Nostalgie is een bron die nooit opdroogt

Weer heb ik AI een reeks blogteksten voorgeschoteld. Deze keer verhalen die ik ooit gebundeld had onder de noemer Nostalgia, herinneringen uit mijn jeugd. Ik vroeg aan AI om hieruit een lopende tekst samen te stellen. De verzameling teksten liet een persoonlijke reflectie zien op jeugdherinneringen, familiekronieken en de sociale context van het naoorlogse Nederland. Het beschrijft de opvoeding van mij als enige zoon tussen vier zussen in een katholiek gezin, met details over hun verhuizingen, de invloed van Friese en Limburgse achtergronden, en de impact van belangrijke historische gebeurtenissen zoals de Hongerwinter.

Daarnaast worden in deze verzameling teksten complexe thema’s verkend, zoals identiteit, nostalgie, de relatie tot het lichaam, en de zoektocht naar betekenis, vaak vanuit het perspectief van persoonlijke ervaringen met sport, kunst, en religie. Familielegenden over Poolse wortels en de katholieke devotie van de familie worden eveneens belicht, naast maatschappelijke veranderingen zoals de secularisatie en de transformatie van landelijke gebieden. Dit was het resultaat met de afsluitende dialoog.

***

Herinneringen aan de kindertijd zijn nooit goed te reconstrueren, omdat het perspectief zo ingrijpend is veranderd door de afstand in de tijd. Het verleden is iets dat verbleekt, vaal wordt, slonzig en liefdeloos wordt achtergelaten in de tijd. Toch is het verleden altijd nabij; de droom van het ouderlijk huis en de straten waar als kind gespeeld is, keert vaak terug als de plattegrond van dromen.

Mijn familie, de Mousen, hield een legende zorgvuldig in ere: ze waren oorspronkelijk Joden uit Polen die rond 1800 vluchtten voor pogroms en uiteindelijk in Friesland belandden. Daar bekeerden ze zich niet alleen tot het katholicisme, maar ook tot het Fries zijn. In hun ogen waren de Friezen een uitverkoren volk, meer nog dan de Joden, waardoor de Mousen fanatieker werden dan menig katholiek en ‘roomser dan de Paus’. Dit leidde tot een strenge en vrome levenshouding, waarin alleen een directe relatie tot God telde. Er deed zelfs een verhaal de ronde dat uit het geslacht Mousen ooit de antichrist zou voortkomen, en een vloek van erfzonde van generatie op generatie werd overgedragen. 

Mijn grootvader, Manus Durk Mous, schreef in 1958 in het blad De katholieke Fries over drie broers die in 1794 meevochten met de Poolse generaal Kosciuszko voor het behoud van het Poolse Rijk, gevangen werden genomen in Hongarije, ontsnapten en uiteindelijk in Friesland aankwamen, op een haast Bijbelse Exodus naar de vrijheid. De oudste broer, Jozeph, vestigde zich in Bakhuizen en overleed in 1849. Volgens mijn grootvader waren de broers al Rooms-Katholiek in Polen, niet Joods zoals ik soms hoorde beweren. Echter, de stamboom in een familiemissaal van de Mousen suggereert dat de Poolse tak van de Gersjes niet de rechte lijn van de Mousen vormt, aangezien mijn overgrootvader Hermanus Johannes Mous uit het Duitse Oldenburg kwam. Mijn vader heette Durk Manus, en ik had als oudste zoon Manus Durk moeten heten, maar mijn moeder weigerde. Ik ben desondanks de stamhouder van de Mousen.

Mijn vader, geboren in 1897 in het Friese dorp, Bakhuizen, was gefascineerd door telecommunicatie, bouwde een eigen zender, en zag als kind in Friesland al primitieve kristalontvangers ontstaan. De PTT zat bij de Mousen in de genen; ook mijn grootvader en overgrootvader werkten bij de postvoorziening. In 1920 werkte mijn vader, na vijf jaar in Friesland te hebben gewoond waar geen droog brood te verdienen viel, als monteur bij de PTT in Heerlen. Van daaruit werd hij overgeplaatst naar Amsterdam, waar hij in 1926 als ‘schouwer’ in het Van Nispenhuis verbleef, een tehuis voor katholieke vrijgezellen.

In 1929 ontmoette hij mijn moeder in Arnhem, waar zij telefoniste was bij de AKU. Mijn moeder, Christina Hendrika Maria Sanders (1905-1989), was de jongste dochter van een bakker uit de Willemstraat in Klarendal, Arnhem. Haar collega’s waarschuwden haar: ‘Pas op, het is een afgelikte beer!’Desondanks trouwden mijn ouders op 2 mei 1931 in de Sint Janskerk in Arnhem. Mijn moeder was mondain voor de stijve Friese familie van mijn vader; haar diepe decolleté bij een eerste bezoek aan mijn schoonmoeder in Bakhuizen leidde tot de vraag: ‘Kun je, wat je hier hebt, niet daar aannaaien?’ Mijn moeder had een fleurig humeur en danste graag, ondanks de huiselijke overtuiging dat ‘de dansvloer het plafond van de hel’ was.

Na hun huwelijk woonden mijn ouders kort in de Volkerakstraat in Den Haag, waar in 1932 mijn oudste zus Mariet werd geboren. Daarna verhuisden ze naar Amsterdam, eerst naar het Sumatraplantsoen in de Indische buurt. Mijn moeder vond het jammer Den Haag te verlaten en was niet blij met de ‘grauwsluier’ over de Indische buurt, waar veel communisten woonden. In 1933 verhuisden ze naar de Ptolemaeusstraat in de Watergraafsmeer, verder weg van de Indische buurt. In deze donkere bovenwoning werd in 1935 mijn zus Cornelie geboren.

Uiteindelijk verhuisden ze in 1938 naar de Johannes van der Waalsstraat, een woning aan de rand van de bebouwing met uitzicht op weilanden, waar in 1939 mijn zus Lucie en in 1943 mijn jongste zus Trees werden geboren. Tijdens de hongerwinter werden de vier dochters bij de Friese familie ondergebracht, terwijl mijn moeder bij mijn vader in Amsterdam bleef. Vanuit het bovenraam van hun huis zagen mijn ouders in mei 1945 de voedselpakketten van de geallieerden ‘als manna uit de hemel’ vallen.

Ik werd geboren op 1 december 1947, de eerste en enige zoon na vier dochters, en de stamhouder van de Mousen. Mijn geboorte leidde tot rumoer in de Friese familie omdat mijn moeder weigerde mij Manus Durk te noemen. Mijn vader had lang gebeden om een zoon. Ik was een maand overtijd geboren en mijn vroegste kinderjaren stonden in het teken van angst: bang voor water, hoogte en andere kinderen. Ik voelde me het ‘vijfde wiel aan de wagen’. Vanuit de erker van ons huis riep ik naar de koeien in het weiland: ‘Hai koe!’ – mijn eerste woorden, bezwerende woorden. Mijn moeder nam me in bescherming; ik was ‘een bedreigde schat in een wereld vol gevaar’, en strontverwend. Ik was een ‘brekebeen’ en had nachtmerries. De angst verdween pas op de lagere school, rond mijn tiende jaar.

Tijdens de zomervakanties werd ik vaak ‘geparkeerd’ bij mijn tantes in Huissen, een katholiek bolwerk onder Arnhem. Mijn drie tantes, ongetrouwd gebleven, woonden al vroeg samen in een groot huis. Huissen had zwaar geleden onder de oorlog en droeg nog de sporen van bombardementen. De stilte in Huissen was wonderlijk, alsof de tijd stil was blijven staan. Ik verdiepte me in oude jaargangen van de Katholieke Illustratie op zolder, wegdommelend in het halfduister tussen de medische voorraden van het Wit-Gele Kruis.

Pas later realiseerde ik me dat deze logeerpartijen een praktische reden hadden: mijn jongste zus Trees onderging in 1958 en 1959 zware hersenoperaties, en mijn moeder had de handen vol. Mijn tantes waren nauw betrokken bij het katholieke leven en hadden een grote fles Lourdes-water op de overloop. Tante Door, de wijkverpleegster, raakte zelfs betrokken bij een moordzaak in 1963, waarbij zij voor de rechter als getuige-deskundige moest optreden.

Mijn eerste schooljaren bracht ik door op de Kleuterschool Maria Goretti op het Linnaeushof. Daarna ging ik naar de Peetersschool in Amsterdam-Zuid, een gemengde Dalton-school. De schooltijd was gelukkig; de sfeer was ontspannen, een ‘georganiseerde chaos’. Vanaf de vierde klas op het Sint Ignatiuscollege werden ‘gemengde klassenfeesten’ gevierd, wat leidde tot mijn eerste contact met een meisje genaamd  Ria Vonk. De Jezuïeten, mijn docenten, probeerden ons ascetische houdingen bij te brengen, maar dit had een averechts effect op de ontluikende seksualiteit van de pubers.

Al in 1954 hadden we een televisie thuis, een grote kast met een klein, rond scherm van het merk ‘Erres’. Het gezin zat steevast rond de eettafel te kijken naar het Journaal en kinderseries zoals Morgen gebeurt het. De televisie was indringend; iedereen zag ’s avonds hetzelfde. Mijn liefde voor boeken kwam voort uit het opgroeien in een huis zonder boeken; de meeste stonden op de verboden lijst, de Index, die pas in 1966 werd opgeheven. Bioscoopbezoek wekte mijn verbeelding. Ik herinner me de spannende trailers van films ‘boven de 18’, zoals Et dieu créa la femme, die mij als kind confronteerden met suggestieve beelden die niet voor mijn ogen bestemd waren, maar de fantasie des te meer prikkelden. De Katholieke Film Centrale (KFC) hanteerde strengere censuur dan de Centrale Commissie filmkeuring (CCF). De Franse taal en chansons hoorden bij een tijd van ‘spleen’ en ‘Weltschmerz’.

Voetballen heb ik niet van huis uit meegekregen. Toch verzamelde ik voetbalplaatjes, las sportkranten en ging vanaf 1957 naar thuiswedstrijden van Ajax. Ik was fan van keeper Pieters Graafland. Hoewel ik als linksback in het laagste elftal terechtkwam, droomde ik van de midvoor-positie. Wielrennen bracht mijn fantasie nog meer in beweging dan voetbal; ik verzamelde plakboeken en speelde vanaf 1960 het ‘Grote Tour de France Spel’. Het was een wereld waarin ik helemaal mezelf kon zijn.

In 1959 was ik met mijn ouders op vakantie in Valkenburg, een katholiek vakantieoord. Hier kocht ik een boekje over wielrenner Gerrit Schulte. Hier was de Cauberg, een iconische klim. Het jaar 1960 was een raar jaar, met de Olympische Spelen in Rome en de Koude Oorlog die kouder was dan ooit. De jaren rond 1960 waren harmonisch voor mij; angst trok weg en de wereld leek te kloppen.

Mijn moeder in 1968

Mijn vader overleed op 8 mei 1966. In alles lijk ik meer op mijn moeder dan op mijn vader. Mijn moeder zong Lorelei en pianospelen kon ze goed. Op 19 februari 1989 is mijn moeder overleden, 83 jaar oud, maar nog altijd ‘een Arnhems meisje’. Haar sterfbed herinnerde mijn zus aan een gedicht van Vasalis over een vogeltje dat wegvliegt van een takje. Ik voel een diep heimwee, een ‘oceanisch gevoel’ naar de moederschoot en de zee, een verlangen om terug te keren naar een volmaakte symbiose. De puberteit was de brug naar volwassenheid, maar soms is die brug ‘een brug te ver’.

Links: mijn vader (midden) in 1926. Rechts: mijn tekening van mijn vader uit 1958

De wereld is door de media en internet steeds kleiner geworden tot een ‘global village’, maar tegelijkertijd versterkt dit het thuisgevoel en fragmenteren de identiteitservaringen. Nostalgie is een onbewust verzet tegen een te snelle verandering die allang heeft plaatsgevonden. Het leven is een spel van cirkels. Het geluk glipt weg tussen je vingers. Het kind dat ik ooit in Valkenburg ben geweest, was er later niet meer. Nostalgie is een bron die nooit opdroogt; het is een stroom die mij voortdrijft op weg naar het einde.

Maar dat einde is geen bestemming — het is een verdwijnpunt aan de horizon van het geheugen. Soms lijkt het alsof ik terug wil naar iets dat nooit werkelijk heeft bestaan, een geur, een lichtval, een stem die ik me alleen nog in dromen herinner. In de ruis van het heden blijft het verleden fluisteren. Wat ik verloor, heeft mij gevormd. Wat ik me herinner, is niet wat er was, maar wat ik geworden ben. Mijn toekomst keert telkens weer om. Ik ben verleden tijd geworden. En hoe meer ik mij van die tijd verwijder, hoe dichter hij mij lijkt te naderen.