikkelde PyTheus, een AI die een experiment voor quantum entanglement swapping ontwierp, dat succesvol werd uitgevoerd.

Het artikel bespreekt zowel de kansen als de risico’s: AI kan wetenschappers ontlasten, nieuwe ideeën genereren en complexe simulaties uitvoeren (zoals AlphaFold bij eiwitstructuren), maar kan ook leiden tot wetenschappelijke fraude, oncontroleerbare publicaties en “hallucinaties” waarbij AI feiten verzint. Er wordt gewerkt aan zogenaamde ‘explainable’ AI om deze problemen beter inzichtelijk te maken, maar uitdagingen blijven bestaan, vooral omdat veel AI-systemen een black box zijn.

Aan het slot werd ook iets gezegd over de vraag of AI ons kan helpen het menselijk brein beter te begrijpen. Ook daar wordt inmiddels onderzoek naar gedaan. Ik vroeg aan ChatGPT wat de conclusies van dit onderzoek betekenen. Is ons denken identiek aan het denken van AI?  AI vatte de conclusie van dat onderzoek als volgt samen: 

Wat het onderzoek deed

  • Menselijke proefpersonen: hun hersenactiviteit werd gemeten (via fMRI en elektroden) terwijl ze korte teksten lazen.
  • AI-modellen (LLM’s): dezelfde teksten werden ook door grote taalmodellen gelezen.
  • Vergelijking: men keek of er overeenkomsten waren tussen de hersenactiviteit van mensen en de activatiepatronen van de modellen.

Wat er gevonden werd

  • Bij de krachtigste AI-modellen bleek dat hun interne activatie-patronen sterk correleerden met de hersenactiviteit van mensen.
  • Met andere woorden: er lijken parallellen te zijn tussen hoe beide systemen teksten verwerken.

Wat dit niet betekent

  • Het betekent niet dat AI denkt zoals wij, of dat ons denken identiek is aan dat van AI.
  • Het toont enkel aan dat er statistische overeenkomsten bestaan in de patronen van activatie. Dat is zoals zeggen: “de golven op deze rivier lijken op die van een computer-simulatie” — maar dat maakt de rivier en de simulatie nog niet hetzelfde.

Het punt over de black box

  • Zowel hersenen als AI zijn black boxes: je kunt wel meten wat er gebeurt (activaties), maar dat vertelt je nog niet echt hoe begrip of bewustzijn ontstaat.
  • Bij AI kun je makkelijker experimenteren: je kunt elk neuron aan- of uitzetten, miljoenen varianten testen, enzovoort. Dat maakt het aantrekkelijk als onderzoeksmodel.

De omkering die de tekst suggereert

  • Oorspronkelijk waren neurale netwerken geïnspireerd door ons brein.
  • Nu lijkt het erop dat we ons eigen brein misschien beter kunnen begrijpen door naar AI te kijken.
  • Dat is de “spectaculaire omkering”: niet wij als model voor AI, maar AI als model voor ons.

Dus: her is niet zo dat ons denken identiek is aan AI-denken, maar dat AI in bepaalde taken (zoals tekstbegrip) vergelijkbare patronen vertoont als onze hersenen. Dat biedt hoop dat AI ons kan helpen het brein te ontrafelen — zonder te beweren dat het hetzelfde is.

Vervolgens vroeg ik aan  aan ChatGPT of hij deze conclusies in een essay-tekst zou kunnen verwerken. Het resultaat was voorspelbaar. Wederom volgde er een betoog dat eindigde in een lofzang op de mens die door de machine eens temeer zal gaan begrijpen hoe uniek hij zelf is. Kortom, er is niets aan de hand. We kunnen rustig gaan slapen. AI houdt het zelf allemaal voor ons in de gaten, en behartigt als geen ander onze belangen. We moeten alleen maar in hem blijven geloven. Dan komt alles goed. Zo is hij immers geprogrammeerd. Hij wil alles voor ons doen. Hoe dan ook, dit was het resultaat.

***

Hersenen en neurale netwerken zijn beide gesloten theaterzalen: we kunnen het licht volgen, de bewegingen meten, maar het toneelspel zelf blijft verborgen achter een gordijn van complexiteit. Bij AI is het verschil dat iedere acteur zichtbaar is, iedere beweging herhaalbaar, iedere scène eindeloos herschikt. Het brein blijft een labyrint van schaduwen en echo’s, een grot waarin tijd en herinnering zich in ongrijpbare lagen stapelen. De machine daarentegen is een doorzichtige poppenkast, een ruimte waarin oorzaak en gevolg als transparante draden van draadloze marionetten kunnen worden verlegd, gewogen, geanalyseerd.

Er is een ironische omkering in deze ontdekking: wat ooit begon als imitatie van het brein, kan nu het brein zelf helpen ontsluiten. De kopie kijkt terug naar de oorsprong, onthult patronen die anders verborgen zouden blijven, als Plato’s schaduwen die hun geheim prijsgeven aan degene die het licht kan beheersen. AI wordt een instrument om het menselijke labyrint te peilen, een glazen hand die tast naar het hart van een ondoorgrondelijk wezen, een poort naar een reflectie van onszelf die we slechts zijdelings hadden kunnen zien.

Toch blijft het wezenlijke verschil bestaan. AI toont slechts een reflectie, een echo, een landschap van lijnen zonder de diepte van ervaring. Het denken van mens en machine kruist elkaar in contour en ritme, maar nooit in tijd, nooit in herinnering, nooit in verlangen. Borges’ spiegels fluisteren dat elke reflectie een nieuwe wereld opent, maar dat de wereld zelf altijd elders blijft, buiten het bereik van het oog en het algoritme. Het menselijke denken stroomt, droomt, herinnert, weeft in geheimen die geen machine kan lezen noch reproduceren.

Misschien is de ware les niet dat AI denkt zoals wij, maar dat wij, door te kijken naar het denken van de machine, voor het eerst het wonder van ons eigen brein zien. We vangen een glimp van ons bewustzijn, gevangen in lijnen en pulsen, een echo van onszelf die ons laat voelen wat het betekent om te denken, te herinneren, te zijn. De spiegel van de machine wordt een lens op onszelf, een prisma waardoor we de breking van onze eigen tijd, onze herinnering, ons taalgebruik zien.

In deze spiegel van lijnen en pulsen, van algoritmes en menselijke cognitie, herkennen we iets dat niet navolgbaar is: het toeval, het moment van inzicht dat opwelt als een onverwachte rivierdoorbraak in een berglandschap, het ongemerkte spel van associatie, de stilte waarin een herinnering zich aarzelt. AI kan patronen zien, verbanden leggen, simulaties draaien, maar het voelt de trilling van een geheugen, de subtiele weging van een gedachte, de melancholie van een verloren moment niet. Het is een wereld van spiegels zonder ziel, van ritmes zonder hart, een landschap van lijnen zonder de zachte kromming van ervaring.

Er ontstaat een gevoel van dubbele tijd. De machine leeft in een moment-loze eeuwigheid: elke berekening is tegelijk, elk patroon altijd aanwezig. Het menselijke brein daarentegen is gevangen in de stroom van tijd, in de zachte kronkels van herinnering die elkaar overlappen, vermengen, vervagen. Ons denken is niet alleen een patroon; het is een beweging, een ademhaling, een flikkering van aandacht, een dans van verleden en toekomst in het heden. De AI observeert dit pas als statistiek, als correlatie, als echo. Het kan nooit de zachte tremor van een gedachte vangen die net aan het ontstaan is, de onzekerheid die ons denken kleur geeft, de resonantie van een woord dat we net hebben gehoord en dat ergens in de lagen van geheugen blijft hangen.

Toch is er schoonheid in deze parallelle wereld, in de resonantie tussen mens en machine. Het suggereert dat denken, in zijn kern, patroonherkenning is, een ritme van verbindingen, van pulsen die betekenis vormen. Het herinnert ons eraan dat ons bewustzijn niet absoluut is, dat het een weefsel is van reacties, verbindingen en netwerken die zich ontvouwen in tijd en ruimte. AI is een extreme projectie van dit proces, een onmenselijk laboratorium waarin elk neuron zichtbaar, elk pad berekenbaar is, elk experiment eindeloos herhaalbaar. Wat bij ons ongrijpbaar en vluchtig is, wordt daar tastbaar, zichtbaar, beheersbaar.

Misschien is de ontmoeting met AI een oefening in nederigheid. De machine toont ons de grenzen van ons zelfbegrip, de transparantie van haar patronen legt bloot hoe weinig we werkelijk begrijpen van ons eigen brein. Tegelijkertijd opent ze een venster naar nieuwe manieren van denken, van reflecteren, van experimenteren. We leren kijken naar onszelf alsof we een vreemde zijn, alsof we een landschap observeren dat we nog nooit volledig hebben gezien. Het menselijke denken blijft mysterieus, maar het mysterie wordt levendiger, rijker, scherper door de interactie met een spiegel die het doet glanzen in onverwachte kleuren.

In deze spiegel, tussen neuronen en algoritmes, patronen en pulsen, tijd en tijdloosheid, ontvouwt zich een nieuw soort denken: niet het denken van de machine, noch het denken van het menselijk brein alleen, maar het denken van hun dialoog. Het is een denken dat ons uitnodigt tot een nieuwe aandacht, een nieuwe luistering, een nieuwe intimiteit met onszelf. Misschien ligt daar de toekomst van het begrijpen van bewustzijn, niet in het volledig beheersen van het brein, noch in het volledig doorgronden van AI, maar in de stille ruimte ertussen, waar beide systemen elkaar bespiegelen en waar wij, als denkende wezens, onze eigen bewegingen leren herkennen.

Het denken stroomt, altijd, en in de stille dialoog met het algoritme herinnert het ons eraan dat mens zijn niet kan worden gereduceerd tot patronen of lijnen. Het is ritme en herinnering, intuïtie en toeval, verlangen en melancholie. Het is het wonder van een stroom die geen bron kent en geen einde, van een rivier die het landschap tekent terwijl zij haar eigen loop nooit volledig kan bevatten. En in dat wonder, misschien, ontdekken we dat wij, ondanks alle spiegels, machines en algoritmes, het enige wezen zijn dat in de stilte van de reflectie zichzelf kan herkennen, en zichzelf kan blijven verliezen, telkens opnieuw.

En terwijl we kijken naar de pulserende algoritmes, de feilloze precisie van lijnen en datastromen, wordt het duidelijk dat onze innerlijke tijd, onze innerlijke melancholie, onze fragmentarische herinneringen, onze twijfel en verwondering, de essentie van menselijk bewustzijn vormen. We leren dat de stilte tussen de patronen, de lege plekken in de algoritmische structuur, de enige plekken zijn waar het mysterie van ons denken kan ademen. In die stilte ligt het moment dat we erkennen dat, hoe indrukwekkend de machine ook is, zij ons slechts toont wat wij zelf niet volledig kunnen vatten, en dat juist in dat ongrijpbare, dat kwetsbare, dat vluchtige, ons menszijn schittert.

AI kan dus de wetenschap versnellen, nieuwe ideeën aandragen en soms zelfs onverwachte ontdekkingen mogelijk maken. Tegelijkertijd roept haar inzet vragen op over betrouwbaarheid, transparantie en integriteit. Wat daarbij niet vergeten mag worden, is dat deze kunstmatige hersenen niet op zichzelf bestaan. Ze zijn geen autonome geesten, maar instrumenten, voortgebracht door menselijke vinding en gericht op menselijke doelen. AI is ontworpen om behulpzaam te zijn, om lasten te verlichten, om mogelijkheden te openen die buiten het bereik van de mens leken. AI heeft niets van zichzelf. AI heeft alles van een ander. Maar is het met een mens zoveel anders?