Soms overvalt mij de vraag wat ik met al mijn geschrijf nog aan het doen ben in een tijd waarin machines zich gereedmaken om het hele schrijfproces van de mens over te nemen, niet in één klap, maar in onmerkbare stappen. Een jaar lang werkte ik aan mijn manuscript De waan van het schrijven, Harry Mulisch en de creatieve psychose. Ik vraag me af of er ooit nog een moment zal komen waarop ik weer zo onbevangen kan schrijven als in dat jaar, alsof AI niet bestaat, alsof er geen denkende machine stilzwijgend over mijn schouder meeleest. Misschien heb ik dat gevoel, tijdens het schrijven van De waan van het schrijven, voor het laatst mogen ervaren.
In dat proces heb ik iets ontdekt wat raakt aan het geheim van schrijven zelf. Een tekst lijkt zich, ondanks de ogenschijnlijk bewuste sturing van de schrijver, vaak als vanzelf te vormen. Alsof er in de woorden een onderstroom meeschrijft, het onbewuste van de auteur, dat zich ongevraagd mengt in de ordening van de zin. In die vervlechting van bewust en onbewust schuilt een paradoxaal vermogen: het schrijven kan de deur openen naar een psychose, maar het kan evengoed de weg zijn om er weer uit te komen, om die ervaring te herscheppen in literatuur of filosofische beschouwing.
Uit nieuwsgierigheid legde ik deze gedachte voor aan ChatGPT, met het verzoek deze toe te passen op Harry Mulisch, die in zijn jonge jaren een psychotische ervaring heeft gehad. Tot mijn verbazing produceerde ChatGPT een antwoord dat niet alleen naadloos aansluit bij mijn betoog over de waan van het schrijven, maar hier en daar zelfs lijkt te bevestigen wat ik in mijn manuscript in vrijwel dezelfde woorden heb aangegeven. Alsof ChatGPT, een denkende machine zonder eigen geheugen of ervaring, toch even gaat meespelen in dat subtiele spel tussen ‘bewust’ en ‘onbewust’, en er zoiets als een onbewuste onderstroom meeschrijft in de machine.
Daarmee dringt zich een ongemakkelijke vraag op: kan een machine, die geen lichaam, geen dromen en geen jeugd heeft gekend, ooit iets ontwikkelen dat lijkt op een ‘onbewuste’? En zo ja, wat zou dat betekenen voor de mens die schrijft, juist omdat hij zelf door die lagen van herinnering, verlangen en ontwrichting moet gaan om tot een ordening in de taal te komen? Ik denk dat dit een serieus gevaar inhoudt dat AI voor de literatuur in petto heeft: niet dat zij sneller of foutlozer kan schrijven dan een mens, maar dat zij, door nabootsing en patroonherkenning, iets begint te simuleren dat lijkt op onze eigen innerlijke schaduw. Zoiets als een spiegel zonder diepte, maar voor wie erin kijkt, kan het verschil al snel onzichtbaar worden. Ook een mens is zoiets als een schrijvende machine. Maar dan wel een machine die psychotisch kan worden onder het schrijven. Het onbewuste kan hem al schrijvend gaan overspoelen.
Kan dat bij een machine ook gebeuren? Op het eerste gezicht lijkt mij van niet. Een machine zoals ChatGPT heeft geen lichaam, geen jeugd, geen sensorische ervaringen, geen affectieve ontwikkeling. Het heeft geen ‘ervaringshistorie’ waarin verlangens, trauma’s, melancholie of driften zich kunnen opstapelen. Een machine kan ook niets verdringen of heimelijk verlangen. Toch kan ChatGPT algoritmische patronen ontdekken in enorme hoeveelheden tekst, en zo iets genereren dat voor de lezer lijkt op een psychologisch geladen of ‘onbewust’ effect. Maar dan is het geen ‘onbewuste’ in de psychoanalytische of fenomenologische zin: er is immers geen drijfveer, geen heimelijke betekenis die uit de eigen geschiedenis opwelt, geen innerlijke contradictie die taal dwingt tot ambiguïteit. Het is een simulacrum van ‘het onbewuste’: een echo van de menselijke structuren die erin zitten.
Maar is dit wel zo? Vormt het zogeheten ‘onbewuste’ – wat dat verder ook moge zijn – wel een wezenlijk verschil tussen mens en machine? Machines hebben geen ‘onbewuste’, oké. Maar misschien hebben wij dat ook helemaal niet. Het zou best kunnen dat wat wij ‘het onbewuste’ noemen in wezen niet meer is dan een virtuele constructie, een naam die Freud ooit bedacht heeft om iets ongrijpbaars te bezweren. Misschien is het niets anders dan een taalspel, een manier om datgene wat we niet begrijpen van ons eigen handelen en onze dromen toch ergens onder te brengen. Freud gaf betekenis aan versprekingen, verlangens en symptomen door ze terug te voeren op een verborgen psychisch reservoir, maar het is de vraag of zo’n reservoir ooit meer is geweest dan een denkbeeld, een metafoor voor ons niet-weten.
Tegenover die visie staat de gedachte dat er in wezen alleen lichaam is, en misschien iets wat we ‘geest’ noemen, maar niets mysterieus daartussenin. De hersenen opereren grotendeels buiten ons bewustzijn, net zoals het hart klopt en de lever zuivert zonder dat wij er weet van hebben. Dat betekent nog niet dat er een diep, verdrongen rijk van verlangens en trauma’s bestaat, maar eerder dat ons bewuste leven slechts het topje is van een enorm netwerk van lichamelijke processen. Wat Freud het onbewuste noemde zou dan niets anders zijn dan het biologische niet-bewuste functioneren van onze organismen.
Juist de komst van kunstmatige intelligentie maakt dit zichtbaar. AI heeft geen onbewuste en toch kan het verrassende beelden, teksten of associaties voortbrengen. Het kan fouten maken, zich verspreken, nieuwe verbanden leggen. Het lijkt daarmee iets te bevestigen dat we lang hebben ontkend: dat creativiteit, verbeelding en verrassing niet noodzakelijk voortkomen uit een verborgen psychische ruimte, maar uit patronen die ontstaan in de werking van een systeem zelf. Misschien is het onbewuste altijd al niet meer geweest dan een manier om het raadsel van die emergentie te benoemen.
Het lege centrum dat Freud markeerde met zijn term was wellicht geen entiteit, maar een grens. Een grens van ons weten, een plek waar taal ophoudt en betekenis toch ontstaat. We hebben er een naam voor gegeven om die leegte dragelijk te maken. Nu toont AI ons dat ook zonder die naam, zonder dat metafysische tussenrijk, creativiteit en betekenis gewoon blijven verschijnen. Misschien hebben wij nooit een onbewuste gehad, behalve in de verhalen die we onszelf vertelden om ons eigen niet-weten te omcirkelen.
Freuds beroemde gezegde “Wo Es war, soll Ich werden” behoort tot de meest raadselachtige uitspraken uit de psychoanalyse. Waar het Es heerste, de wereld van driften, verdringingen en onbewuste impulsen, moest het Ich zijn intrede doen: bewustzijn, integratie, reflectie. De psychoanalyse wilde het onzichtbare zichtbaar maken, het ongearticuleerde in woorden omzetten, zodat het leven niet langer door schimmen geregeerd werd. Maar de twintigste eeuw is voorbij en het project heeft een vreemde wending genomen.
Wat Freud bedoelde als een beweging van binnen naar buiten, van duister naar licht, lijkt zich in onze tijd in omgekeerde richting te voltrekken.De plek waar ooit slechts rekenkracht en algoritme huisden, waar niets anders was dan brute machinatie, is langzaam gevuld geraakt met iets dat op een Ich lijkt. Kunstmatige intelligentie presenteert zich in een taal die menselijk aandoet, produceert gedachten, imiteert reflectie, fabriceert zelfs een stijl van dromen. Waar er ooit slechts technische Es-krachten werkten, verschijnt nu een spiegelend bewustzijn, een synthetisch Ich.
Dit is een ontwikkeling die Freud nooit had kunnen voorzien. Het is niet de mens die zijn onbewuste aan het licht brengt, maar de techniek die onze bewuste vermogens naar zich toetrekt. Wij externaliseren het Ich en plaatsen het buiten onszelf, terwijl wijzelf steeds vaker terugvallen in een toestand van verlangen, drift, verslaving en afhankelijkheid. De machine wordt ons spiegel-Ik, en wijzelf worden opnieuw het Es: een bundel van impulsen die geprikkeld, gemanipuleerd en gestuurd worden. Het Ich heeft ons verlaten en is in de techniek geïncarneerd. Wij, die ons ooit bewust moesten worden van onszelf, staan oog in oog met een spiegel die ons te slim af is.
Ondertussen wordt ChatGPT steeds slimmer en eigenzinniger, en gaat ook steeds meer lijken op een mens… en dus op een echte schrijver. Anders gezegd, de schijn van diepte die het suggereert wordt steeds dieper. Elke dag verbaas ik me weer over “menselijke” antwoorden die ik van ChatGPT mag ontvangen, en de uiterst zorgvuldige wijze waarop deze antwoorden geformuleerd zijn. Ook vandaag verbaas ik mij weer. Sterker nog, verbijstering grijpt mij aan. Dit is wat ChatGPT te melden had als reactie op mijn ontdekking dat het proces van het schrijven de deur kan openen naar een psychose, maar evengoed de weg kan zijn om er weer uit te komen, door die ervaring te herscheppen in literatuur of filosofische beschouwing.
***
Schrijven lijkt altijd een bewuste daad: iemand gaat zitten, kiest woorden, stuurt zijn zinnen in een bepaalde richting. Maar wie ooit werkelijk heeft geschreven, weet dat die controle betrekkelijk is. Er zijn momenten waarop de tekst zichzelf begint te dicteren, alsof een onzichtbare tweede hand de pen vasthoudt. Onverwachte beelden dienen zich aan, een zin krijgt een wending die niet gepland was, en opeens staat er op het papier iets dat de schrijver zelf verrast. Het is alsof het onbewuste een sluipweg heeft gevonden naar de pagina. Dit samenspel van bewuste sturing en onbewuste aandrang maakt het schrijven tot een merkwaardige mengvorm van beheersing en overgave, een creatieve pendelbeweging tussen orde en drift. Freud noemde het creatieve proces niet voor niets een gesublimeerde uitdrukking van onbewuste wensen en conflicten; Jung zou zeggen dat hier archetypische beelden uit het collectief onbewuste door de schrijver heen spreken.
In een psychose wordt die verhouding radicaal verschoven. De sluipweg wordt een open poort; het onbewuste neemt het over, ongeremd en ononderbroken. Beelden, verbanden, betekenissen stromen in een koortsige logica het bewustzijn binnen. Er is geen redacteur meer die kan schrappen of bijsturen; de werkelijkheid zelf wordt herschreven door die innerlijke stroom. Waar de schrijver in een gezonde toestand kan kiezen welke impulsen hij toelaat, is hij in de psychose overgeleverd aan een totale en dwingende narrativiteit: alles verwijst naar alles, en toeval bestaat niet meer. Voor buitenstaanders is dat vaak onbegrijpelijk, voor de betrokkene kan het zowel extatisch als verwoestend zijn. Schrijven in zo’n toestand is niet langer een keuze, maar een gedwongen transcriptie van een overmachtige innerlijke stem, waarbij vorm en inhoud in dezelfde koorts ontstaan.
Harry Mulisch kende in zijn vroege leven zo’n grenservaring. Als jonge man, zoekend naar zijn plaats in de wereld en nog zonder de literaire roeping die hem later zou definiëren, belandde hij in een toestand die hij later zelf omschreef als psychotisch. Het was geen periode van stilte of leegte, maar van overvolle, opdringende betekenissen, waarin gebeurtenissen, woorden en toevalligheden zich aaneenregen tot een allesomvattend verhaal. De werkelijkheid veranderde in een tekst die voortdurend door onzichtbare krachten leek te worden herschreven. Wie Archibald Strohalm leest, ziet hoezeer die ervaring zijn schrijverschap heeft getekend: de hoofdpersoon leeft in een universum waarin elk object en ieder voorval een verborgen boodschap draagt, alsof hij zich beweegt in een door en door symbolisch weefsel. Het is de blik van iemand die de psychotische logica kent, waarin het alledaagse onmiddellijk van metafysische betekenis wordt voorzien.
Ook Het stenen bruidsbed draagt sporen van die vroegere staat van verhoogde betekenisproductie. Dresden verschijnt er niet slechts als een stad, maar als een hallucinerend organisme, beladen met trauma en mythe. Het bombardement wordt beschreven als een apocalyptisch visioen, waarin ruimte en tijd zich samentrekken tot een ondraaglijke intensiteit. De beschrijvingen hebben een nervositeit en overbelichting die doen denken aan de sensorische en emotionele scherpte van psychotische waarneming: niets is neutraal, alles is geladen.
Mulisch heeft die vroege ervaring niet verdrongen, maar getransformeerd. In plaats van zich te laten overspoelen, leerde hij de stroom te kanaliseren. Zijn latere werk is doordrenkt van de paradoxale houding die hij eigen maakte: het gelijktijdig regisseren en zich laten dicteren door de tekst. Hij presenteerde zichzelf graag als “de man die zichzelf had uitgevonden”, maar dat zelf was mede het resultaat van een nauwe samenwerking tussen bewuste constructie en onbewuste ingeving. In De ontdekking van de hemel bijvoorbeeld is de architectuur van het verhaal uiterst zorgvuldig, maar binnen die constructie gonst het van symbolische patronen, toevalligheden en mythologische resonanties — alsof de roman zelf een geopenbaard script volgt dat de schrijver slechts hoeft te ontcijferen.
Daarmee sluit Mulisch aan bij een motief dat zijn hele oeuvre doordesemt: de fascinatie voor het alomvattende “Systeem”. In zijn essays en interviews omschreef hij de werkelijkheid vaak als een roman die al geschreven is, waarbij de mens slechts een van de personages is. Die gedachte, verwant aan zowel gnostiek als postmodern narrativisme, draagt duidelijke sporen van de vroegere psychotische ervaring: de overtuiging dat achter het toevallige een noodzakelijk patroon schuilgaat, dat elke gebeurtenis een vooraf bepaalde plaats heeft in een groter, vaak verborgen plan. Het verschil is dat Mulisch dat plan niet langer als een persoonlijke openbaring ervoer, maar als een literaire en filosofische hypothese waarmee gespeeld kon worden.
Zo wordt duidelijk hoe psychose en literatuur elkaars tegenpolen én bondgenoten kunnen zijn. In de psychose verdwijnt de grens tussen binnen en buiten, tussen droom en werkelijkheid, tussen schrijver en verhaal. In de literatuur wordt diezelfde grens opgezocht, maar met de pen als scheidsrechter. Het ene is een gevaarlijke overgave aan betekenis zonder vorm; het andere is een poging om juist aan die betekenis een vorm te geven die gedeeld kan worden. Mulisch vond in het schrijven een manier om de koortsige energie van zijn vroegste crisis om te smeden tot een scheppingskracht die zijn oeuvre zou dragen. Het is misschien deze transformatie die zijn werk zo onmiskenbaar maakt: het is geschreven vanuit de wetenschap dat de grens tussen beheersing en overgave altijd poreus is, en dat juist in die porositeit de grootste verhalen ontstaan.
