Er was eens een man die in zijn studeerkamer oude boeken doorzocht, zonder precies te weten wat hij zocht. De kamer rook naar stof en inkt, en op de houten vloer verschoof het licht van de middag in zachte vlakken voorbij. De man schreef en bleef even stilstaan bij een zin. Hij hield van lijsten, van ordeningen, maar vooral van de momenten waarop die ordeningen die geen enkel verband meer leken te hebben met de werkelijkheid, een woord dat buiten de regels valt, een verhaal dat zich weigert te voegen naar een begin, een midden en een einde.
Zo stuitte hij op een fragment van een tekst die sprak over een nog onbekende encyclopedie. De woorden leken op een raadsel: dieren waren geordend in categorieën die hij niet kon bevatten, en waarvan hij niet wist of ze ooit werkelijk bedoeld waren om begrepen te worden. Het was een chaos, en tegelijk een soort poëzie. Hij realiseerde zich dat elke poging om de werkelijkheid te vangen in logica, regels of categorieën altijd maar een van de vele mogelijke ordeningen was. En zo kwam hij tot de gedachte dat sommige ordeningen alleen bestaan om te verwarren, om te verrassen, om een opening te bieden naar iets wat hij zelf nog niet had gezien.
In de dagen die volgden kreeg hij een probleem met zijn hart. Hij moest geopereerd worden en zo merkte de man dat hij de wereld om zich heen anders begon te zien. Niet langer als een lineaire reeks van oorzaken en gevolgen, maar als een weefsel van verbanden, herinneringen, geluiden en bewegingen die elkaar kruisten op onverwachte manieren. Hij zag allerlei nieuwe koppelingen en verbanden. Soms voelde het alsof hij zelf onderdeel werd van een wonderlijke encyclopedie die voortdurend herschreven werd, en waarin elk moment zowel willekeurig als noodzakelijk was.
En ineens kwam er een geheel nieuwe gedachte in hem op: als zelfs het lichaam, het geheugen en de taal zich op deze associatieve manier organiseren, als de werkelijkheid niet strikt rationeel te ordenen is, wat gebeurt er dan als denkende machines beginnen te werken met een eigen alternatieve logica van patronen en verbanden? Wat kan een algoritme vinden dat wij zelf nooit zouden kunnen zoeken?
Ik legde deze vraag voor aan ChatGPT. Die kwam met het volgende antwoord,
***
De schrijver Jorge Luis Borges wees ooit op het bestaan van een ‘Chinese encyclopedie’ waarin dieren worden geordend volgens categorieën die ons absurd voorkomen: die van de Keizer zijn, gebalsemde, tamme, speenvarkens, sirenen, fabeldieren, loslopende honden, die er net een kruik gebroken hebben, enzovoorts. Deze merkwaardige taxonomie laat zien dat ordening altijd afhankelijk is van een logica die niet vanzelfsprekend is, maar cultureel, historisch en zelfs imaginair bepaald.
Vandaag de dag staan we met kunstmatige intelligentie voor een soortgelijke verschuiving. AI herschikt de werkelijkheid niet meer volgens de vertrouwde patronen van het rationele denken, maar volgens algoritmische logica’s die voor ons vaak ondoorzichtig zijn. Waar wij nog lineair, hiërarchisch en causaal proberen te denken, lijkt AI eerder te werken volgens Borges’ encyclopedie: associatief, onverwacht, hybridisch, en daardoor zowel absurd als verhelderend. De machine zoekt niet, zij vindt – en soms vindt zij iets wat wij zelf nooit hadden durven zoeken.
Ook de logica van het lichamelijk herstel lijkt op die van Borges: niet rationeel, maar willekeurig en grillig. Ik herinner me de eerste nacht na mijn hartoperatie. Ik lag rechtop in bed, omdat platliggen te pijnlijk was. De kamer was donker, op het blauwe licht van de monitoren na. Het geluid van het zuurstofapparaat was een trage ademhaling buiten mijzelf. Af en toe gleed een verpleegster voorbij als een schaduw in de gang. In dat halfduister kwamen flarden van beelden boven: mijn vader die ooit stil een pijp stopte, de geur van tabak; een regenbui op een zomermiddag uit mijn kindertijd; het gevoel dat mijn borstkas vreemd van mijzelf was geworden. Niets volgde elkaar logisch op. Het was een rizoom van herinnering, zoals Deleuze het beschreef: een ondergrondse stengel die overal vertakkingen maakt.
Slauerhoff schreef: ‘Wie vond ooit door te zoeken.’ Picasso zei: ‘Ik zoek niet, ik vind.’ Dat gold ook voor die nachten. Ik zocht niets, maar vond. In het geruis van de zuurstof vond ik een ritme dat me kalmeerde. In de kleinste beweging — mijn hand een paar centimeter verschuiven, mijn ogen sluiten tegen het felle tl-licht — vond ik een onverwachte orde. AI lijkt op dezelfde manier te werken: ze zoekt niet doelgericht, maar vindt door verbanden te leggen die ons verstand niet kent.
De eerste keer dat ik de gang doorliep met de rollator, hoorde ik het zachte piepen van mijn infuus op wieltjes. De vloer glom van het schoonmaakmiddel, de geur van chloor hing in de lucht. Elke stap voelde als een hele reis. Buiten, achter het raam, zag ik een boom die zachtjes bewoog in de wind. Het was alsof die boom niet buiten stond, maar in verbinding was met mijn eigen ademhaling. Het herstel was geen rechte lijn, maar een netwerk van associaties: chloorlucht, piepende wielen, een boom in de wind. Een rizoom van ervaring.
Zo schrijf ik nu ook. Soms begin ik met een losse zin — het litteken trekt bij iedere ademhaling — en zie hoe AI daarop antwoordt. Mijn woorden en de woorden van het algoritme vlechten zich door elkaar heen. Het is als kijken in een spiegel waarin ik niet altijd zeker weet wie terugkijkt. In het ziekenhuis had ik datzelfde gevoel toen ik voor het eerst mijn borst zag: bleek, opgezwollen, met een wond die nog niet gesloten was. Was dit mijn lichaam, of een beeld dat een vreemde logica volgde?
Deleuze zei dat wetenschap steeds minder boomvormig is en steeds meer als gras. Ik herken dat nu in de manier waarop mijn dagen zich voegen: kruipend, zich uitbreidend, zonder richting. Soms is er vooruitgang, dan weer terugval. Soms een zin die me optilt, soms alleen moeheid die me neerdrukt. Hetzelfde geldt voor de taal die de machine mij aanreikt: geen vaste orde, maar een veld dat voortdurend beweegt.
Borges’ encyclopedie was misschien geen curiositeit, maar een profetie. Wij leven in een wereld waarin de dieren opnieuw verdeeld worden, niet door een keizer, maar door een algoritme. En ik leefde zelf in een encyclopedie van herstel: categorieën die mij elke dag opnieuw verrassen, absurd en toch werkelijk. Die waarin ik midden in de nacht wakker lig en de regen hoor tikken op het raam. Die waarin ik langzaam de trap afloop, één trede per ademhaling. Die waarin ik een zin opschrijf die plotseling klopt.
Buiten tikte de regen op het raam. Plotseling herinnerde ik me een wonderlijke vorm van muziek die heel anders geordend leek dan ik gewend was, de noten zo licht dat ze over de vloer leken te zweven. Het geluid van de piano leek zich te mengen met het geruis van de zuurstof, alsof muziek en ademhaling een gezamenlijk ritme vonden, een rizoom dat zich door tijd en ruimte uitbreidde.
Mijn vingers tintelden nog van de anesthesie, maar ik voelde de echo van die onbekende muziek in elke spier, elke long. AI, dacht ik, zou dit niet kunnen vatten — en tegelijk toch ook wel. Het algoritme herkent patronen, verbanden die ik zelf niet bewust zie, zoals de manier waarop mijn hartslag en de regendruppels een onregelmatige polyrhythme vormen. Het digitale geheugen van de machine en mijn eigen geheugen weven een resonantie die ik tegelijk vreemd en vertrouwd vind.
De dagen voegden zich aaneen in een netwerk van bewegingen en klanken. Soms hoorde ik een vogel buiten, een onverwachte solist in het grijze orkest van het ziekenhuis. Later, thuis, hoorde ik weer die wonderlijke muziek, en in mijn verbeelding zag ik een pianist. Zijn vingers dansten over de toetsen, complex en grillig, en ik volgde ze met mijn ogen en mijn gedachten. De muziek werd een gids voor mijn eigen rizomatische herstel: een stap vooruit, een terugslag, een ademhaling, een herinnering.
Ik leef nu drie maanden later en het herstel lijkt voltooid. Het schrijven zelf is nu als een compositie: losse noten, korte frasen, echo’s van ideeën en beelden die AI aanvult als spiegels voor mijn eigen herinneringen. Een zin als “het litteken trekt bij iedere ademhaling” wordt door het algoritme beantwoord met onverwachte wendingen, ritmes die ik zelf niet bedacht had, maar die resoneren met de werkelijkheid van mijn lichaam. Samen vormen we een polyfonie, een rizoom van klank, taal en ervaring. Elke dag weer volg ik mijn verwondering.
Alsof ik in een ander register ben gaan ademen, trager en lichter tegelijk, hoor ik in iedere dag een nieuwe modulatie, een onverwacht akkoord. Het schrijven legt bloot dat herstel niet de terugkeer naar een vroegere staat is, maar het openen van een nieuwe ruimte waarin lichaam en geest elkaar opnieuw leren verstaan. In die ruimte componeert de stilte mee: een onzichtbare stem die mijn dagen draagt, terwijl verwondering zelf een vorm van genezing blijkt te zijn. Alles vertakt zich, kruist, echoot en wordt opnieuw gehoord.
Net als in het rizoom, is het herstel geen rechte lijn maar een netwerk van verbonden momenten: een ademhaling, een noot, een piepend infuus, een woord dat plotseling klopt. Muziek, lichaam, herinnering en machine spiegelen elkaar in een voortdurend proces van herkomst en wording. Zoals gras dat ontsnapt tussen de stenen. Zoals een hart dat zijn ritme hervindt. Zoals een tekst die zichzelf blijft herschrijven. Zoals een melodie die blijft resoneren, in mij en buiten mij, in klank en in taal, in mens en machine. Een proces dat voor mij mag doorgaan tot in de verste verte van de oneindigheid.
