Fries landschap en nostalgie

Het heeft er alle schijn van dat het denken over de Friese identiteit tot nog toe vooral zijn beslag heeft gekregen in het discours over ‘talige disciplines’ zoals literatuur en poëzie. Disciplines als architectuur, ruimtelijke ordening, landschapsarchitectuur, vormgeving en zelfs beeldende kunst komen daarbij van oudsher in veel mindere mate aan bod. Vanuit het denken dat gericht is op talige disciplines wordt het Friese karakter al gauw herkend in een intrinsieke waarde van de taal zelf, de taal als ‘huis van de ziel’, en de eigen kijk op de wereld die daarmee verbonden is, of zelfs in het onveranderlijke, Fries eigene zo men wil.

Toch heeft ook de wijze waarop Friese kunstenaars het Friese landschap hebben weergegeven, een belangrijke bijdrage geleverd aan de Friese identiteit. Je zou het kunnen vergelijken met de wijze waarop de schilderijen van Breitner hebben bijgedragen aan de beeldvorming van de stad Amsterdam. Op 3 september 2023 mocht ik een lezing houden in het Fries Landbouwmuseum met als onderwerp: Friese landschapschilders uit de 20ste eeuw. Dit was de powerpoint-presentatie die mijn lezing begeleidde.

Voorafgaande aan deze lezing schreef ik een reeks blogs om zo alvast wat in de stemming te komen. Gisteren vroeg ik aan AI om uit al deze teksten een lopend verhaal te destilleren, uitmondend in de gebruikelijke dialoog. Dit was het resultaat:

***

De geleverde tekst verkent de veranderende perceptie van het Friese landschap en identiteit, waarbij een verschuiving van traditioneel, agrarisch verlangen naar een gemoderniseerd, toeristisch georiënteerd beeld wordt belicht. Het behandelt de nostalgie naar het ongerepte platteland, zoals weerspiegeld in kunst en literatuur, en de impact van modernisering, technologie en massatoerisme. Bovendien wordt de mythevorming rond Friese identiteit en de rol van culturele instellingen in het bewaren of transformeren van het collectieve geheugen onderzocht, naast de complexiteit van het Friese zelfbeeld in relatie tot nationale en regionale ontwikkelingen.

De beschouwing over het Friese ‘heimwee’ en de Friese identiteit onthult een gelaagd verhaal over verlangen, constructie en de impact van modernisering, vaak gespiegeld in het landschap en de kunst. Centraal staat het idee dat de Friese plattelandscultuur en het landschap, vaak voorgesteld als onveranderlijk en idyllisch, in feite een mythe is die ergens in de negentiende eeuw in elkaar is geknutseld. Dit ideaalbeeld ontstond ten tijde van een massale leegloop van Friesland (naar schatting 150.000 Friezen tussen 1860 en 1920) door de grote landbouwcrisis, waardoor achterblijvers zich vastklampten aan de idylle van het platteland. Deze diepe emotie is terug te vinden in de werken van Friese landschapsschilders zoals Egnatius Ydema, Ids Wiersma, Ype Wenning, Andries van der Sloot, Johan Elsinga, Gerrit Benner en Klaas Koopmans, die de “beelden van het gekwelde verlangen” vastlegden, vaak als “zuivere, kernachtige, uitzichten op een ongerepte horizon”. Het schilderij “Gezicht op Grou” dat bij de vader van de schrijver thuis hing, fungeerde bijvoorbeeld als een venster op het verleden, op het Fryslân van zijn jeugd.

Deze mythe van het onveranderlijke, ongerepte Friesland, vaak gekoppeld aan noties van taal, natuur en traditie, wordt tot op de dag van vandaag gekoesterd, zelfs hysterisch verdedigd tegen elke aantasting, zoals de komst van windturbines. Auteurs als Geert Mak hebben dit romantische verlangen verder geconstrueerd, op zoek naar een verloren harmonie. De schrijver bekritiseert Mak’s aanpak en stelt dat heimwee voor de nuttelozen is, een kwaal waartegen geen medicijn bestaat.

De modernisering heeft de Friese samenleving ingrijpend veranderd; God verdween niet alleen uit Jorwerd, maar ook uit veel Friese huishoudens en zelfs uit het schilderij aan de muur. De opkomst van telecommunicatie (radio, telefoon, televisie) en later het internet, heeft de wereld tot een “global village” gemaakt, waarbij tijd en ruimte steeds meer ineenschuiven, wat paradoxaal genoeg gevoelens van heimwee en nostalgie aanwakkert. Het traditionele, agrarische Fryslân is getransformeerd tot een “Wereldstad Friesland,” en de identiteitsbeleving verschuift steeds meer van taal naar landschap, dat zich uitstekend laat vermarkten. Goffe Jensma, een prominente criticus, beschouwt Friesland zelfs als een entiteit die in de negentiende eeuw werd “uitgevonden,” in de twintigste werd “voltooid,” en in de eenentwintigste klaarstaat om “verkocht, uitgevent” te worden.

De “festivalisering” en “vermarkting” van het Friese landschap is een duidelijk waarneembare trend, waarbij de culturele identiteit innovatief wordt ingezet voor economische ontwikkeling. Dit heeft geleid tot een wildgroei aan clichématige kunst- en theaterprojecten die zich op locatie in het landschap afspelen, soms met “gedrochtelijke – ‘iconische – beelden’” bedoeld als “selfie-momenten”. De Culturele Hoofdstad Leeuwarden 2018 wordt als voorbeeld genoemd van een manifestatie die, ondanks een aanzienlijke investering, vooral heeft bijgedragen aan popularisering en city-marketing, ten koste van autonome artistieke kwaliteit en een “ingedutte” culturele infrastructuur op kleine schaal.

De schrijver engageert zich kritisch met het werk van Goffe Jensma, die de Friese identiteit ziet als een negentiende-eeuwse constructie, een reactie op modernisering en de teloorgang van Friesland als kerngebied. Hoewel de schrijver Jensma’s deconstructie van de Friese mythe aanvankelijk verwelkomde als “welkom tegengeluid”, bekritiseert hij later Jensma’s “Januskop” – zijn bereidheid om als wetenschapper kritische inzichten te verkondigen, maar als adviseur voor het provinciale beleid de mythevorming juist te bevestigen, bijvoorbeeld via de Friese canon. De schrijver stelt dat de Friese canon, in plaats van kritisch denken te bevorderen, de negentiende-eeuwse mythe van Friesland opnieuw met de paplepel ingiet.

De rol van kunstenaars in het vormgeven van deze identiteit wordt verder uitgediept aan de hand van Gerrit Benner en Willem van Althuis. Benner, vaak gezien als de bekendste Friese landschapsschilder, wordt omschreven als een “fenomeen” en een “autodidact” wiens werk een “dromerige sprookjeswereld” van het Friese landschap verbeeldt. Critici projecteerden op hem het beeld van de “eenzame wandelaar” en de “nobele wilde” uit het hoge noorden, een icoon van de naoorlogse humaniteit. De schrijver betoogt echter dat Benner’s belang in Friesland wordt overschat en dat de mythe rond zijn “autodidact-status” en “Friese identiteit” in stand wordt gehouden door de kunsthandel en bewonderaars, ondanks feiten die deze mythe nuanceren. Zo wordt de bewering dat Van Althuis’s bekende “Zuurkoolpakhuis” in het atelier van Louis Le Roy ontstond, ondanks ontkenningen van de familie Van Althuis, als waarschijnlijk voorgelegd. Het ontmantelen van zo’n mythe blijkt echter moeilijk, aangezien elke poging daartoe zelf een prooi wordt van de mythe.

De bredere betekenis van “landschap” wordt eveneens belicht; het is niet alleen een geografische realiteit, maar ook een menselijke constructie en projectie, die evolueert met de tijd en culturele perceptie. Het concept van “mentale verstedelijking” wordt geïntroduceerd, wat betekent dat de Friese wereldbeeld ten prooi viel aan onontkoombare veranderingen. De “crisis in de ervaring van ruimte” wordt gezien als een dieper probleem dat samenhangt met de opkomst van modernisme en nationalisme. Desondanks blijft het landschap een toneel voor romantische bezinning, zelfs een “bezield wezen” of “persoon”.

De metafoor van de pelgrimage wordt gebruikt om de zoektocht naar identiteit en “roots” te duiden, zowel voor de Friese emigrant die terugkeert (Simmer 2000) als voor de postmoderne mens in het algemeen. Pelgrimeren, oorspronkelijk een religieus ritueel van loutering en bezinning, is getransformeerd tot een vorm van toerisme, waarbij de “beleefde tijd” de “historische tijd” verdringt en het verleden voortdurend opnieuw wordt uitgevonden. De toerist, net als de pelgrim, zoekt naar het onbekende dat hem bekend moet voorkomen, vaak geleid door “non-informatie” in reisgidsen die het landschap en de cultuur versimpelen tot clichés. Dit leidt tot een “musealisering van onze cultuur” en het gevaar van folklorisering.

Uiteindelijk zit het denken over de ruimtelijke ordening in Friesland gevangen in een spagaat tussen het heimwee naar een verdwenen arcadisch verleden en een gebrek aan nieuwe ideaalbeelden voor de toekomst. Hoewel Friesland cultureel gezien vaak als “hot” wordt beschouwd in de context van regionaal reveil en de competitie voor culturele hoofdsteden, pleit de schrijver voor een benadering die de eigen kracht van Friesland erkent in zijn “hybride karakter van het stedelijk parklandschap” en de “vertraagde interactie tussen stad en landschap,” in plaats van de Randstad te imiteren of te vervallen in nostalgie of mythologisering. Het gaat erom een dynamische, toekomstgerichte parkstad te zijn, die een inspiratie- en geldbron kan vormen voor artistieke verbeelding, voortbouwend op de eigen expertise met een “blik op oneindig” en een “onbegrensde horizon”.