Het einde van de ziel voorbij

Het medisch materialisme van onze tijd heeft de ziel dood verklaard. We hebben geen ziel meer, alleen nog een brein. ‘Medisch materialisme’, zo stelde William James, ‘rekent met Paulus af door zijn visioen op weg naar Damascus een ontlading te noemen van een verwonding van de achterhoofd-hersenschors.’ 

Maar de diepe gebieden van ons brein zijn in miljoenen jaren niet veranderd. Visioenen verdwijnen niet zomaar. ‘Waar het visioen sterft, verwildert het volk,’ staat te lezen in het Boek der Spreuken (29:18). Visioenen dienen zich nog altijd aan, ook al spreken we niet meer van een ‘ziel’. In de ziektegeschiedenissen van adolescenten, die op de drempel van de volwassenheid zijn gestrand in de maalstroom van hun gedachten, liggen wellicht de nieuwe testamenten van onze tijd, de nieuwe goddelijke openbaringen, een andere Apocalyps, alternatieve voorspellingen over het einde der tijden.

In 2012 was de Maand van de Filosofie gewijd aan het thema De Ziel. Er verschenen ineens allerlei boeken hierover, wellicht als reactie op de bestseller van Dick Swaab: Wij zijn ons brein. Ik mocht in die tijd een lezing houden over dit thema. Als titel koos ik: Ontzielde tijd. De ziel in kunst en psychiatrie. Dit was de powerpoint-presentatie die mijn lezing begeleidde:

De blogs die ik daarvoor schreef, heb ik nog eens gebundeld en voorgelegd aan AI. Die maakte onderstaande samenvatting met bijpassende dialoog. 

***

Deze tekst verkent diverse facetten van geestelijke gezondheid, filosofie, kunst en religie, vaak in relatie tot de secularisering en de hersenwetenschappen. De auteur reflecteert op de rol van de ziel in een steeds materialistischer wordende wereld, bekritiseert de beperkte visie van de hedendaagse psychiatrie en de kunstkritiek, en beschouwt de invloed van internet op identiteit en bewustzijn. Er wordt een brug geslagen tussen persoonlijke ervaringen, zoals psychose en mystiek, en bredere maatschappelijke en filosofische vraagstukken, waarbij concepten van Spinoza, Freud, Wittgenstein, en theologische debatten worden betrokken om de complexe relatie tussen geest, lichaam en werkelijkheid te ontrafelen.

De afgelopen tijd lijkt er een ware “tsunami van de ziel” over ons heen te komen. Debatten over de ziel en de geest, eens voorbehouden aan filosofen en theologen, worden nu gevoerd in de landelijke kranten en op televisie. Dit is geen toeval; het raakt aan dieper liggende vragen over wie we zijn, en of er meer is dan enkel ons brein. Ons boek, Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose, snijdt deze problematiek aan.

In de moderne wetenschap, met name de hersenwetenschap, lijkt de conclusie helder: wij zijn ons brein. Deze opvatting, prominent gemaakt door denkers als Dick Swaab, reduceert alle psychische en geestelijke processen tot het functioneren van de hersenen. Het bewustzijn wordt gezien als een biologisch product, een “gesputter van neuronen”, en de vrije wil als een illusie. Zelfs de ziel wordt afgedaan als een “misverstand”, een universeel concept geworteld in de angst voor de dood en het arrogante idee van menselijke belangrijkheid. Deze benadering, vaak aangeduid als “hersenfundamentalisme” of “neurocalvinisme”, suggereert dat ons doen en laten volledig is gepredestineerd door onze genen en hersenen.

Echter, zoals Egbert Tellegen in de inleiding van ons boek Tegen de tijdgeest stelt, het feit dat alle psychische en geestelijke processen verband houden met de hersenen, maakt ze nog niet onbelangrijk. Er wordt in Tegen de tijdgeest stelling genomen tegen “het afscheid van de mens als een geestelijk wezen”. Dit “afscheid” hangt nauw samen met de secularisering en het verdwijnen van de geesteswetenschap.

De secularisering heeft niet alleen gevolgen voor de psychiatrie, die zich steeds meer uitlevert aan protocollen en een minutencultuur, maar ook voor de cultuur in het algemeen. Vroeger progressieve katholieken zoals Trimbos, Buytendijk en Fortmann hadden in de jaren vijftig juist een emancipatorische werking binnen de geestelijke gezondheidszorg. Nu is er sprake van een “blinde vlek” voor dit progressieve katholicisme, mede door verhalen over misstanden.

De vraag “wat is een psychose?” is hierin cruciaal. De moderne psychiatrie benadert de psychose vaak als louter een tijdelijk hersendefect. Maar de bronnen suggereren dat een psychose veel meer kan zijn: een “wanhopige sprong naar het absolute”, een “oergrond” van onberekenbaarheid als de geest in het gedrang komt, of zelfs een “afgrond, waarin God nog daadwerkelijk ervaren kan worden”. In de psychose worden de elementaire structuren van taal en werkelijkheid door elkaar gegooid, waardoor een “waanwereld” ontstaat met een eigen, absurde logica, die voor de psychoticus als verlossend kan worden ervaren. Deze toestand kan worden gezien als een corrigerende factor voor een psyche die te veel op zichzelf is teruggeworpen in een hyper-individualistische en materialistische samenleving.

De bewering “Wij zijn ons brein” is volgens theoretisch natuurkundige Ger Vertogen geen wetenschappelijk bewijs, maar een geloofsuitspraak. Hij stelt dat het menselijk denken de blik op zichzelf kan richten en vragen kan stellen naar de zin van het bestaan, iets waartoe kunstmatige intelligentie nog niet in staat is. Bovendien kan een volledige fysische analyse van een levend wezen alleen door het te doden. Object en subject vallen in het onderzoek van de geest samen: “Geest bestudeert geest”. We zullen het mysterie van de geest nooit oplossen, “want wij zijn het mysterie zelf”. Ook binnen de natuurkunde zelf is het beeld minder eenduidig dan een puur deterministisch of reductionistisch wereldbeeld doet vermoeden. 

Kwantumfysica laat zien dat op microniveau de waarnemer altijd besloten ligt in het waargenomene en dat “materie, zoals die door natuurkundigen in formules is vastgelegd, in werkelijkheid niet te bestaan.” Dit daagt het idee uit dat alles puur mechanistisch of meetbaar is. Sommige wetenschappers herkennen zelfs “christelijke trekken” in de God van de nieuwe natuurkunde, of een “geünificeerd wereldbeeld” dat ruimte laat voor materie en psyche als complementaire trekken van de werkelijkheid. Neurotheologie onderzoekt de hersenen van mediterende boeddhisten en biddende franciscanen, en stelt dat er tijdens meditaties terugkerende veranderingen in de hersenen optreden, wat suggereert dat God in onze hersenen verankerd zit. De vraag blijft of dit een illusie is, of dat er iets bovennatuurlijks mee verweven is.

In een “ontzielde wereld” raakt de ziel op drift. Maar de kunst, vooral sinds de Romantiek, heeft zich vaak gericht op het “demonische” en het “sublieme” – krachten die zich aan de ratio onttrekken. Het demonische, gezien als een aangeboren onrust of een bezetenheid, kan leiden tot vernietiging of zelfdestructie. De moderne kunst, zo wordt betoogd, wilde de werkelijkheid “daadwerkelijk” veranderen en kwam daarmee voor het probleem van de vernietiging te staan. Zij probeerde het oneindige te laten verschijnen als “des-incarnatie van de vorm”, wat leidde tot het einde van de mimesis: een gebroken spiegel en een spel met de scherven.

De kunst van nu zit gevangen tussen de mimesis (nabootsing van de werkelijkheid) en het sublieme (de drang naar het onbegrensde). Toch wordt kunst nog steeds gezien als een vorm van religie, een “bloeiende kerk” met eigen rituelen en geheimen, die schoonheid en troost kan bieden. De “wondende en helende kracht in de beeldende kunst” – de diepe, creatieve bron van de kunstenaar die verband houdt met innerlijke onrust en zelfs psychische kwetsbaarheid – is een thema dat nog steeds resoneert.

De discussie over de ziel is geen simpele kwestie van “wel of niet bestaan”. Het is een voortdurende strijd tegen reductionisme en dogmatisme, zowel in religie als in wetenschap. Filosofen en theologen hebben eeuwenlang geworsteld met de scheiding tussen geest en materie, tussen res cogitans en res extensa. Zelfs grote denkers zoals Wittgenstein zagen dat de taal ons kan “beheksen” als we over zaken als geest en bewustzijn spreken, leidend tot “categorieverschuivingen” en misvattingen.

Zoals professor Van Praag, die pleit voor een “multidimensionale aanpak in de psychiatrie” met aandacht voor levensbeschouwelijke en religieuze aspecten, stelt: “Wij zijn meer dan ons brein. Het gaat erom de rijkdom van de menselijke ervaring te erkennen, voorbij de grenzen van een puur materiële verklaring. Het debat is geenszins ten einde; het is een voortdurend zoeken naar begrip, zelfs als de antwoorden ons telkens weer ontglippen. De ziel, al dan niet wetenschappelijk te bewijzen, blijft een krachtig concept dat ons uitnodigt tot reflectie over onze diepste aard en onze plaats in het universum.