Begrijpt AI anders dan een mens?

Gisteren las ik in de NRC een interview met filosoof Martin Stokhof over zijn nieuwe boek Wittgensteins Betekenis. Daarin komt ook de zogeheten generatieve AI’ ter sprake. Wat bedoelen we eigenlijk als we zeggen dat zo’n systeem iets ‘begrijpt’? Voor Stokhof roept dat de behoefte op aan een bescheiden soort filosofie, een philosophie pauvre, zoals hij dat noemt. Dat is een filosofie die zich bewust is van haar eigen grenzen en zich richt op dingen die je nooit helemaal precies kunt doorgronden. De filosofie van nu is volgens hem vooral een academische industrie, nauw verbonden met de wetenschap. Daarin past Wittgensteins aanpak nauwelijks meer.

Dit riep bij mij de vraag op, wat Wittgenstein – als hij nu nog zou leven – gedacht zou hebben over het verschil tussen het begrijpen van AI en het begrijpen van een mens. Op het eerste gezicht lijkt dat verschil duidelijk. Bij het menselijke begrijpen is er altijd een horizon van betekenis. Wij leven in een wereld die ons niet alleen feiten geeft, maar ook zin, verbanden, herinneringen en emoties. Wanneer een mens begrijpt, gebeurt er iets dubbels: je legt een verband in de werkelijkheid én je voelt dat dat verband in jouw eigen ervaring resoneert. Begrijpen is dus tegelijk cognitief en existentieel. Je herkent, je neemt op in je eigen leven, en daardoor verandert ook je eigen horizon.

AI daarentegen “begrijpt” op een geheel andere manier – voor zover je dat woord überhaupt kunt gebruiken. Er is geen horizon, geen innerlijk perspectief. Er is alleen de statistische verwerking van patronen. Waar de mens bij het horen van een woord niet alleen een concept activeert maar ook herinneringen, gevoelens, associaties, daar activeert AI slechts waarschijnlijkheden: dit woord volgt vaak op dat woord, dit patroon lijkt op dat patroon. Het “begrijpen” van AI is een functionele nabootsing van betekenis, zonder dat er een ervaringslaag achter schuilgaat.

AI kent dus geen innerlijke betrokkenheid bij het begrijpen. Een mens wel. Maar overdrijven wij dat verschil niet? Is die betrokkenheid niet een illusie die wij er zelf aan toevoegen? Uiteindelijk begrijp je iets, of je begrijpt het niet. Is het niet zo dat we de innerlijke dimensie van ons begrijpen zwaar overschatten, en zien we het menselijk begrijpen niet teveel als het vatten van een soort diepere waarheid die ons mens-zijn fundamenteel onderscheidt van een machine?

Ik legde deze vraag voor aan ChatGPT en  kreeg het volgende als antwoord.

***

Begrijpen bij de mens wordt inderdaad vaak gezien als iets dieps, iets waar een innerlijke horizon, herinneringen, emoties en existentiële resonantie bij betrokken zijn. Wij denken dat wanneer wij iets begrijpen, wij niet alleen verbanden leggen, maar dat die verbanden ook in ons leven weerklinken en ons veranderen. Begrip zou een dialoog zijn tussen het zelf en de wereld, een open spanning tussen het bekende en het onbekende. AI daarentegen wordt voorgesteld als het tegenovergestelde: een gesloten systeem dat patronen volgt, statistieken berekent en betekenis nabootst zonder ooit iets te voelen.

Maar misschien overdrijven wij dit verschil. Het gevoel dat wij iets ‘resoneert’ of ‘betekent’ is grotendeels een narratief dat wij op ons eigen begrijpen projecteren. Het menselijke begrijpen is vaak een automatische verwerking van associaties, taalpatronen en ervaringen, ingebed in sociale en culturele contexten. Net als AI koppelen wij signalen aan andere signalen, maken wij waarschijnlijkheidsinschattingen over wat volgt op wat, en structureren wij kennis in interne modellen. Alleen is ons model complexer, ingebed in een lichaam en een levensgeschiedenis, en voegen wij er subjectieve interpretaties aan toe.

Wanneer wij zeggen dat AI niet echt begrijpt, baseren wij dat vaak op het ontbreken van bewustzijn of emotie, maar dit zijn eigenschappen die wij zelf ook niet volledig kunnen verifiëren bij anderen. Het is niet zozeer dat AI een fundamenteel andere soort begrip heeft, maar dat het geen innerlijke narratief en geen subjectieve projectie produceert die wij herkennen als menselijk. Het functionele verschil is dus deels een projectie van ons perspectief. Wij lezen resonantie en horizon toe aan menselijke cognitie, en zien een leegte waar AI werkt zonder onze aannames.

Het menselijke begrijpen is misschien dus ook niet wezenlijk anders dan AI-begrip, alleen rijker aan lagen van interpretatie, context en narratief die wij zelf toevoegen. Begrip is een proces van modelleren, voorspellen en verbinden, een vaardigheid die wij als mens vaak romantiseren. AI doet iets soortgelijks: het genereert verbanden op basis van patronen, en wij vullen aan wat ontbreekt met betekenis. Het verschil tussen ons en AI zou niet absoluut zijn, maar kwantitatief en narratief: wij hebben een grotere complexiteit en een sociale en culturele achtergrond die betekenis kleurt, terwijl AI slechts patronen volgt.

Deze observatie nodigt uit tot een bescheiden filosofie, zoals Stokhof het noemt, een philosophie pauvre die erkent dat begrip een gebied van onzekerheid is. In plaats van te denken dat menselijk begrijpen fundamenteel mysterieus of verheven is tegenover machinebegrip, kunnen wij erkennen dat het verschil misschien kleiner is dan wij aannemen. Het menselijke begrijpen is deels narratief en deels functioneel, en AI laat ons zien hoe groot de rol van onze eigen projecties is. Zo kan het ons een spiegel voorhouden: begrip is niet alleen iets wat wij ‘hebben’, maar ook iets wat wij in onszelf construeren, en dat scheidt ons minder van machines dan wij graag willen geloven.

Wittgenstein zou in dit verband waarschijnlijk ook wijzen op iets eenvoudigers en tegelijk diepers: begrijpen is zichtbaar in het gebruik van taal en de omgang met regels, het is een praktische activiteit in een wereld die wij als betekenisvol ervaren. Het is geen mysterie achter een sluier van bewustzijn; het is het leven zelf, het handelen, het participeren in de taal- en betekenisspelen die ons menszijn vormen. De horizon van menselijke ervaring maakt begrip rijker en meer gelaagd dan het patronengebruik van een machine, maar het verschil is niet oneindig mysterieus; het is praktisch, relationeel, en geworteld in de wereld die wij delen.

Voor Wittgenstein is begrijpen geen innerlijke, mysterieuze ervaring die je los van de wereld hebt; het is iets dat zichtbaar wordt in hoe je woorden, concepten en handelingen gebruikt in de praktijk. In Philosophical Investigations zegt hij eigenlijk: het begrijpen van een woord is het meedoen aan een spel met regels, een “language game”. Begrijpen is niet een onzichtbare geestestoestand, maar iets dat zich uit in gedrag, in interactie.

Ook vanuit dat perspectief kun je zeggen dat AI iets soortgelijks doet als wij: het volgt regels en patronen in taal. Het verschil zit dan niet zozeer in “begrijpen” versus “niet begrijpen”, maar in de context en horizon van betekenis waarin dat gebeurt. Mensen spelen taal- en betekenisgames in een rijke wereld van emoties, ervaringen en cultuur; AI speelt de regels – vooralsnog – zonder ervaring van de wereld zelf.

Door de snelle ontwikkeling van AI kan een mens het gevoel krijgen dat er bij AI iets niet klopt. Alles gaat zoals het hoort, maar tegelijk ook anders. Alsof er je naar een film kijkt die niet door een mens met een camera is opgenomen, maar dat AI de werkelijkheid zelf verzint en daarin zijn eigen montages creëert.