Nogmaals, kan AI wel goed samenvatten?

Afgelopen zondag vroeg ik mij op dit blog of AI beter kan samenvatten dan een mens. Vandaag heb ik opnieuw de proef op de som genomen. Ik heb de tekst van mijn manuscript De waan van het schrijven, Harry Mulisch en de creatieve psychose voorgelegd aan AI met de vraag of hij dit ook kon samenvatten in zo’n 500 woorden. Eerder al had ik zelf zo’n samenvatting gemaakt, zodat opnieuw een vergelijking mogelijk wordt. Eerlijk gezegd vind ik nu de samenvatting van mijzelf duidelijk beter. Tot slot heb ik AI een videofilmpje (een soort power-point) laten maken van de tekst. Dat filmpje vind ik weer een stuk beter dan de AI-samenvatting in woorden. Al is het wel zo, dat in dit filmpje een eigenzinnige interpretatie van de tekst tot uiting komt. Die interpretatie is beslist niet verkeerd, integendeel. Maar dit alles roept wel de vraag op: wat is nu eigenlijk een goede samenvatting? Hier volgen de resultaten, en oordeel zelf.

De samenvatting van AI

In deze tekst wordt een vergelijking getrokken tussen de chaotische aard van psychose en de structuur van literaire creatie, waarbij begrippen als ‘autocreatie’ en de Möbius-ring worden ingezet om de zelf-referentiële en paradoxale aspecten van waanzin en kunst te illustreren. De tekst bespreekt ook de invloed van technologische vooruitgang op het menselijk bewustzijn en de perceptie van de werkelijkheid, en relateert dit aan filosofische ideeën over de ‘dood van God’ en de opkomst van kunstmatige intelligentie. Uiteindelijk stelt de auteur dat psychose niet enkel een verstoring is, maar ook een potentieel inzicht biedt in een diepere, magische verbinding tussen geest en realiteit, en een spiegel vormt voor bredere maatschappelijke en historische verschuivingen in het tijdsbesef.

Centraal hierbij staat de diepgaande relatie tussen schrijven en psychose, in het bijzonder door het werk van Harry Mulisch en de persoonlijke ervaringen van de auteur, Huub Mous, te belichten. Mulisch kende op tweeëntwintigjarige leeftijd, tussen juni 1949 en mei 1950, een psychotische episode die hij omschreef als een “vulkanische uitbarsting van openbaringen of boodschappen”. Hij beweerde dat het schrijven van zijn debuutroman, archibald strohalm, een alchemistisch ritueel was waarmee hij deze stroom van ideeën kon bedwingen en zo “geestelijk gezond werd in het domein van de werkelijkheid”, een proces dat hij “autocreatie” noemde. Mulisch zag schrijven als een “vanzelf gaan” proces, leidend tot een gevoel van almacht en grandiositeit. Hij stond sceptisch tegenover psychiaters, wat hij in zijn aantekeningen en boeken uitte.

De auteur beschouwt zijn eigen psychose in 1966, ook in zijn achttiende levensjaar, als een “integrerend desintegratieproces”, een intense maar uiteindelijk integrerende ervaring die de basis vormde voor een levenslang groeiproces door schrijven. Schrijven dient voor hem als een middel om innerlijke spanningen te uiten en te verwerken. De psychose, zowel bij Mulisch als bij de auteur, bracht een fundamentele verandering in het tijdsbesef teweeg, leidend tot een verdwijning van het heden, een gevoel van gelijktijdigheid of zelfs een “verstening van de tijd”. Deze ontregeling van tijd en het besef van het verdwijnen ervan werden centrale thema’s in Mulisch’ oeuvre.

De taal van een psychoticus kenmerkt zich door neologismen, alliteraties en een verstoring van basale structuurelementen zoals persoonlijke voornaamwoorden (‘ik’, ‘jij’, ‘hij’). Deze taaltransformatie wordt vergeleken met het formalisme van het modernisme, waar “representeren presenteren wordt” en de nadruk ligt op de uiterlijke vormen van taal. Het boek verkent de vraag of de psychotische ervaring kan worden gesublimeerd in literaire vorm en bekritiseert de terughoudendheid van literatuurcritici om Mulisch’ werk expliciet met zijn psychose in verband te brengen, ondanks duidelijke aanwijzingen in zijn geschriften. Mulisch’ fascinatie voor “het nietsende niets” en de techniek als “het lijk van God” worden eveneens verbonden met zijn psychotische ervaringen.

In een bredere context wordt de psychose gezien als een wanhopige revolte tegen de mechanisering van het wereldbeeld en de tirannie van de tijd, een strijd die ook in de hedendaagse cultuur, gekenmerkt door snelle technologische vooruitgang en kunstmatige intelligentie, relevant is. De tekst werpt de vraag op of AI-programma’s, die al de indruk van psychotische taal kunnen wekken door programmeerfouten of onjuiste trainingsdata, uiteindelijk ook “psychotisch” kunnen worden en de grenzen tussen waan en werkelijkheid kunnen vervagen. De auteur reflecteert op de geologische gelaagdheid van de psyche en de noodzaak om psychose te benaderen als een proces dat diep geworteld is in het menselijk bestaan en de culturele tijdgeest, voorbij de louter medische symptoombeschrijvingen. Het is een pleidooi voor een dieper begrip van waanzin als bron van creativiteit en inzicht, niet alleen als stoornis.

De samenvatting van mijzelf

Mulisch was een schrijver wiens werk sterk beïnvloed werd door de Tweede Wereldoorlog, de tijd waarin hij opgroeide. Minder bekend is dat hij op zijn tweeëntwintigste een psychotische episode heeft doorgemaakt. In beschouwingen over zijn werk wordt dit dramatische gebeuren doorgaans slechts summier vermeld. Toch heeft hij hier meerdere malen zelf over geschreven, zij het in bedekte termen. Van juni 1949 tot mei 1950 werd hij overvallen door een vulkanische uitbarsting van openbaringen of boodschappen. In de periode daarvoor was hij begonnen aan zijn debuutroman Archibald Strohalm, die uiteindelijk in 1951 zou verschijnen.

Na de explosie van indringende beelden is hij deze roman gaan herschrijven, waarbij hij zich verplaatste in de geestesgesteldheid van de hoofdpersoon: ‘Waar Strohalm faalde, slaagde ikzelf,’ verklaarde hij later in een interview. Anders gezegd: het schrijven zelf veranderde in een alchemistisch proces, waarmee hij de losgebroken stroom van ideeën kon bedwingen en de razernij uiteindelijk kon uitdrijven. De schrijver raakte al schrijvend de weg kwijt in zijn hoofd, en reproduceerde zichzelf tegelijkertijd in de destilleerkolf van zijn schrijfsels. Dat is de alchemie van het psychotisch schrijven, een proces dat Mulisch zelf ‘de autocreatie’ noemde.

Bij Mulisch heeft deze vroege psychotische ervaring aan de basis gelegen van een indrukwekkend literair oeuvre. Met ‘het vanzelf gaan’ van het schrijven kan ook een schrijver op weg gaan. Een psychotische ervaring kan, op afstand bezien, deel uitmaken van een bredere ontwikkeling – niet alleen in het leven van het betreffende individu, maar ook in de context van ingrijpende veranderingen die zich onderhuids voltrekken in de cultuur.

Afwijkende vormen van taalgebruik worden tegenwoordig in de psychiatrie systematisch onderzocht. Dit onderzoek krijgt nieuwe impulsen door de ontdekkingen op het terrein van kunstmatige intelligentie. De vraag rijst of een psychose te herleiden is tot een defect in een onderliggend systeem van de taal. Anderzijds heeft de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie invloed op ‘de mythe van het schrijverschap’, die voor Mulisch heel belangrijk was. Door de opkomst van schrijvende machines komen ook de ideeën van Mulisch over de snel oprukkende technologie – waarin hij ‘Het lijk van God’ herkende – in een nieuw licht te staan.

Door mij te verdiepen in het werk van Mulisch ontdekte ik dat zijn manier van schrijven, en vooral ook het ontstaan van zijn schrijverschap, een bijzonder verhaal vertellen over de psychose als ‘integrerend desintegratieproces’. Medische verhandelingen over de psychose focussen doorgaans op de psychische symptomen op de korte termijn. Ze besteden weinig aandacht aan het geestelijk langetermijnperspectief in termen van groei en ontwikkeling. Als je uitzoomt naar de ontwikkelingsgang in een mensenleven, of naar een breukvlak in de cultuur, neemt de psychose een andere gedaante aan.

Dat gegeven staat centraal in dit boek. Tegelijk onderneem ik een reis terug in de tijd, naar mijn eigen psychotische ervaringen in 1966, toen ik achttien jaar oud was. Het manuscript dat ik destijds in de aanloop naar mijn psychose heb geschreven, is helaas verloren gegaan. Dat was een eigentijdse vertaling van de Belijdenissen van Augustinus. Het was ook mijn eigen autocreatie, waarmee ik mij niet bekeerde tot God, maar juist van mijn geloof afviel. Met Mulisch in de spiegel ben ik op zoek gegaan naar mijn ontsporende gedachten over het schrijven dat vanzelf gaat. Zo ontstond een reconstructie van mijn eigen alchemie van het psychotisch schrijven.