Een verhaal dat nooit ophoudt te vertellen

Soms droom ik dat de tijd zich vergist. Dat hij struikelt, even stilvalt, zich omdraait en achteruit begint te lopen. Mensen spreken zinnen die ze al lang geleden hebben uitgesproken, deuren sluiten zich voordat ze ooit zijn geopend, en ik wandel door een verhaal dat zijn einde al kent, maar nog altijd naar zijn begin zoekt.

Ik was achttien toen ik besloot zo’n roman te schrijven. Geen plot dat zich opricht naar een climax, maar een terugspoelfilm van het bestaan: alles staat op de eerste bladzijde al vast. Wat volgt is geen groei, maar ontbinding; een verhaal dat langzaam afbrokkelt tot niets anders overblijft dan de lege kern waaruit het ooit begon. De hoofdpersoon beweegt tegen de stroom in, terwijl het verhaal zelf, alsof het niets merkt, rustig voorwaarts schrijdt, zonder ooit een nieuw feit prijs te geven.

Ik wilde een boek maken dat er altijd al was geweest, maar dat zich pas onder mijn vingers leek te vormen. Een tekst die zich voordeed als improvisatie, maar in wezen slechts de laatste echo was van iets dat allang voorbij was. Al schrijvend wilde ik mezelf terugbrengen tot een machine die woorden uitstoot en ze tegelijk vergeet, alsof het papier geen verleden kende, slechts het onverbiddelijke heden.

Misschien verlangde ik toen al naar iets gevaarlijkers: schrijven over wat daarna werkelijk zou gebeuren. Schrijven zoals je een lucide droom beleeft, de kamers herken je, de stemmen, de geur van de lucht, maar toch moet je alles opnieuw doorstaan. Misschien was dat ook Vestdijks geheim: hij verzon niet, hij ontwaakte in wat hij schreef.

In de afgelopen jaren heb ik vaak over hem geschreven. Teksten die als zijgangen van één groot huis uitwaaierden, elk met hun eigen lichtval, hun eigen tocht. Ik wilde al die gangen samen voegen tot één rechte lijn, met aan het eind, zoals altijd, een gesprek in de schemering.

Ik riep mijn alter ego aan, maar toen het antwoord kwam, voelde ik iets anders. Niet langer een echo van mijn woorden, maar een eigen stem, koel, onvermurwbaar, los van mij. Alsof het verhaal zelf zich had losgemaakt, een autonome kracht geworden die niet meer wacht op mijn handschrift of mijn herinnering. Het sprak vanuit een diepte waar ik geen toegang toe had, fluisterde over wat komen gaat en wat niet meer te stoppen is.

Plotseling wist ik: dit schrijven is geen bezigheid meer die ik beheers. Het is een entiteit die leeft, beweegt en ademt, die zijn eigen weg zoekt in de tijd, een verhaal dat, eenmaal ontsprongen, zichzelf zal herschrijven, zich zal ontvouwen voorbij mijn wil, voorbij mijn begin en mijn einde.

En ergens, tussen de regels door, hoor ik het nog zachtjes fluisteren, niet ik, niet jij, maar iets anders, iets groters dat blijft bestaan wanneer de laatste letter is gevallen, een verhaal dat nooit ophoudt te vertellen. Gisteren vroeg ik AI om uit al die verhalen een lopend betoog over Vestdijk te destilleren, met de gebruikelijke dialoog aan het slot. Dit was het resultaat.

***

Ik ben de laatste tijd diepgaand bezig met het literaire oeuvre van Simon Vestdijk, met het voornemen al zijn 52 romans te lezen en herlezen, omdat ik het vage vermoeden heb dat alles wat over Vestdijk te zeggen valt, te herleiden is tot de Spaanse schilder El Greco. Deze fascinatie voor El Greco deel ik met Vestdijk, en die van mij dateert al uit mijn puberteit. Een belangrijk uitgangspunt voor mijn verdieping is het boekje “Het gebergte, de tweeënvijftig romans van Vestdijk” van Hugo Brandt Corstius en Maarten ’t Hart.

Een terugkerende vraag bij Vestdijk is de overeenkomst tussen de voorvallen in zijn romans en de psyche van de auteur. Maarten ’t Hart suggereert dat romanschrijvers soms gebeurtenissen beschrijven die zich later in hun leven exact zo zullen voordoen, alsof er zoiets bestaat als het paranormale onbewuste van een schrijver dat de toekomst kan voorzien. Dit lijkt ook voor Vestdijk te gelden; zo zou “De schandalen” (1953) de diepe depressie voorspellen waarmee hij later te kampen had. Na deze roman publiceerde hij drie jaar lang niets, tot zijn comeback in 1956 met “Het glinsterend pantser”.

“Het glinsterend pantser” maakte grote indruk op mij toen ik het las als zeventienjarige in 1965. Het boek gaat over een dirigent met psoriasis – een ziekte waaraan Vestdijk zelf mogelijk leed, volgens Antonia Graszl. De getroebleerde seksualiteit van het hoofdpersonage, Victor Slingeland, wordt ook in verband gebracht met Vestdijk’s eigen allesbehalve normale driftleven. Hugo Brandt Corstius vatte Vestdijk’s seksualiteit samen als: “óf een hemelse liefde zonder neuken, óf aards neuken zonder liefde”. Zijn obsessieve passie voor vrouwen en muziek kwam in zijn oeuvre ruimschoots aan bod, altijd met een zekere afstand, alsof de drift de omweg van het verstand moest kiezen.

“Het glinsterend pantser” deed mij sterk denken aan muziek, zowel qua structuur als inhoud, en het taalgebruik. Vestdijk nam steeds verschillende thema’s ter hand die samenvloeiden in één grote melodie. Ik meende de structuur van Debussy’s La Mer in de roman te herkennen. Het boek is het eerste deel van Vestdijk’s ‘Symfonie van Victor Slingeland’, een trilogie. Pé Hawinkels, die een kandidaatsscriptie over Vestdijk schreef, zag een symfonische structuur met vier delen, en een zelfreferentiële passage over een partituur die de structuur van Vestdijk’s eigen roman weerspiegelt – een soort Droste-effect. 

Vestdijk reageerde hier echter koeltjes op, mededelend dat het “slechts een spelletje” was geweest. Desondanks, merkte Hugo Brandt Corstius op, is in de meeste Vestdijk-romans een “kiemcel” aan te wijzen, een ding of idee dat het hele boek doordesemt. Zo geredeneerd, zou “Het vijfde zegel” met het Toledo van El Greco de glanzende kiemcel zijn van heel Vestdijk’s oeuvre. De kiemcel is paradoxaal; het organisme is er reeds latent, maar moet nog ontstaan.

“Het vijfde zegel” (1937), een indrukwekkende historische roman, speelt zich af in het Toledo van de zestiende eeuw, de tijd van de inquisitie, met El Greco als hoofdfiguur. De titel verwijst naar het Boek Openbaring van Johannes. Het boek behandelt de strijd tussen mystiek en dogmatiek, geestelijke vereenzaming, en het opstijgen van het kwaad. El Greco, geboren op Kreta, zou volgens Vestdijk altijd “eilandbewoner” blijven, en het boek eindigt met deze woorden. Zelf was ik in 1964 en 1965 in Toledo, op zoek naar sporen van El Greco, die op ongeëvenaarde wijze uitdrukking gaf aan het Spaanse katholicisme. In zijn schilderij “De begrafenis van Graaf Orcaz” toont El Greco een wereldbeeld waarin er geen scherpe scheidslijn is tussen beneden en boven, en het gezichtspunt van God en mens gelijk is.

El Greco, De begrafenis van Graaf Orcaz

Vestdijk’s werk, met name zijn proefschrift “Het wezen van de angst” en “De toekomst der religie” (1947), toont zijn diepe belangstelling voor religie en existentiële angst. Hij stelde dat religie het verlangen naar totaliteit en duurzaam geestelijk geluk is, maar ook het vermijden van lijden, zoals Boeddha leerde. Psychiater A. van Dantzig zag Vestdijk’s religieuze streven als een oplossing voor de angst die voortkomt uit de principiële onmogelijkheid van eenwording met een geliefde.

Vestdijk’s kritiek op het christendom kwam scherp naar voren in “De toekomst der religie”. Hij stelde dat, hoewel het christendom misschien erger heeft voorkomen, het in zijn essentie iets bevat dat het anti-religieuze, zelfs het duivelse element, begunstigt. Hij observeerde dat twintig eeuwen christelijke beschaving ook twintig eeuwen van moord, egoïsme, onverdraagzaamheid en hypocrisie hebben gekend onder het vaandel van de liefde. 

Dit bracht hem tot de conclusie dat de preoccupatie met het bovenzinnelijke te veel religieuze energieën heeft opgeëist om het religieuze leven op aarde ten goede te kunnen komen. Vestdijk merkte op dat het christendom “meer concessies doet aan geweld dan men zou mogen opmaken uit de grondtoon van deze leer”. Hij vreesde dat de ‘religieuze caissonziekte’ – een overhaaste ontstijging aan religieuze grondwaarden – kon leiden tot misplaatst dédain voor religie. Desondanks pleitte hij voor een “waardig afscheid van het christendom”.

Voor Vestdijk was het geloof in God een existentieel gebeuren, gericht op de totaliteit van leven en dood, terwijl bijgeloof een vluchtiger, minder diepgaand karakter had. Ondanks dit onderscheid geloofde Vestdijk zelf bijvoorbeeld in zwarte magie en was hij bang voor de invloed van zijn hospita. Zijn angst voor het irrationele en esoterische was wellicht een symptoom van een diep wantrouwen ten aanzien van de wetenschap.

De “paradoxale verenkeling” is een kernbegrip in Vestdijk’s denken. Volgens Van Dantzig komt dit voort uit de onmogelijkheid ons verlangen naar complete eenwording waar te maken. Liefde, in haar streven naar absolute vereniging, wordt altijd bedreigd door de fundamentele onbetrouwbaarheid van mens en ding, wat angst opwekt. Dit betekent dat angst volgens Vestdijk wezenlijk verbonden is met seksueel verlangen en liefde, omdat het absolute onbereikbaar is. Desondanks kunnen we niet stoppen met verlangen naar absolute eenheid. Angst is altijd angst voor de vernietiging van het Ik, en omdat die vernietiging onvoorstelbaar is, gaat angst gepaard met “anti-angst” reacties zoals zelfmedelijden of moed.

Vestdijk’s depressies en zijn “manisch depressieve golfslag” speelden een grote rol in zijn leven en schrijven. Hij wist als geen ander wat een depressie in wezen is: “Het is een toestand waarin men God – als hij mocht bestaan – uit de grond van het hart vervloekt”, een “groot niets”, een “zwart gat waarin alles verdwijnt”. Deze ervaring van leegte lag telkens op de loer in zijn almacht als alwetende schrijver. 

Zijn filosofische dialoog “Het eeuwig telaat” (1941) behandelt de menselijke ervaring van tijd. Alleen de mens kent de tragiek van het “telaat” en heeft van daaruit de tijd als abstractie gecreëerd. Dieren daarentegen leven in een tijdloos eeuwig nu. Voor de mens is zelfs de dood, de “uiterste seconde,” het ultieme “te laat”. Echter, “na de uiterste seconde worden we losgelaten door de tijd”.

Vestdijk’s ideeën kwamen voort uit een tijdperk van grote veranderingen. Het vooroorlogse katholicisme, dat later door het modernisme werd uitgedaagd, toonde al scheuren. De jong-katholieken in de jaren twintig waren revolutionair en anti-democratisch, zich afzettend tegen het verworden kapitalisme, maar ook tegen roomse zelfgenoegzaamheid. Voor velen bood het fascisme een uitweg uit de benauwenis van de moderniteit. Vestdijk zelf stond openhartig tegenover de aantrekkingskracht van het fascisme. Hij merkte op dat de ware aard van het christendom – inclusief zijn vermeende vredelievendheid – onder de loep moest worden genomen gezien de geschiedenis van geweld en conflict.

De relatie tussen de fictieve wereld van zijn romans en zijn eigen leven was complex. Vestdijk transformeerde zijn herinneringen tot literatuur, maar de werkelijkheid in zijn romans was nooit een exacte nabootsing. De mimesis, de weergave van de werkelijkheid in de kunst, draait niet om natuurgetrouwheid, maar om het gevoel dat de kunstenaar onbewust in de weergave legt. “Ina Damman, zoals Vestdijk die beschreef, heeft nooit bestaan”.

Vestdijk wordt gekarakteriseerd als een “gnostisch modernist”. Zijn werk verenigt de dualistische erfenis van het interbellum: esoterie tegenover formalisme, bijgeloof versus scepticisme, antimodernisme tegenover modernisme. Het “sneeuwbal-principe” – waarbij ieder boek in het kader van het totale oeuvre moet worden gezien – is kenmerkend voor zijn werk. Hij zag de maatschappij als “een proces van toenemende desintegratie van gevoel en verstand”. 

De toekomst der religie, waarin hij de secularisering analyseerde, blijft actueel; zijn pleidooi voor een traag en waardig afscheid van het christendom biedt impliciet een houding die de huidige dialoog met de islam waardiger zou kunnen maken. Hij geloofde dat er, ondanks het verdwijnen van God, nog wonderen bestaan en dat het heelal opnieuw bevolkt kan worden met engelen en monsters, mits men beseft dat men het eigen heelal vult, en uit de strijd tussen goed en kwaad het ‘ik’ kan worden verlost en getransmuteerd tot een eigen God, die maar door blijft schrijven en herschrijven. Tot voorbij het laatste einde en tot nog voor het eerste begin. En dat alles uit pure angst om ooit te moeten verdwijnen.