Vrije tijd is geen vanzelfsprekendheid; ze vraagt aandacht, oefening en een soort ethiek van innerlijke aanwezigheid. Zoals Aristoteles stelde dat deugd moet worden gecultiveerd, zo moet ook het vermogen om te kiezen tussen oppervlakkig amusement en diepgaande ervaring, tussen vluchtige prikkeling en het sublieme, van jongs af aan worden ontwikkeld. Wie dit vermogen mist, leeft als geestelijk oningewijde: zij weten niet wat werkelijk betekenisvol is en zijn vatbaar voor simplificaties, halve waarheden en oppervlakkige overtuigingen.
Het koesteren van duurzame bronnen van vervulling – contemplatie, kunst, intellectuele oefening – vereist tijd, geduld en zelfdiscipline. Tegelijkertijd trekt een immense culturele en commerciële industrie onze aandacht weg van datgene wat ons innerlijk werkelijk voedt. Onderwijs is steeds meer een instrument geworden om economisch “menselijk kapitaal” te produceren, in plaats van burgers te vormen met een rijk innerlijk leven en een kritisch onderscheidingsvermogen.
En terwijl een generatie werd aangespoord te leren programmeren, ongeacht persoonlijke aanleg of interesse, blijkt nu dat veel van dit werkgebied al door kunstmatige intelligentie wordt overgenomen. Zal de focus ooit terugkeren naar de geesteswetenschappen, de disciplines die ons vermogen tot reflectie en betekenisvolle ervaring voeden, los van economische schommelingen? Het lijkt twijfelachtig.
Het resultaat is een samenleving waarin velen niet weten wat te doen met de overvloed en vrijheid die vorige generaties hebben veiliggesteld. Het innerlijke leven is verarmd, de geestelijke weerbaarheid verzwakt. In die leegte gedijen simplistische verhalen en complottheorieën, als schijnrichtlijnen voor wie niet langer zelfstandig kan navigeren tussen oppervlakkige prikkeling en werkelijk betekenisvolle ervaring. Deze verkwisting van onze culturele erfenis manifesteert zich in een vertoning die nog vulgairder en idioter is dan ooit had kunnen worden voorspeld – een echo van een samenleving die haar geestelijke gezondheid uit het oog is verloren.
Deze gedachten zijn niet van mijzelf, maar zijn een vertaling in mijn eigen woorden van het artikel The West is bored to death, dat onlangs verscheen in New Statesman. (zie hier) Ik kreeg deze tekst toegestuurd van mijn zoon Jurriaan. Ik heb aan ChatGPT gevraag om een blogtekst te schrijven die een synthese vormt tussen dit betoog en mijn artikel Complotdenken en geestelijke volksgezondheid. Dat zou een tekst moeten worden waarin de overeenkomsten en verschillen tussen deze twee betogen tot uiting komen.
Dit was het resultaat:
***
De moderne mens beschikt over meer vrije tijd dan ooit tevoren, maar die overvloed openbaart zich zelden als vervulling. Vrije tijd is in onze cultuur een verworvenheid die tot last geworden is. Waar arbeid eeuwenlang het leven ritme en noodzaak gaf, ligt er nu een zee van uren die niet door dwang of schaarste worden gevuld. Die zee blijkt geen transparante vrijheid, maar een onpeilbare leegte.
Dat is niet altijd zo geweest. In agrarische samenlevingen was vrije tijd nauw verweven met rituelen en seizoenen. Oogstfeesten, zondagsrust, jaarmarkten: de vrije tijd stond in het teken van gemeenschap en sacraliteit. Zij was ingebed in een kosmisch en religieus kader dat de tijd een vanzelfsprekende betekenis verleende. Zelfs in de vroege industriële tijd was vrije tijd schaars en daardoor kostbaar: het feest, de kermis, het cafébezoek waren momenten van uitbundigheid tegen de achtergrond van hard werken.
Pas met de moderniteit, en vooral na de Tweede Wereldoorlog, breekt een tijdperk aan waarin vrije tijd massaal beschikbaar komt. Vakanties, vrije weekends, de korte werkweek: het lijkt de triomf van de mens over de arbeid. Maar terwijl de materiële vrijheden groeien, worden de symbolische structuren die zin verleenden aan de vrije tijd steeds zwakker. Religie verliest zijn vanzelfsprekendheid, tradities verliezen hun dragende kracht, de gemeenschap valt uiteen in individuen. Wat overblijft is een leegte die niet meer door ritueel of geloof wordt bezield, maar die door ieder afzonderlijk moet worden gevuld.
Die last is zwaar. Want vrije tijd stelt de mens voor de vraag wie hij is zonder arbeid, zonder plicht, zonder de druk van noodzaak. Voor velen is dat geen bevrijding, maar een confrontatie met leegte. Verveling is daarom geen oppervlakkig ongemak, maar de ervaring dat de tijd zelf zijn glans verliest. In die ervaring sluimert de kern van de moderne geestelijke crisis: niet een tekort aan mogelijkheden, maar een teveel aan ongevormde tijd.
Het antwoord van de cultuur is geweest om de vrije tijd te vullen met consumptie. Amusement, toerisme, sport, entertainmentindustrie: zij bieden eindeloze manieren om de leegte te bezetten. Maar deze bezetting leidt zelden tot bevrijding. De vrije tijd wordt gevuld, maar niet vervuld. Het resultaat is een permanente honger die zich niet laat stillen. Achter het rumoer van festivals, het lawaai van beeldschermen, de drukte van reizen en beleven, gaapt dezelfde leegte.
Het gevolg is zichtbaar in de geestelijke volksgezondheid. Depressies, burn-outs, angststoornissen: zij groeien niet enkel uit werkdruk, maar uit het onvermogen om met vrije tijd om te gaan. Het lichaam rust, maar de geest vindt geen bedding. De leegte wordt een moeras dat men overschreeuwt met activiteit. En wie daarin geen houvast vindt, zoekt in uitersten: in ideologische fixaties, in verslaving, in complottheorieën die schijnbare helderheid brengen. Vrije tijd zonder zin wordt een voedingsbodem voor zowel apathie als waanzin.
Toch is de vrije tijd niet gedoemd een val te zijn. Zij kan ook een ruimte zijn waarin de mens zichzelf hervindt, mits zij wordt gedragen door vormen die betekenis schenken. Niet de eindeloze vermenigvuldiging van prikkels, maar de herontdekking van stilte, aandacht, spel, vriendschap, ritueel. Vrije tijd krijgt pas gewicht wanneer zij meer is dan de afwezigheid van arbeid — wanneer zij een open plek wordt waar iets anders kan verschijnen.
Wat ons ontbreekt is geen tijd, maar een wijze van tijd beleven. We hebben de tijd leren meten, versnellen, verdelen; we hebben haar tot middel gemaakt, maar niet meer tot aanwezigheid. Vrije tijd verschijnt daarom slechts als leegte, als iets dat gevuld moet worden, en niet als mogelijkheid die zichzelf draagt.
De crisis van de geestelijke volksgezondheid is in dit licht geen louter medisch probleem, maar een cultureel symptoom. Zij laat zien dat wij de omgang met tijd verloren hebben. Herstel kan pas beginnen waar tijd opnieuw wordt verstaan als ruimte om te zijn, om te ontmoeten, om te spelen. Vrije tijd is dan geen valkuil meer, maar een bron van menselijkheid. Zij vraagt niet om meer bezigheid, maar om een andere aanwezigheid.
Dit laat zich het best denken in een eenvoudig beeld: een open veld aan de rand van een dorp, waar niets hoeft te gebeuren. Geen machines, geen schermen, geen luidsprekers, slechts gras dat in de wind beweegt en een lucht die zich opent boven wie er gaat zitten. In dat veld ligt geen leegte die gevuld moet worden, maar een ruimte die zichzelf draagt. Het is dezelfde tijd, maar anders beleefd: niet als last, niet als afgrond, maar als mogelijkheid. Vrije tijd is dat veld in ons eigen bestaan — een open plek waar de mens opnieuw kan verschijnen, aandachtig en ontvankelijk
