Kan AI beter samenvatten dan een mens?

De laatste dagen heb ik mijn boek Het algoritme van de waan, naoorlogse geschiedenis van een babyboomer nog eens in zijn geheel herlezen. Eerder liet ik al weten dat ik achteraf bezien niet zo tevreden ben met dit boek. Ik heb me wat vertild aan aan de zwaarte van het onderwerp. In dit boek wordt heel wat overhoop gehaald. Vaak levert dat best zinnige – en soms zelfs diepzinnige – gedachten op. Maar al met al had mijn betoog ook wel wat meer structuur mogen hebben. Dat zou de leesbaarheid in ieder aanzienlijk hebben verbeterd.

Ook vind ik nu dat ik wel erg veel waarde hecht aan de invloed die het wegvallen van transcendentie zou hebben gehad op allerlei kwalijke ontwikkelingen. Anderzijds wijs ik omstandig op de negatieve gevolgen van het ontstaan van de transcendentie in het vroege christendom, met onlosmakelijk daarmee verbonden: de eschatologische visie op de geschiedenis. Vooral die laatste ontwikkeling zou een soort “blauwdruk in negatief”  hebben geleverd voor de denkwijze van Hitler. Hoe dat alles met elkaar te rijmen is- enerzijds de impact van de secularisatie en anderzijds de negatieve invloed van het christendom op Hitler – behoeft wel wat meer toelichting, vind ik nu.

Wat ik achteraf vooral mis is een kernachtige samenvatting van wat ik met dit boek in wezen heb willen beweren. Daarom heb ik zo’n samenvatting zelf nog eens geprobeerd te formuleren. Dat leverde een beknopte tekst op van 849 woorden. Daarna heb ik aan AI gevaagd hetzelfde te doen. Dat leverde een vergelijkbare tekst op van 880 woorden. Die tekst van AI verschilt inhoudelijk nogal van mijn eigen samenvatting.

Dat levert natuurlijk de vraag op: wie kan er nu beter samenvatten: AI of een mens, in casu ik? Ik wil daar zelf geen uitspraak over doen, maar laat hieronder beide samenvattingen zien. De eerste is van mijzelf, de tweede van AI.

(1) De samenvatting van mijzelf

Over het kwaad bestaan in de geschiedenis van het denken twee fundamenteel verschillende opvattingen. Enerzijds is er de dualistische, manicheïstische visie waarin goed en kwaad als zelfstandige krachten tegenover elkaar staan. Anderzijds bestaat de augustiniaanse, meer relativistische visie, waarin het kwaad niet als een zelfstandige macht geldt, maar als de afwezigheid van het goede.

Lange tijd heeft het christendom zich aan deze laatste opvatting vastgehouden: God is liefde, en het kwaad heeft geen eigen essentie maar slechts een parasitair bestaan. De Holocaust echter heeft deze gedachtegang fundamenteel ondergraven. Het kwaad bleek een eigen realiteit te hebben, tastbaar, systematisch, georganiseerd, waarmee impliciet een terugkeer naar een dualistische visie werd afgedwongen.

Ironisch genoeg draagt het nationaalsocialisme, dat in zijn uiterlijke vorm het christendom leek af te wijzen, in zijn diepere structuur een verwrongen spiegelbeeld van de christelijke geloofsleer. Hitler werd niet zelden geïnspireerd door een johannitische, apocalyptische versie van het christendom. Het idee van een zuivering, een Laatste Oordeel, een messianistische toekomst keert op een perverse manier terug in het nazisme. 

Als er een God bestaat, zo dringt onwillekeurig de gedachte zich op, dan moet het kwaad ook in God zelf besloten liggen. De secularisering die na de oorlog versneld doorzette, heeft echter geen nieuwe metafysische visie op het kwaad voortgebracht. Integendeel: ze heeft eerder bijgedragen aan een versluiering van de demonische kern van figuren als Hitler. Het onvermogen om de zin van het kwaad en het menselijk lijden te onderkennen is wellicht een belangrijk kenmerk van onze seculiere tijd.

Met het verdwijnen van begrippen als erfzonde, godsoordeel en transcendentie is ook het kader weggevallen waarin schuld collectief kon worden begrepen en gedragen. Wat overbleef, is een cultuur die collectieve schuld niet meer kan verwerken, en zich daarom terugtrekt in narcistische varianten van spijt:  sorry zeggen als ritueel, een excuuscultuur die nergens toe leidt. De lange schaduw van Hitler werkte intussen door in de cultuurgeschiedenis van de naoorlogse periode. Zowel het modernisme en de wederopbouwperiode – met zijn “schoongewassen stilte” – alsook de opstandige jaren zestig, en later het postmodernisme met zijn afscheid van de grote verhalen, alle leverden elk hun eigen Hitler-beeld op.

Vooral de jaren zestig vormden een keerpunt. De babyboomgeneratie keerde zich tegen hun ouders, die zij als moreel lafhartig ervoeren vanwege hun houding in de oorlog. Babyboomers speelden voor verzetsheld, zonder zelf ooit in die werkelijkheid van het verzet geleefd te hebben. Deze morele imitatie leidde uiteindelijk tot radicalisering: in de jaren zeventig kreeg het een gewelddadig vervolg in de opkomst van links-terroristische bewegingen. Tegelijk keerde in die periode ook de Romantiek terug, met haar verheerlijking van de natuur.

Maar ook dit keerpunt bevat een gevaar: de omkering van morele categorieën is in de Romantiek niet uitzonderlijk. William Blake en Markies de Sade zijn slechts twee uitersten van eenzelfde beweging waarin het tegengestelde evengoed verheerlijkt kan worden. Dit vermogen tot omkering was ook cruciaal voor het nationaalsocialisme. Het regime creëerde een fictieve wereld die van bovenaf met terreur werd opgelegd en van onderop massaal werd geaccepteerd. Het viraal gaan van de waan werd daarmee een structureel element van de totalitaire staat.

Door het verdwijnen van het besef van transcendentie ontstond een intrinsieke behoefte aan het scheppen van een alternatieve werkelijkheid. In die “tweede werkelijkheid” kreeg de waan vrij spel. Goed en kwaad konden moeiteloos van plaats verwisselen. Anders gezegd: de dood van God bracht Hitler voort. Door de omkering van goed en kwaad kon het kwaad onzichtbaar worden gemaakt, als iets noodzakelijks of zelfs goeds worden gepresenteerd.

De parallellen met hedendaagse fenomenen dringen zich op. Tijdens de corona-pandemie ging het complotdenken opnieuw viraal. Dat werpt een nieuw licht op de oorsprong van de antisemitische waan in de jaren dertig: ook de Holocaust was uiteindelijk gebaseerd op een complottheorie die zich snel ontwikkelde tot een massapsychose.

De structuur van dit soort denken vertoont opvallende overeenkomsten met de psychotische waan zoals de psychiatrie die kent. Maar de waan is veel meer dan een psychiatrisch fenomeen. De waan is typisch menselijk en van alle tijden. Zelfs de geschiedschrijving als wetenschappelijke discipline kan niet aan de waan ontkomen. Een werkelijk adequate reconstructie van het verleden is tijdgeboden en daarmee per definitie onmogelijk. Wellicht kan een mens niet leven zonder enige vorm van waan.

De stap naar de waan kan een ontsnappingsmogelijkheid zijn uit de werkelijkheid, maar ook een stap dichterbij naar de ware werkelijkheid. Maar de werkelijkheid is alleen te kennen door een model van de werkelijkheid, dat op zijn beurt weer afhankelijk is van een ander model, dat in wezen al in het eerste model besloten lag. Dat zou je “het Droste-effect van de waan” kunnen noemen. We hebben de waan nodig om te kunnen begrijpen wat wij “werkelijkheid” noemen.

Daarmee komt de kernvraag in beeld: bestaat er een algoritme van de waan? Is er een onderliggende structuur die de uiteenlopende manifestaties van collectieve en individuele waan verbindt met “de waan van de werkelijkheid”? En zo ja, wat is dat algoritme? Zolang we dat algoritme niet kennen, blijft de mogelijkheid bestaan dat de waan in zijn extreme vorm opnieuw viraal gaat, met alle rampzalige gevolgen van dien.

(2) De samenvatting van AI

Het verlangen naar zingeving, een diepgewortelde menselijke behoefte, manifesteert zich op complexe en soms gevaarlijke manieren in de politiek, religie en kunst, waarbij het concept van de waan een centrale rol speelt. Deze waan kan worden gedefinieerd als een fictie die door de betrokkenen als werkelijkheid wordt opgevat en niet door rationele argumenten te corrigeren valt. Het is een foutieve realiteitservaring die vaak voortkomt uit een gevoel van beknelling en een knagend gevoel van opwinding en angstige verwachting, waarna de beknelling de waan van een totale bevrijding creëert.

In de context van de religie beantwoordt dit verlangen aan de menselijke behoefte om een heilig domein te creëren voor het onbegrijpelijke en mythische, een gedoogzone voor een gelegitimeerde, collectieve waan waar vaststaande rituelen houvast bieden. Het verdwijnen van traditionele ankerpunten, zoals het geloof in God, heeft een leegte nagelaten die religie, en zelfs pseudo-religieuze vormen, proberen te vullen. Een te snelle secularisatie kan leiden tot een metafysische caissonziekte en ontworteling, waarbij onderdrukte spanningen gewelddadig kunnen exploderen. 

Dit zien we terug in het messias-syndroom, een terugkerend patroon in de menselijke geschiedenis, dat zich uit in een verlangen naar “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”, vaak getriggerd door culturele confrontaties. De waan – in wezen een poging van de geest om een uitweg te vinden in een onhoudbare situatie – is inherent verbonden met geloof, omdat elk geloof in essentie een aanname is van iets waar het verstand geen sluitende verklaring voor heeft.

Wanneer we ons richten op de politiek, zien we dat in tijden van desoriëntatie of ontworteling, mensen zoeken naar een wetmatigheid die houvast biedt en toeval elimineert. Dit kan leiden tot de illusie van almacht en het streven om de hele wereld onder controle te krijgen, waardoor de waan totalitair wordt. Charismatische leiders – zoals Hitler – creëren een fictieve wereld die met geweld in stand wordt gehouden en geïnternaliseerd wordt door de onderdanen. De autoriteit van de leider, vaak met een semi-religieuze uitstraling, komt boven de geheiligde wet te staan. Hoewel Hitler gedreven werd door een ideologie van rassenwaan met een pseudo-religieuze dimensie, moet zijn denken primair worden gezien als gericht op machtsvermeerdering. 

Het verdwijnen van God en ‘de grote verhalen’ heeft geleid tot een wildgroei van complotdenken, vooral tijdens beklemmende ervaringen zoals de lockdown ten tijde van de corona-pandemie. Complottheorieën bieden pasklare verklaringen en creëren een gedeeld geheim, waarin zoiets als God symbolisch opnieuw tot leven komt. Dit soort wanen wordt gevoed door wantrouwen in overheid en media. De gevaren van de waan manifesteren zich bij uitstek als de fictieve wereld van totalitaire leiders consequent gevolgd wordt, wat kan leiden tot een radicale ompoling van goed en kwaad, en een eclips van het geweten.

In de kunst fungeert de waan, net als in de religie, als een afgezonderde, collectieve enclave waar het onbevattelijke een geheiligde plaats krijgt. Na het verdwijnen van religie heeft kunst in toenemende mate haar functie overgenomen, waarbij modernisme en nationaalsocialisme beide zochten naar een substituut voor transcendentie om een beklemmende leegt te vullen. Echter, dit verlangen kan ontaarden in een esthetisering van het kwaad, waarbij een hang naar het bizarre en duistere, zoals te zien was in de Romantiek en later bij Hitler, wreedheid rechtvaardigt. 

De kunst van de nazi’s wordt gekenmerkt door een zielloos neoclassicisme, een opvallende leegte en een perverse nabootsing van het klassieke schoonheidsideaal. Modernisme en nationaalsocialisme zijn te beschouwen als elkaars spiegelbeeld; waar het modernisme zuiverheid zocht door het vermijden van nabootsing en vlucht in spirituele vormen, zocht het nationaalsocialisme zuiverheid in de waan van het zuivere ras via overmatige identificatie met klassieke idealen en propaganda.

De gevaren van de waan zijn overkoepelend. De waan is niet slechts een ontsporing van het gezonde verstand, maar een geperverteerde vorm van hyper-rationeel denken, een “ratio in het kwadraat”. Het is een logica zonder causaliteit, een losgeslagen, monomane causaliteit die leidt tot onafwendbare conclusies uit één premisse, zonder toetsing aan de realiteit. De meest kwalijke eigenschap is dat deze waan in het kwadraat niet gemakkelijk als waan herkenbaar is, wat bijdraagt aan de besmettelijkheid van het complotdenken.

Wanneer de waan totalitair wordt, neemt zij de werkelijkheid in zijn totaliteit in bezit, waardoor het onmogelijk wordt om buiten dat systeem te denken. Dit kan leiden tot een radicale omkering van waarden, waarbij zelfs het diepste kwaad het hoogste goed kan worden. De vrijheid die de waan biedt, is paradoxaal genoeg de verdoemenis van het zelf om niet vrij te kunnen zijn, een gekluisterde vrijheid die gedoemd is tot het kwaad. 

Het verdwijnen van transcendentie, waar Hitlers waan mee verbonden was, creëert een vruchtbare voedingsbodem voor waanideeën. Deze waan is mateloos, zonder norm, wet of grens, en kan leiden tot destructie, waarbij vernietiging zelfs als constructief wordt gezien. Je kunt stellen dat de waan een basispatroon in de menselijke geest is. Het is een toestand waarin men gevangen zit, maar die pas echt een waan wordt wanneer men eraan probeert te ontsnappen.

Het gevaar is dat in een wereld, waarin de werkelijkheid zo absurd is geworden dat alleen de waan een uitweg biedt, deze waan als dekmantel gaat dienen om de absurditeit van het kwaad te ontkennen. Dit kan resulteren in een waanwereld van ficties die uit alle macht in stand wordt gehouden, en uiteindelijk resulteert in het vermoorden van een zondebok, of erger nog: in genocide.