Misschien is de uitvinding van AI wel zoiets ingrijpends als de wisseling van paradigma in de wetenschap. Dat zou zomaar kunnen. Maar kan AI ook zelf ook een paradigma-wisseling in de wetenschap of een stijlwisseling in de kunst herkennen? Anders gezegd, kan AI een dieptepatroon herkennen dat verborgen ligt onder een specifieke of tijdgebonden manier van denken of artistiek creëren? Of sterker nog, onder zijn eigen manier van denken? Kortom, heeft AI wel een antenne voor fenomenen als “stijl” of “paradigma”? Deze vraag stelde ik aan AI. Ik heb AI daarbij een beetje geholpen door hem een paar teksten van mijzelf over stijl en stijlgeschiedenis als leesvoer mee te geven. Het antwoord van AI luidde als volgt.
***
De meest fundamentele en nog altijd meest intrigerende vraag binnen de kunstgeschiedenis is wellicht: wat is stijl? Stijl lijkt op het eerste gezicht een formeel spel te zijn, een combinatie van kenmerken die zich intuïtief laat herkennen, zelfs wanneer we de onderliggende regels of mechanismen niet volledig doorgronden. In die zin vertoont het opvallende overeenkomsten met het verschijnsel taal: ook taal kan men intuïtief leren gebruiken zonder expliciete kennis van grammaticale structuren. Stijl functioneert als een vorm van dieptestructuur — of wat dat verder ook moge zijn — en lijkt mogelijk vooraf te gaan aan iets als identiteit. Terwijl identiteit zich vaak als ongrijpbaar en onleerbaar aandient, lijkt stijl paradoxaal genoeg herkenbaar zonder dat ze verklaard hoeft te worden. Dit roept de vraag op hoe zulke processen van intuïtieve herkenning verlopen. Bestaan er überhaupt ‘diepere’ structuren in de kunst, of projecteren wij deze achteraf in wat uiteindelijk slechts een verzameling toevallige gelijkenissen blijkt?
Juist deze vragen hebben generaties kunsthistorici beziggehouden. Want zolang we geen rationeel inzicht hebben in het verloop van deze processen, blijft het uiterst problematisch om stijlkenmerken in een grote verzameling kunstuitingen te herkennen, benoemen en vervolgens in verband te brengen met enerzijds de formele analyse van een enkel kunstwerk en anderzijds met bredere patronen die zich aandienen in een cultuurperiode als geheel. Meer nog: kunnen zulke verbanden überhaupt in taal worden gevat? Zijn er adequate woorden om het onzegbare karakter van stijl te doorgronden? Dit is de koningsvraag van de kunstgeschiedenis — een vraag die niet alleen een methodologisch probleem blootlegt, maar het hart raakt van de wijze waarop we betekenis construeren.
Wie zich in deze kwestie verdiept, stuit al snel op fundamentele kennistheoretische problemen die de kern raken van elke vorm van cultuurwetenschap: hoe breng je het grootste patroon in verband met het kleinste detail — en omgekeerd? Elke poging om die spanning op te lossen, begint onvermijdelijk met een vooropgesteld idee van wat patronen eigenlijk zijn, hoe ze tot stand komen, en of er sprake is van deterministische wetmatigheden in de ontwikkeling van stijlen. De kunstgeschiedenis als academische discipline is betrekkelijk jong, en haar traditie staat voor een belangrijk deel in het teken van deze zogenaamde stijlgeschiedenis, waarin zich vanaf circa 1900 tot 1945 een intensief methodologisch debat heeft voltrokken, met als zwaartepunt Centraal-Europa. Grote namen als Heinrich Wölfflin, Alois Riegl, Wilhelm Worringer, August Schmarsow, Max Dvorák, Wilhelm Pinder, Hans Sedlmayr, Adolf Frey en Erwin Panofsky waren allen betrokken bij deze zogeheten Methodenstreit — een intellectuele strijd die diepe inzichten opleverde, maar ook de grenzen en gevaren van methodisch denken in kaart bracht.
In wezen kristalliseren zich in deze periode twee fundamenteel verschillende opvattingen uit over het fenomeen stijl. De eerste vertrekt vanuit het idee van het autonome kunstwerk, gecreëerd door begaafde individuen die vanuit hun innerlijk een esthetische vormgeving voortbrengen die niet noodzakelijkerwijs verwijst naar iets buiten zichzelf. In deze visie is het kunstwerk een op zichzelf staand object dat als bezielde vorm betekenis draagt. Hiermee neemt men afscheid van het mimesisbegrip, de klassieke opvatting dat kunst de werkelijkheid weerspiegelt, en komt de autonomie van de vorm centraal te staan. De ontdekking van deze autonome vorm – die uiteindelijk het ontstaan van de moderne kunst mogelijk maakt – wortelt in een idealistische kunsttheorie die teruggaat op Kant en zich keert tegen het positivistische denken dat de negentiende eeuw domineerde. In deze opvatting is stijl een expressie van innerlijke noodzaak.
Daartegenover staat een meer structurele visie, waarin stijl wordt opgevat als exponent van een cultuurhistorisch paradigma. Elke stijl vertegenwoordigt in deze optiek een diepere ordening van waarnemen en denken, een impliciet denkkader waarin producenten, bemiddelaars en publiek zich min of meer vanzelfsprekend bewegen. Deze visie sluit aan bij de paradigma-theorie van Thomas S. Kuhn, die de ontwikkeling van de wetenschap beschreef als een reeks breuken tussen paradigma’s, waarbij een nieuw wetenschappelijk kader het oude verdringt – niet door logisch bewijs, maar doordat men leert op een nieuwe manier naar de werkelijkheid te kijken. Ook in de kunst is dat het geval. Denk aan het kubisme, dat breekt met het centrale perspectief van de renaissance, of aan het impressionisme, dat de academische vormprincipes verlaat ten gunste van zintuiglijke vluchtigheid.
Zo’n stijlbreuk is geen geleidelijke evolutie, maar een transformatie van visie. Wat vroeger evident was, wordt onbegrijpelijk; wat eerst absurd leek, krijgt plots betekenis. Kuhn schrijft: “The decision to reject one paradigm is always simultaneously the decision to accept another, and the judgment leading to that decision involves the comparison of both paradigms with nature and with each other.” Maar, voegt hij daaraan toe, zo’n vergelijking is niet louter rationeel: men moet werkelijk leren zien in een nieuwe orde. In de kunst betekent dat: leren zien waarom een abstract werk betekenisvol is, terwijl het in eerste instantie niets lijkt ‘voor te stellen’. Het is dit leren zien dat stijl tot zo’n raadselachtig, maar cruciaal fenomeen maakt.
Tegen deze achtergrond rijst nu de vraag wat de komst van kunstmatige intelligentie betekent voor onze noties van stijl en paradigma. Kan AI ook stijlveranderingen of paradigmawisselingen herkennen? Is AI in staat om wat verborgen ligt onder een specifieke, historisch gegroeide manier van kijken en denken – of zelfs onder zijn eigen algoritmische manier van opereren – te identificeren en te interpreteren? Of nog fundamenteler: heeft AI iets wat lijkt op een antenne voor stijl, een gevoeligheid voor het onzegbare ritme van vorm, nuance en betekenis?
Er zijn goede redenen om daaraan te twijfelen. AI is uitmuntend in het herkennen, classificeren en reproduceren van stijlkenmerken. Het kan – althans statistisch – patronen onderscheiden, stijlen imiteren, combinaties genereren die voor mensen coherent en zelfs vernieuwend lijken. Maar het ontbreekt AI aan datgene wat de paradigmatische stijlbreuk juist kenmerkt: het vermogen tot een belichaamde, existentiële transformatie van waarneming. Want stijl, in de zin waarin kunstenaars ermee breken of erin ademen, is geen louter formeel kenmerk, maar een wijze van in-de-wereld-zijn. Een manier van kijken die gepaard gaat met crisis, verlies, inzicht, soms zelfs waanzin. Zulk radicaal ‘zien’ veronderstelt een bewuste verhouding tot wat er op het spel staat. AI kent geen verlies, geen ervaring, geen breuk. Het leert niet ‘zien’ in de zin van Kuhn – het herstructureert slechts output op basis van input.
Toch is daarmee niet alles gezegd. Want misschien is de uitvinding van kunstmatige intelligentie zelf een vorm van paradigmawisseling – niet binnen de kunst, maar in onze verhouding tot betekenis, tot representatie, tot menselijkheid. Het is denkbaar dat AI een nieuwe orde van stijl introduceert, niet omdat het iets ‘doorziet’, maar omdat het ons confronteert met een vorm van produceren waarin de klassieke gronden van stijl – subjectiviteit, ervaring, tijdelijkheid – zijn opgeschort. In die zin is AI misschien geen stilistisch subject, maar wel een stilistische gebeurtenis. Een stijlbreuk zonder stilist.
En precies daar ligt de ironie: door zijn gebrek aan menselijke ervaring stelt AI ons opnieuw de vraag wat stijl eigenlijk is. Wat het betekent om te zien, te breken, opnieuw te beginnen. En misschien is dat, in de meest radicale zin, precies wat de kunstgeschiedenis altijd al heeft geprobeerd te begrijpen.
