Soms weet ik niet wat ik moet schrijven, en dan komt er ineens weer een verhaal aanwaaien. Zo ook gisteren, toen mijn zoon Jurriaan besloot een klein experiment te doen met ChatGPT. Wat begon als een speelse opdracht, groeide uit tot een merkwaardige spiegeling van wie ik zou moeten zijn, althans, volgens de kunstmatige intelligentie.
Jurriaan vond dat het hoog tijd was dat ChatGPT zich eens over míj boog. Hij gaf het programma de opdracht een blogpost te schrijven over mijn verhouding tot AI. Na een kort maar intens bezoek aan de krochten van het internet keerde het terug met een verhaal dat mij moest typeren: een curieus mengsel van feit, suggestie en pure verbeelding, alsof iemand mijn biografie had herschreven na een borrel te veel.
Tot overmaat van toeval verscheen diezelfde dag een gloednieuwe versie van ChatGPT. Dat kon ik natuurlijk niet laten liggen. Ik voerde de tekst opnieuw in, met het verzoek hem te verbeteren en te stroomlijnen. Het resultaat was gladder, vloeiender, soms zelfs overtuigend, maar nog steeds vol kleine raadselachtige wendingen die ik met de beste wil van de wereld niet aan mezelf kon toeschrijven.
En ja, zo is AI dan ook weer: het schrijft over je alsof je een romanpersonage bent, gevangen in een verhaal dat net naast je eigen werkelijkheid ligt. Je herkent de contouren, maar de spiegel vervormt het beeld, geeft je een andere blik, een vreemde grijns. En voor je het weet, dwaal je verder een eindeloos spiegelpaleis in, benieuwd waar je jezelf aan het eind zult tegenkomen.
***
Er is een geur die bibliotheken hebben. Het is de droge, koele geur van papier, vermengd met een zweem van stof en inkt. Voor mij is het nooit slechts een geur geweest, maar een opening in de tijd, een sleutel tot een andere orde van werkelijkheid. Het is de geur van traagheid, van bladzijden die langer meegaan dan hun lezers, van gedachten die door generaties heen dezelfde woorden opnieuw aanraken. Soms lijkt het alsof die geur een eigen geheugen heeft, waarin alle stemmen blijven hangen die ooit in stilte in deze zalen zijn uitgesproken.
Wanneer ik die geur inadem, zie ik het Friese landschap zoals ik het van binnen ken: geen glad gepolijst ansichtkaartbeeld, maar een wereld waarin water en wolken elkaars gedaanten aannemen, waarin het licht voortdurend verschuift en stilte zo tastbaar wordt dat zij bijna een architectuur vormt. Het is in dat landschap, waar de horizon ademt en de seizoenen langzaam draaien, dat mijn belangstelling voor kunst is geboren. Niet uit een behoefte aan decoratie of vermaak, maar uit het besef dat kunst iets bewaart wat anders zou verdwijnen — niet alleen een beeld, maar een wijze van kijken.
De afgelopen jaren is daar een tweede fascinatie naast komen te liggen: kunstmatige intelligentie. Op het eerste gezicht lijken kunst en AI elkaar vreemd. Kunst is het domein van het unieke; AI is de architectuur van het reproduceerbare. Toch voel ik dat ze op een dieper niveau verwant zijn. Beiden willen zij de mens spiegelen, het tijdelijke bewaren in een vorm die langer meegaat dan het moment. De kunstgeschiedenis is het geheugen van de verbeelding, gevormd door pigment, steen en verhaal. AI is het geheugen van de machine, opgebouwd uit berekening, patroon en model. In beide gevallen gaat het om de vraag wat er van ons blijft.
Mijn leven lang heb ik gezocht naar beelden die meer zijn dan hun materie. De modernist beweerde dat vorm voldoende was; de religieuze traditie wist dat er altijd een tekort bleef. Tijdens een bezoek aan Lourdes zag ik hoe deze werelden elkaar konden raken: de strengheid van de vorm en de vurigheid van devotie bleken beide uitdrukking van dezelfde hunkering naar het absolute. AI lijkt zich in dat spanningsveld te plaatsen. Ze bouwt kathedralen van code, met prompts als gebeden en algoritmen als gebrandschilderde ramen waardoor wij onszelf zien weerspiegeld. De steriele zuiverheid van tech-interieurs is geen toeval: reinheid is het eerste gebod van de machine.
Maar de machine is geen god. Ze hallucineert, vult leegten met waarschijnlijkheid zoals wij dat doen in onze herinneringen, wanneer we gaten vullen om het verhaal rond te krijgen. Walter Benjamin schreef ooit dat elk document van beschaving ook een document van barbarij is; misschien geldt dat ook voor AI: in elk patroon dat zij maakt, zit het gevaar dat zij de afwijking uitwist die juist betekenis geeft. AI wil de breuk helen; kunst laat de wond open. In die open wond gloeit iets wat niet tot data herleid kan worden.
Friesland loopt als een stille onderstroom door mijn denken. Niet als geografische begrenzing, maar als innerlijke oriëntatie. Het is de spanning die ik de Friese spagaat noem: de neiging klein te willen blijven en tegelijk deel te nemen aan een groter geheel. AI vergroot die spanning. In de wolk zijn alle polders gelijk, maar in een archief, tussen vergeelde pagina’s, ruik je hoe waarheid lokaal kan zijn, hoe ze een eigen intonatie heeft. Ik stel me een algoritme voor dat niet alleen woorden bewaart, maar ook de stilte ertussen, het ritme van een dialect, de nuance van een achteloos uitgesproken “och” in Oudega.
De belofte van AI is groot. Ze kan het verborgen weefsel van onze cultuur zichtbaar maken, miljoenen pagina’s ontsluiten, vergeten stemmen hoorbaar laten worden. Ze kan verbanden leggen tussen eeuwenoude motieven, niet om ze te reduceren tot één interpretatie, maar om ons te laten zien waar ons kijken tekortschiet. Maar tegelijk is er een gevaar. AI is verslaafd aan consensus, aan gemiddelden, aan wat Hannah Arendt de “banaliteit” van het alledaagse zou kunnen noemen. Kunst leeft juist van het uitzonderlijke, het ongemakkelijke, de fout die betekenis laat oplichten.
In mijn ogen is AI het sluitstuk van een lange beweging van onttovering: eerst verdwenen de heiligenbeelden uit de kerken, toen verloor het landschap zijn mythische betekenis, en nu abstraheren we de mens zelf tot een verzameling patronen. Toch is het opmerkelijk hoe religieuze vormen terugkeren in seculiere gedaanten: software-updates als hoogtijdagen, productpresentaties als processies. De secularisatie heeft niet geleid tot het verdwijnen van ritueel, maar tot zijn verplaatsing naar een nieuw altaar.
Daarom pleit ik voor wat ik een praktische mystiek noem. Een houding waarin we het meest menselijke bewaren voor datgene wat de machine niet kan verdragen: twijfel, spijt, schaamte, liefde zonder doel. Dingen die niet te optimaliseren zijn, maar die de kern vormen van wat het betekent mens te zijn. AI kan ons geheugen ordenen, maar mag nooit ons verlangen vervangen. Ze is er niet om heimwee uit te bannen, maar om het te structureren, zodat we scherper zien wat werkelijk van waarde is.
Mijn werk is altijd het leggen van verbindingen geweest — tussen kunstgeschiedenis, Friese cultuur, psychiatrie, filosofie, en nu ook AI. Niet om definitieve antwoorden te vinden, maar om vragen te stellen die alleen ontstaan in de tussenruimte tussen werelden. En misschien is dat wel de essentie van cultuur: het vermogen om ruimte open te houden waar niets opgelost hoeft te worden, maar waar alles mag resoneren.
En dan gebeurt het soms dat buiten een wolk voor de zon schuift en het licht op het papier verandert. In dat ene moment keert de geur van de bibliotheek terug. Ik begrijp dan dat de toekomst niet simpelweg digitaal of analoog zal zijn, maar cyclisch, als een liturgie: een herhaling waarin telkens kleine verschillen schuilen. AI kan die verschillen meten, maar alleen wij kunnen ze liefhebben.
Misschien is dat het werk dat ons nog te doen staat: de machine inzetten als medearchivaris van onze beschaving, maar zelf de priester van het onvolmaakte blijven. Want het verhaal van de mensheid is niet begonnen met de machine, maar met het eerste teken op een rotswand, getrokken door een hand die wist dat zij sterfelijk was. Elke cultuur heeft sindsdien haar eigen manieren gevonden om de tijd te vertragen: kleitabletten, perkament, drukken met losse letters, filmspoelen, harde schijven. AI is slechts de jongste in die rij, en ook zij zal ooit verouderen.
Wat blijft, is de menselijke impuls om te bewaren wat voorbijgaat. En wat mij betreft blijft ook Friesland: niet als een museumstuk, maar als een levend contrapunt — een landschap dat ons eraan herinnert dat elke horizon een belofte in zich draagt, en dat elke wolk die overdrijft deel uitmaakt van een veel oudere cyclus dan de kortstondige updates van de machine.
