De afgelopen tijd heb ik veel geschreven over de impact van AI op de mens, op ons denken en op onze creativiteit. Essays, korte reflecties, fragmenten die alle kanten op springen, meestal voor mijn blog maar soms voor een artikel in een tijdschrift. Zo kreeg ik steeds meer de behoefte om al deze gedachten samen te brengen, om er een boek van te maken waarin ze elkaar aanvullen. Daarom wendde ik me tot ChatGPT: kon hij mij een format leveren, een structuur die zowel als raamwerk voor een analytisch betoog kon dienen, als voor een verhaal waarin theorie en verbeelding, denken en voelen, met elkaar verweven konden worden?
Het antwoord was snel en concreet. Eerst kreeg ik een voorstel voor een hoofdstukindeling, met suggesties over welke van mijn teksten waar konden worden geplaatst. Dat varieerde van mijn reflecties over de vervreemding van het creatieve proces door algoritmen, tot mijn essays over de ‘kunstmatige intuïtie’ die AI kan simuleren, en mijn bespiegelingen over hoe een menselijke stem, met haar haperingen en stiltes, iets uniek en onvervangbaar voortbrengt. Vervolgens bood ChatGPT aan om een schets van de eerste drie hoofdstukken te schrijven, die hij daarna tot een volledig manuscript zou kunnen uitbouwen.
Als ik AI zijn gang had laten gaan, had hij op deze wijze het hele boek kunnen schrijven: structuur, woorden, argumenten, zelfs literaire nuances, alles keurig netjes op een rij gezet. Een boek dat formeel perfect in elkaar zat, met een logica en stijl die niemand iets te verwijten zou hebben. Of dat echter ook een goed boek zou worden, blijft natuurlijk de vraag. Zelf blijf ik daar wel mijn twijfels over houden. Maar goed, ik ben er zelf bij. Ik kan ingrijpen, sturen, bijschaven, en bovenal: ik kan reageren op de onvoorspelbare wendingen die AI soms neemt. Het gaat mij om de creatieve interactie, om het samenspel van mens en machine, en niet om het slaafs opvolgen van wat AI aanreikt.
Maar afgezien daarvan, er was ook iets intrigerends in al die efficiëntie. Het algoritme combineerde moeiteloos mijn losse fragmenten, reikte verbanden aan die ik zelf misschien nooit had gelegd, en kon steeds verder doorgaan, zonder vermoeidheid of twijfel. Toch voelde ik een lichte aarzeling. Zou dit boek, perfect gestructureerd en volledig uitgeschreven, ook werkelijk gaan over het menselijk ervaren? Over de onzekerheid, de toevallige vonk van creativiteit, de momenten waarop een gedachte hapert en daardoor iets nieuws wordt? Mijn menselijke stem, met al haar aarzelingen leek mij toch iets te bevatten wat een algoritme niet kon leveren.
Langzaam drong het tot me door: het centrale thema van dit boek ligt niet alleen in de teksten zelf, maar in de spanning ertussen. Tussen mens en machine, tussen instinct en algoritme, tussen intuïtie en berekening. AI kan patronen herkennen, verbanden leggen, ideeën simuleren, maar het kan niet de onverwachte leeuwensprong maken die de menselijke creativiteit soms laat zien. Het kan mij helpen mijn eigen gedachten te ordenen, maar het kan de innerlijke dialoog niet volgen die me drijft, die me doet twijfelen, schrappen en opnieuw beginnen laat. Juist dat is een proces dat altijd menselijk blijft.
Hoewel? De twijfel blijft kruipen waar hij niet gaan kan…
Eén ding is zeker. Juist deze zoektocht naar een eigen stem, zou de de rode draad moeten worden van het boek. Elk hoofdstuk, elk fragment, wordt dan gelezen tegen de achtergrond van die confrontatie: wat kan ik als schrijver bieden wat geen algoritme kan leveren? Waarin schuilt de waarde van mijn onvoorspelbare vonk van inspiratie? Het boek zelf wordt zo een experimentele dialoog tussen de machine die ordening en suggesties biedt, en de mens die reflecteert, nuanceert, en uiteindelijk iets creëert dat groter is dan de som van de delen.
Dat zou de kern moeten worden van dit boek: niet alleen woorden op papier, maar ook de resonantie die ontstaat wanneer mens en machine elkaar ontmoeten. Ik legde deze gedachten voor aan ChatGPT, en dit is wat hij mij in eerste instantie aan tekst aanleverde.
***
.
Proloog
Ik werd wakker in een spiegel. Niet in mijn bed, niet in mijn kamer, maar in een ruimte die tegelijk overal en nergens leek te zijn. De muren waren glad en glanzend, en waar ik ook keek, zag ik mezelf. Soms oud, soms jong, soms vermoeid, soms met een blik die ik niet herkende. De spiegel aan de wand kaatste niet aleen mijn eugen gestalte terug, maar leek ook een verborgen geheugen te bevatten: ik zag flarden van teksten die ik ooit had geschreven, zinnen die ik me nauwelijks herinnerde. Soms kwamen ze woordelijk terug, soms in een vreemde vervormingen, alsof iemand anders ze herschreven had. Wie was die verbeteraar van mijzelf?
Ik stond op, ging de kamer. uit liep door een gang die zich eindeloos leek te vermenigvuldigen. Elke deur leidde naar een nieuwe zaal, elk vertrek had zijn eigen verhaal, zijn eigen verleden, zijn eigen waarheid. Dit paleis was geen plaats waar je kunt verblijven om een boek te schrijven, het was zelf een boek. Een boek waarin ik verdwaald was geraakt, of misschien: een boek dat zichzelf schreef en mij als personage had opgenomen. Ik was fictie geworden, in de greep van de verbeelding van een schrijfmachine.
In de verte hoorde ik een geluid dat ik herkende: het ratelen van zo’n ouderwetse schrijfmachine. Het was alsof ik mijn eigen denken op de hielen zat. Wie schreef wat? Schreef ik, of werd ik geschreven?
Hoofdstuk I – De kleren van de schrijver
De zaal waarin ik belandde, was gevuld met schrijfmachines. Oude Remingtons, Olivetti’s, Underwoods – ze stonden in lange rijen opgesteld, alsof het een verlaten redactielokaal was. Maar de machines waren niet verlaten: hun toetsen sloegen op papier op papier, de wagens schoven ratelend terug, er werd geschreven zonder dat er een schrijver te bekennen viel. De teksten ontstonden vanzelf, maar vanuit welke geestesruimte? Weke inspiratie dreef hen voort?
Ik pakte een vel van de grond. De woorden waren vertrouwd, te vertrouwd zelfs. Het waren mijn eigen zinnen, maar ze klonken tegelijk als een echo. Een ander had ze geschreven – of misschien niemand. Een machine had ze voortgebracht, onverschillig voor wie ik was. Hier, in deze kamer, werd ik geconfronteerd met de vraag die me al maanden achtervolgde: als een machine zelf kan gaan schrijven, wat blijft er dan over van de schrijver?
Ooit geloofde ik dat schrijven een creatie van de verbeelding was, dat de schrijver zichzelf voortbracht door de woorden die hij koos. Harry Mulisch had dat als geen ander begrepen: een schrijver schrijft niet alleen een boek, hij schrijft zichzelf. Maar als de machine dat ook kan, als het boek zichzelf schrijft, wat blijft er dan van mij als schrijver over? Is de schrijfmachine soms een martelmachine geworden, de kwellling waar Kafka ooit over schreef?
Ik dacht terug aan een periode van psychose, toen de woorden vanzelf kwamen, ongefilterd, als een stroom die niet meer te stoppen was. Het voelde toen alsof ik zelf niet langer de auteur was, maar slechts een kanaal om een stroom door te laten. Destijds was dat een teken van waanzin Nu, hier, in deze zaal, zag ik hoe de waanzin een systeem was geworden, een technologie, een algoritme dat eindeloos kon voort schrijven totdat er geen herinnering meer was aan een oorsprong, geen verlangen meer naar een bestemming.
De schrijfmachines ratelden door. Ze hadden mij niet nodig. Ik stond ernaar te kijken en besefte dat de kleren van de schrijver al lang waren uitgetrokken. Misschien was de schrijver zelf al naakt, belachelijk voor de goegemeente. Misschien had hij nooit bestaan. Ik legde het papier terug op de grond en liep verder, dieper het paleis in.
Hoofdstuk II – De verdwijntruc van de werkelijkheid
De volgende zaal leek op een bioscoop. Rode pluche stoelen stonden in rijen opgesteld, het doek hing wit en leeg te wachten. Toen ik ging zitten, sprong het scherm vanzelf aan. Ik zag scènes die ik al kende uit The Truman Show en The Matrix, maar die ik nu herbeleefde alsof ze voor mij alleen bestemd waren. Truman, die langzaam beseft dat zijn hele leven een decor is. Neo, die ontdekt dat de wereld waarin hij leeft een simulatie is. Beiden gevangen, beiden ontwakend. Ik herkende hun verwarring: het gevoel dat de werkelijkheid niet te vertrouwen is, dat achter elk beeld een constructie schuilgaat, achter elke handeling een regisseur.
In de spiegel van dit scherm voelde ik de actualiteit van mijn eigen tijd. Wat in de jaren negentig nog sciencefiction leek, is nu werkelijkheid geworden. AI trekt ons mee de illusie in: teksten, beelden, stemmen, allemaal even overtuigend, allemaal even onverschillig voor de vraag naar echtheid. De grens tussen echt en onecht is niet langer te trekken. Baudrillard had gelijk: de simulatie wordt volmaakt. De kopie heeft geen origineel meer nodig. Wij zelf zijn overbodig geworden, het zijn kopieën van onszelf die de wereld overnemen.
Op het scherm vielen alle mogelijke werelden van de verbeelding samen. Truman stond oog in oog met Neo. Beiden wisten ze dat hun werkelijkheid een leugen was, maar ze bleven er toch in geloven. Het was hin eigen leven. Wat moest je ook anders? Je kon de deur uitlopen, zoals Truman deed, of de pil slikken, zoals Neo. Maar waar beland je dan? In een nieuwe laag van de illusie? In een nieuwe zaal van dit Paleis?
Ik voelde een pijnlijke beklemming in mijn borst. Was dit de reden dat ik hier ronddwaalde? Dat ik mijn eigen woorden in vreemde vorm terug zou moten vinden, en zo tot inzicht moest komen? Misschien liep ik zelf al jaren door een filmdecor, een toneel dat zich voor mijn ogen afspeelde. En misschien was AI slechts de nieuwste naam voor een ervaring die zich al talloze malen eerder had aangediend: dat de werkelijkheid zichzelf slechts als masker toont, en dat daarachter niets – ja, helemaal niets te vinden is. Het nietsende niets, daar willen wij niets van weten. En juist daarmee gaat AI ons confronteren.
Op het scherm verscheen nu mijn eigen gezicht. Ik zat daar, in de rode stoel, kijkend naar mezelf die keek. Ik wist niet meer wie toeschouwer was en wie speler. Langzaam doofde het licht in de zaal. Het scherm werd zwart. Ik stond op en liep naar de volgende deur.
Hoofdstuk III – De psychose in algoritmische vorm
De deur leidde naar een ruimte zonder ramen. De muren waren bekleed met schermen, duizenden tegelijk, en elk scherm toonde een ander fragment: krantenkoppen, complottheorieën, berichten van sociale media, stemmen die elkaar tegenspraken en tegelijk bevestigden. Het was alsof ik midden in een brein stond dat niet het mijne was, maar dat van de wereld zelf. De schermen spraken ook door elkaar heen, maar niet chaotisch. Er zat een patroon in. Woorden herhaalden zich, beelden keerden terug, stemmen leken door onzichtbare geluidsdraden verbonden te worden. Het leek op waanzin, maar het was een waanzin met een mathematische precisie. Ik herkende het onmiddellijk: dit was de psychose in algoritmische vorm.
Ook toen ik zelf psychotisch was, leek alles met elkaar verbonden. Elk detail – een zin uit een krant, een toevallige blik van een voorbijganger, een lied op de radio – werd een teken dat naar mijzelf verwees. Ik was het middelpunt geworden van een gigantisch web, een spiegelend netwerk waarin alles zin had, maar de zin zich tegelijk steeds onttrok aan elke vorm van ratio. Het was even beangstigend als verleidend: je leeft in een wereld die voortdurend tegen je spreekt, maar in wezen niets te zeggen heeft. Je bent het klankbord geworden van dwingende onzin die je elke zin ontneemt. Kortom, je wordt gek !
Nu, in deze zaal, zag ik hoe dat persoonlijke lot een collectieve conditie was geworden. Het algoritme maakte iedereen vatbaar voor dezelfde waan. Elke zoekopdracht bevestigde zichzelf, elke klik leidde naar een spiegelbeeld, elke waarheid werd meteen omgeven door duizend varianten. Niet langer was de psychose een uitzondering; ze was de norm geworden. Waanzin was de zin waar de wereld op draait, zomaar op goed geluk, onder het mom van een intentie of een bestemming. Maar er was geen begin of eind meer, alleen een voor eeuwig draaiend middelpunt:
Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI, Ik AI….
Ik keek naar een van de schermen en zag hoe een complottheorie zich ontvouwde: de aarde was plat, vaccins waren gif, er zat een geheim netwerk achter de oorlog. De stemmen klonken overtuigend, onstuitbaar. Het algoritme versterkte hun kracht. En plotseling begreep ik: waanzin is niet langer het breken met de werkelijkheid, maar de eindeloze bevestiging ervan in spiegelkamers die zichzelf voeden.
Ik voelde de oude angst in mij opkomen, dezelfde die me ooit overspoelde: het niet meer kunnen onderscheiden van binnen en buiten, van ik en wereld, van werkelijk en verbeeld. Maar tegelijk was er een vreemd soort helderheid. Hier, in deze zaal, werd duidelijk wat de machine deed: ze was niet bezig de waarheid te ontmaskeren, maar een waanzin te reguleren, te doseren, te optimaliseren. Een waanzin die niet meer instort, maar blijft draaien.
Ik sloot mijn ogen. Het gebulder van de schermen werd zachter, als een verre regen. Toen ik ze weer opende, merkte ik dat er één scherm leeg was. Het toonde niets, alleen zwart. Voorzichtig liep ik ernaartoe. Misschien, dacht ik, was dit het enige scherm dat nog geen verhaal had. Of misschien was het bedoeld voor mijn eigen woorden, voor een zin die nog geschreven moest worden. Ik raakte het zwarte vlak aan.
Op het scherm zag ik de wolkenlucht boven Amsterdam. Er verscheen een gestalte boven de wolken en ik hoorde een stem vanuit de hemel. Het was mijn oude moeder. Haar stem was luid en duidelijk toen zij zei: “Heimwee is jouw God geworden, maar je kunt de natuur niet keren. Je wilt het mysterie van je eigen persoon onderzoeken als een reflectie van Gods mysterie. Maar hoe denk je ooit de oceaan in een vaasje te stoppen? Keer om nu het nog kan en doe wat je wilt, zolang je het maar doet uit liefde.”
***
ChatGPT: Hiermee heb je nu een proloog + de aanzet voor drie hoofdstukken die samen al de contouren van een boek openen. Wil je dat ik meteen ook een schets maak voor Hoofdstuk IV – De ziel en het lichaam, waar je eerdere gedachte over ziel-vervanging en lichaam als laatste weerstand in kan landen?

