In de hedendaagse publieke sfeer valt een opmerkelijke neiging op: steeds meer mensen voelen zich geroepen om zich moreel uit te spreken over gebeurtenissen die een morele reactie lijken te vragen. De oorlog tussen Israël en Hamas is een schrijnend voorbeeld, maar ook bij andere internationale crises, sociale onrechtvaardigheden of milieukwesties zien we vergelijkbare patronen. Op zich is betrokkenheid waardevol, maar vaak lijkt het morele spreken tegelijkertijd een manier om het eigen geweten te etaleren, een vorm van ‘pronken met het eigen morele kompas’.
Dit roept vragen op over de oorsprong van zo’n neiging. Welke culturele, sociale en historische factoren maken dat mensen zich geroepen voelen hun morele positie publiekelijk te tonen? Hoe verhoudt deze moderne praktijk zich tot eerdere manieren waarop moraal in de publieke ruimte zichtbaar werd gemaakt, bijvoorbeeld binnen het calvinisme, in de politieke moraal van de jaren zeventig, of in de rituelen van collectieve morele verontwaardiging bij voorgaande generaties? Kortom: in hoeverre is het etaleren van moreel gezag een nieuw fenomeen, en in hoeverre een eigentijdse echo van diepere, historisch gewortelde tradities?
Ik legde deze vraag voor aan ChatGPT met het verzoek om hier een blogtekst over te schrijven. Dit was het resultaat.
***
Het lijkt wel alsof iedereen zich vandaag verplicht voelt om zich uit te spreken over het wereldtoneel. Zodra er een grote gebeurtenis plaatsvindt – de oorlog tussen Israël en Hamas, de Russische agressie in Oekraïne, de opwarming van de aarde – rolt een golf van meningen over de publieke ruimte. Ook bewegingen als Black Lives Matter lieten zien hoezeer morele verontwaardiging een collectief ritueel kan worden, waarbij stilte of afzijdigheid vaak wordt uitgelegd als medeplichtigheid. Wie zwijgt, lijkt schuldig; wie spreekt, bewijst zijn positie. Morele ernst is niet langer een innerlijke overtuiging, maar ook een teken dat in de openbaarheid moet worden getoond. En in die uitingen klinkt soms niet alleen compassie door, maar ook een zekere ijdelheid: alsof men vooral wil laten zien dat het eigen kompas nog steeds feilloos richting Noord wijst. Het pronken met je eigen morele kompas is zo tot een publieke gewoonte geworden.
Toch is dit niet louter een uitvinding van Twitter en Instagram. De reflex om moraal zichtbaar te maken zit diep in de Nederlandse cultuur. Eeuwenlang was het calvinisme doordrongen van het idee dat geloof niet alleen beleefd, maar ook getoond moest worden. De dominee wees met het vingertje niet alleen naar de zonden van de wereld, maar ook naar de harten van de gelovigen. Zwijgen gold al snel als een teken van zwakte of heimelijk verzet. Moraal was er niet voor het innerlijk alleen, maar voor de gemeenschap, in volle openbaarheid.
Toen de kerken leegliepen en de zuilen hun greep verloren, bleef het vingertje bestaan, zij het in een andere gedaante. Joop den Uyl gaf er in de jaren zeventig een stem aan. Wie zijn televisietoespraken heeft meegemaakt, herinnert zich de stilte van die avonden: gordijnen dicht, asbak vol, kinderen tot stilte gemaand. Daar stond hij, in donker pak, vaderlijk en ernstig, met dat karakteristieke gebaar waarmee hij de natie aansprak. Zijn woorden over de oliecrisis of internationale dreiging klonken nooit louter feitelijk; ze droegen altijd de toon van een moreel appel. Den Uyl was de seculiere erfgenaam van de dominee.
Voor een jonge generatie werkte dit niet langer. Zij keerden zich af van de belerende toon die van kerk én politiek uitging. Hun antwoord was niet het zwijgen, maar een nieuw, luidruchtig spreken. Het Museumplein vulde zich met demonstranten tegen de oorlog in Vietnam, later tegen kernwapens. Spandoeken werden als banieren meegedragen, leuzen scandeerden als psalmen. Wie meeliep, hoorde bij de gemeenschap van de rechtvaardigen; wie thuisbleef, gold al snel als onverschillig. Het geweten was pas echt wanneer het zichtbaar werd gemaakt in de collectieve stem van de menigte.
Vandaag is de toon veranderd, maar het patroon hetzelfde gebleven. De dominee is verdwenen, Den Uyl is geschiedenis, de protestgeneratie is ouder geworden. Wat resteert is het individu dat zich op sociale media tot de wereld richt. Het vingertje is veranderd in een wijzend icoon op het scherm, de preek in een post van enkele regels. Het morele oordeel is niet meer ingebed in kerk of partij, maar een persoonlijke merknaam geworden. Waar vroeger de gemeente of de natie luisterde, zijn het nu volgers en vrienden die met likes en shares de instemming laten blijken.
Dat geeft het morele spreken van nu een dubbelzinnigheid. Enerzijds is het prijzenswaardig dat mensen zich niet onverschillig tonen voor het lijden van anderen. Het zou cynisch zijn om morele betrokkenheid af te doen als louter ijdel vertoon. Anderzijds is het onmiskenbaar dat het morele spreken soms de allure krijgt van een modeshow: zie hier mijn kompas, glanzend en onfeilbaar, een sieraad waarmee ik me onderscheid van de massa. Pronken met je eigen morele kompas is de seculiere pendant geworden van de zichtbare vroomheid van vroeger.
Misschien is dat onvermijdelijk in een tijd waarin identiteit broos is en gemeenschap diffuus. Het morele oordeel biedt houvast: hier sta ik, dit ben ik, dit geloof ik. Maar het verraadt tegelijk onzekerheid, want wie werkelijk geworteld is, hoeft zijn wortels niet voortdurend te laten zien. Het luide en snelle spreken van onze tijd is daarom evenzeer een teken van verlegenheid als van betrokkenheid.
Wat zich vandaag op sociale media voordoet als een nieuwe gewoonte is in wezen een echo. Het is het calvinistische vingertje in digitale gedaante, het belerende appel van Den Uyl in verkorte vorm, de demonstratieleuze gecomprimeerd tot een hashtag. De klimaatmarsen van nu, de solidariteitsbetuigingen met Oekraïne, de massale online campagnes tegen racisme – ze passen in diezelfde traditie. Het heden draagt zijn verleden in zich, en misschien verklaart juist dat waarom de verontwaardiging van vandaag tegelijk zo vermoeiend en zo vertrouwd klinkt: ze herhaalt eeuwen van publieke moraal, maar dan in de vluchtige spiegel van het scherm.
En zo wandelen we, het vingertje in de broekzak en het kompas blinkend in de hand, langs de oude wegen van een land dat zijn moraal nooit voor zichzelf kon houden – altijd op zoek naar erkenning, altijd op zoek naar zichtbaarheid, alsof rechtvaardigheid pas werkelijk is wanneer ze schittert in het oog van de ander.
