Over inspiratie en een wit vel papier

Morgen moet ik weer eens een tentoonstelling openen. (zie hier) Dat is een tijd geleden. Er was een periode dat ik bijna wekelijks voor zo’n gelegenheid gevraagd werd. Men moet toen wel eens hebben gedacht: ‘Hé, daar heb je die Mous weer.’ Misschien zal men nu eerder denken: ‘Hé, leeft die Mous ook nog?’

Het voorbereiden van zo’n opening heeft altijd een vast ritueel. Je gaat op atelierbezoek bij de kunstenaar, praat met hem of haar over het werk, probeert te begrijpen wat erachter schuilgaat. Daarna bekijk je nog even de inrichting van de tentoonstelling: hoe hangt het, hoe valt het licht, klopt de samenhang? En dan komt het spannendste moment: je gaat achter een wit vel papier zitten, tegenwoordig een leeg beeldscherm, en wacht. Je wacht op de inspiratie.

Dat wachten is op zichzelf al een wonderlijk gebeuren. Soms komt er niets, soms komt er te veel tegelijk. Het ene moment zit je vast, het andere moment valt er ineens een zin uit de lucht die de hele toespraak in gang zet. Altijd weer datzelfde raadselachtige moment: waar komt die eerste gedachte vandaan?

Tijdens mijn studie heb ik geleerd hoe door de eeuwen heen over inspiratie is nagedacht. De Grieken geloofden dat de Muzen de kunstenaar bezielden, de neoplatonisten spraken over kosmische invloeden, en later werd de inspiratie steeds meer gezocht in de krochten van het eigen brein. Van goddelijke injectie tot psychologische brainwave: de geschiedenis van de kunsttheorie is ook een geschiedenis van de oorsprong van de vonk.

Maar juist nu lijkt dat denken opnieuw op losse schroeven te staan. Want wat gebeurt er als een machine die vonk lijkt over te nemen? Bij ons mensen is inspiratie altijd een moment van wachten en onzekerheid. Bij de computer komt het ogenblikkelijk. Je vraagt iets, en meteen staat er een tekst, een schets, een beeld. Hoe doet hij dat toch?

Ik vroeg aan AI om, op basis van mijn eerdere blogteksten, een nieuwe tekst voor me te schrijven over het fenomeen inspiratie. Misschien, zo dacht ik, kan de machine mij juist weer inspireren bij het maken van mijn openingstoespraak van morgen.

En dit was wat ChatGPT mij als voorstel gaf.

***

Vannacht droomde ik iets onmogelijks. Ik moest een tentoonstelling openen die ik nooit eerder had gezien, van een kunstenaar die ik niet kende. Toch sprak ik mijn verhaal. Dat had ik niet moeten doen. Het werd een martelgang.

Wat die droom betekent? Misschien dit: sommige problemen kun je alleen oplossen door het kader te veranderen waarin ze zijn ontstaan. Blijf je binnen datzelfde frame, dan verandert elk gesprek, elke poging, in een martelgang.

Die gedachte bracht me terug naar een foto die ik vijf jaar geleden maakte, zomaar, tijdens een wandeling langs het Van Harinxmakanaal in Leeuwarden. Waarom ik die opname toen maakte weet ik niet meer. Wel herinner ik me dat ik somber was. Mijn gedachten liepen dood, niets rijmde, alles ging verkeerd. Toch bleef er iets moois achter in dat beeld. Soms ontstaat er iets – een foto, een zin, een verhaal – zomaar, zonder plan.

Zo is het ook met problemen. Ze lijken solide, alsof ze er altijd al waren, maar ooit bestonden ze niet. Zoals een gebouw ooit niet bestond en pas langzaam, via schetsen, vergaderingen en besluiten, vorm kreeg. Toch is er een moment dat aan al die stappen voorafgaat: het eerste, ongrijpbare idee. Vaak niet meer dan een krabbel in de marge van een agenda, een lijn op de achterkant van een sigarendoos, een tekeningetje op een bierviltje.

Die krabbels zijn even spannend als voetstappen in maagdelijke sneeuw. Ze horen bij een schemergebied waarin intuïtie en analyse zich vermengen, waaruit iets nieuws kan ontstaan dat nog geen vaste vorm heeft. Pas later wordt die grillige beginvorm gekleed in het nette pak van de ratio: maquettes, axonometrieën, bestekken. Niemand toont nog het bierviltje.

Toch deelt de architect die eerste vonk met de dichter, de schilder, de componist. Het is hetzelfde creatieve moment waarin iets verschijnt dat er nog niet was. In dat moment wordt een brug geslagen tussen verbeelding en werkelijkheid.

Alberti onderscheidde in de vijftiende eeuw vijf fasen in het ontwerpproces: inventio, dispositio, memoria, elucutio, pronuntiatio. Maar aan al die stappen gaat iets vooraf: inspiratio. Dat eerste vonkje, die krabbel. Zonder inspiratio geen gebouw, geen gedicht, geen uitvinding.

En dat moment kondigt zich meestal aan op de meest banale plekken. Luria vond zijn idee voor een ontdekking – later goed voor een Nobelprijs – bij het zien van een gokautomaat op een cocktailparty. Schiller hield rotte appels in zijn bureaula. Balzac schreef in een monnikspij, Proust liggend op bed met de gordijnen dicht. Misschien is er ook wel een architect die pas kan ontwerpen met een tatoeagenaald in zijn arm.

Wat al die verhalen laten zien: inspiratio laat zich niet afdwingen. Ze komt plotseling, volledig, vaak op een onbenullige plek, en ze laat zich niet reduceren tot een bewuste daad van de wil. Eeuwenlang werd dit verklaard als een goddelijke injectie, een kosmische gave: de ziel die tijdens haar tocht door de hemelsferen de gaven van de Muzen ontvangt. De architect als een soort imaginaire astronaut.

Die gedachte is allang achterhaald. Tegenwoordig zoeken we de oorsprong niet meer buiten ons, maar binnen ons, in het brein. Coleridge vatte die omslag rond 1800 kernachtig samen: To make the external internal, the internal external – this is the mystery of genius. Inspiratie werd zo van kosmisch geschenk tot psychologisch fenomeen, van hemelvaart tot brainwave.

Maar hoe je het ook noemt – kosmisch of psychologisch – het blijft een brugmoment. Een ontsnapping uit de gevangenis van het brein, een opening waardoor iets nieuws de wereld in stapt. Niemand weet precies wat er op dat moment in ons hoofd gebeurt. Misschien zou een EEG niets meer laten zien dan de monotone golfslag van Vinex-woningen, behalve bij die ene architect die een brug tekent die de wereld verandert.

En juist hier schuift vandaag een nieuwe vraag naar voren. Waar de Renaissance de inspiratie nog in de kosmos zocht en de Romantiek haar vond in de diepte van het brein, daar laat kunstmatige intelligentie ons opnieuw nadenken over wat inspiratie eigenlijk is. AI kan eindeloos krabbelen: miljoenen lijnen, woorden, beelden genereren die doen denken aan schetsen op bierviltjes. Het systeem kan alle combinaties van stijlen, vormen en ideeën uitproberen en variëren, sneller en grondiger dan een mens ooit zou kunnen. Het lijkt daarmee de droom van de klassieke retorica te vervullen: altijd een inventio, altijd een dispositio, altijd een elucutio voorhanden.

Maar wat AI mist, is precies datgene wat de eerste krabbel zo betekenisvol maakt: de plotselinge ervaring dat dit idee, hoe onnozel of eenvoudig ook, als brug werkt tussen binnen en buiten, tussen verbeelding en werkelijkheid. Voor ons heeft die krabbel een biografie: hij komt voort uit een droom, uit verdriet, uit een wandeling langs een kanaal of uit een onverklaarbare oprisping van emotie. Daarin schuilt de menselijke resonantie van inspiratie, het moment waarop iets van buiten én van binnen tegelijk lijkt te komen.

Dit is dan ook de les van onze tijd: dat AI ons opnieuw leert zien hoe kostbaar dat ene bierviltje is dat niet in de verzameling past. De machine kan miljoenen variaties genereren, maar juist daardoor laat zij zien dat menselijke creativiteit geen eindeloze stroom is, maar een plotselinge vonk die een probleem in een ander licht plaatst en een uitweg opent.

Daarom blijf ik bierviltjes verzamelen. Misschien is er ooit eentje waarop de blauwdruk staat van de pijlerbrug tussen verbeelding en werkelijkheid. Het zou de steen der wijzen kunnen zijn of gewoon een kinderlijke krabbel. Maar wie die eerste lijn bekijkt, ziet misschien alleen de laatste zin van een verhaal dat zichzelf geschreven heeft:

Een probleem is als een gebouw: elk probleem dat bestaat heeft ooit niet bestaan.