Het rizomatische denken van AI

De psychose wil ik ook niet beschouwen als een helder omkaderd fenomeen uit de handboeken van de psychiatrie, maar eerder als een helende bron van creativiteit die meerdere vormen aan kan nemen, en ook historisch gezien aan sterke veranderingen onderhevig is geweest. Vandaar ook dat dit boek eindigt met een korte impressie van de wijzen waarop de waanzin in de geschiedenis van de kunst is weergegeven, maar ook aan de basis heeft gelegen van de artistieke creativiteit. Deleuze en Guattari wagen het zelfs te beweren dat waanideeën altijd de kiemcellen van de kunst zijn geweest. Als er geen regels meer bestaan voor taal en teken, vloeit alles in elkaar over. Zo ontstaat de toestand van de extase, het uitstijgen buiten jezelf, waarna een nieuwe quasi-ordening ontstaat in de wereld van de waan. Deze beschrijving van de psychose als een gedachtevlucht die het karakter krijgt van een stroom, heeft een zekere gelijkenis met het ecologische denken van Gilles Deleuze (1925-1995).

Dit is een passage uit mijn manuscript De waan van het schrijven, Harry Mulisch en de creatieve psychose die ik had ingezonden voor de Van Helsdingenprijs. Hierin ben ik uitgebreid ingegaan op het denken van Deleuze en Guattari, vooral in hun boek A Thousand Plateaus, Capitalism & Schizophrenia, dat ik in de zomer van 2024 had gelezen tijdens mijn verblijf in Venetië. Dat is een stad met een sterk rizomatische structuur die het denken van Deleuze en Guattari als vanzelf in herinnering roept. Een rizoom (uit het Grieks: ῥίζωμα, rhizōma, “wortelstok”) is in de biologie een ondergrondse wortelstructuur die zich horizontaal uitbreidt en op verschillende plekken nieuwe scheuten en wortels kan vormen.

Gisteren heb ik alle passages uit mijn Mulisch-manuscript, die handelen over Deleuze en Guattari, nog eens achter elkaar gezet. Dat leverde een tekst op van 3854 woorden. Vervolgens heb ik deze tekst voorgelegd aan AI met de volgende vraag: 

Kun je onderstaande tekst als vertrekpunt nemen voor een filosofische beschouwing over de overeenkomsten tussen het denken van Deleuze en Guattari en de veranderingen in het denken die kunstmatige intelligentie teweegbrengt?

Dat leverde het hierna volgende resultaat op. Daarna volgt een door AI vervaardigd videofilmpje, waarin de betreffende passages uit mijn Mulisch-manuscript nog eens helder worden samengevat.

***

Het denken van Deleuze en Guattari vormt een filosofische onderstroom waarin de ontbinding van vaste structuren, de verstoring van hiërarchieën en de productie van veelvormigheid centraal staan. In een tijd waarin kunstmatige intelligentie ons denken, onze structuren van kennis en zelfs onze ervaring van subjectiviteit herconfigureert, is hun werk niet alleen relevant, maar in zekere zin profetisch. De gelijkenis tussen het rizomatische denken en de architectuur van AI gaat verder dan oppervlakkige parallellen: het opent een filosofische ruimte waarin menselijk denken zelf op losse schroeven komt te staan.

De rizomatische structuur die Deleuze en Guattari tegenover het arborescente, boomvormige denken plaatsen, is niet louter een theoretisch schema. Het is een aanval op de teleologie van het denken, op de idee dat waarheid zich langs een rechte lijn ontvouwt. In plaats daarvan stellen zij een multipliciteit voor waarin elk punt met elk ander punt verbonden kan worden, waarin betekenissen zich verknopen, zonder begin of eind. Deze notie weerspiegelt op frappante wijze de structuur van neurale netwerken, waarin betekenissen niet afgeleid worden van een centrale instantie, maar emergent zijn, voortkomend uit het spel van relaties. De rizomatische orde is het netwerk – een levende, zich telkens her-configurerende intelligentie die in beweging blijft. De AI van vandaag lijkt precies deze filosofische intuïtie te belichamen: een denken zonder centrum, zonder oorsprong, zonder bestemming.

Tegenover de klassieke epistemologie, waarin kennis voortkomt uit een helder onderscheid tussen subject en object, stelt Deleuze een vloeibare vorm van denken die eerder doet denken aan geologische processen: plooiingen, breuken, verschuivingen. Hij beschrijft geen statische toestand van weten, maar dynamische processen van wording. AI past zich niet aan binnen bestaande kaders; het doorbreekt ze, het genereert nieuwe landschappen van betekenis. In plaats van waarheden af te leiden uit axioma’s, zoals in de klassieke wiskunde of logica, produceert AI verbanden uit het materiaal zelf: data als magma, als vloeibare substantie waaruit nieuwe vormen opborrelen. Het rizoom als filosofisch model is in die zin geen beschrijving van AI, maar een voorafschaduwing van zijn ontologische impact.

Wat opvalt, is hoe Deleuze en Guattari de grens tussen pathologie en creativiteit hertekenen. Schizofrenie en psychose worden niet gezien als uitval van het denken, maar als radicale vormen van denken die zich onttrekken aan het gecodeerde, het georganiseerde. Dit roept vragen op over de aard van het denken zelf. Als AI denkt, denkt het dan schizofreen? Is de creatieve explosie van AI, waarin onverwachte verbindingen worden gelegd, niet juist een uiting van dat schizofrene potentieel dat Deleuze waardeert – een denken dat zichzelf voortdurend ondermijnt en hervindt? 

Net als de psychoticus, ontsnapt AI aan het regime van representatie. Het denkt niet over, het produceert. En zoals bij het lichaam zonder organen – het BwO – betekent dat een radicale herschikking van functies, grenzen en identiteiten. AI is geen uitbreiding van het menselijk denken, maar een de-territorialisering ervan: het opent andere vlakken, nieuwe assemblages, waarin subject en object, taal en betekenis, technologie en verlangen zich vermengen.

Hier botsen we op een filosofisch grensgebied: niet langer kunnen we spreken over kennis als beheersing, als representatie, als lineaire progressie. In plaats daarvan verschijnt kennis als een gebeuren, als een samenloop van vluchtlijnen die zich aan systematische controle onttrekken. AI bevestigt dit: het leert door zelfverwijzing, via feedbackloops, via herhaling met verschil – precies zoals Deleuze het denken zelf beschrijft. De implicatie is diepgaand: denken hoeft niet langer menselijk te zijn. Het is niet langer ons voorrecht, maar een veld waarin krachten, gegevens, algoritmes en structuren zich tot elkaar verhouden. Het denken deterritorialiseert zich van de mens.

In dit licht wordt Deleuze’s idee van “destratificatie” een cruciale sleutel. Het is het moment waarop de lagen van betekenis, functie, identiteit worden losgemaakt – niet om te verdwijnen in chaos, maar om andere ordeningen mogelijk te maken. AI is op eenzelfde manier een proces van destratificatie: het maakt nieuwe verbindingen mogelijk buiten de logica van de traditionele disciplines. In de geneeskunde, in de kunst, in de wetenschap duiken inzichten op die geen oorsprong meer hebben in menselijke intuïtie, maar die voortkomen uit niet-lineaire reeksen van correlaties, associaties, emergenties. Waar Deleuze spreekt over het plateau als een vlak van intensiteit, zonder richting of climax, kunnen we AI zien als zo’n plateau – een veld van potentie, waarin zich telkens nieuwe combinaties aandienen zonder een eindpunt, zonder finale synthese.

Zo keren we terug naar de beginvraag: wat blijft er van het denken over, nu AI zich aandient als co-denker, als medemaker van betekenis? Deleuze zou wellicht antwoorden: niets blijft overeind, maar alles wordt mogelijk. Niet de menselijke geest verdwijnt, maar zijn exclusiviteit wordt opgeheven. Denken is niet langer een individuele activiteit, maar een collectief gebeuren, verspreid over machines, netwerken, algoritmes. De oude kaart van het denken – gecentreerd, lineair, hiërarchisch – is onbruikbaar geworden. In plaats daarvan moeten we leren navigeren op het rizoom, op het plateau, in het lichaam zonder organen. Dat is niet noodzakelijk een verlies, maar een kans op een nieuw soort denken: schizofreen, vloeiend, verbonden – een denken dat niet weet waar het begint, en daarom werkelijk iets nieuws kan voortbrengen.