De mens op weg naar zijn eigen vervanging

Kunstmatige intelligentie kent geen pijn, geen sterfelijkheid, geen schaamte of liefde. AI heeft geen geschiedenis, geen lichaam, geen doodsbesef. AI kan nabootsen wat zichtbaar is, maar niet wat geleefd wordt. En zolang de mens zich dat herinnert, is hij nog niet geheel vervangen. Toch is de verleiding groot: hoe meer wij delegeren, hoe minder wij hoeven lijden, denken en dwalen. Maar precies daar ligt de paradox: in de poging het mens-zijn te ontlasten, dreigen we juist dat mens-zijn steeds meer te verliezen. We staan niet zozeer tegenover onze vervanging, als wel in het midden ervan. Niet omdat AI ons vernietigt, maar omdat wij zelf bezig zijn onze plaats allengs af te staan.

Maar was dat proces niet al langer gaande? Het begon volgens mij al met de introductie van het internet. Die ‘wonderlijke wereld van www’ heeft iets weg van een kwantumuniversum zoals hedendaagse kosmologen dat in de meest vreemde paradoxen beschrijven. Bestaan we tegenwoordig als mens nog wel buiten onze eigen representaties? De mogelijkheid om onszelf eindeloos te representeren en reproduceren op internet, tast ons gevoel van identiteit aan. Door internet worden we op een schizoïde manier opnieuw vervreemd van onszelf, waardoor het probleem van Descartes – ‘Wat betekent het als ik zeg: “Ik ben”?’ – terugkeert in een nieuwe gedaante: ‘Ben ‘ik’ het nog wel, die ik denk dat ik ben, op internet?’

In het netwerk van representaties op internet waaraan wij ons euforisch overleveren, raken we iets wezenlijks van onszelf kwijt. Het lijkt of elke actie op internet telkens weer de komst van onze eigen dood aankondigt. We zetten stappen in een ruimte die we niet kennen, maar zelf mede creëren. Wij zijn er door niet te zijn, en zijn er niet door te zijn. Toch vraag ik me tegelijk af of dit wel zo is. Met een parafrase op de media-theorie van Vilém Flusser waag ik het volgende te beweren.

Met de betekenis van een tekst op internet is iets raars aan de hand. Die tekst stroomt er van de ene kant in (de input vanuit het brein van de schrijver) om er aan de andere kant weer uit te stromen (de output in het brein van de lezer), waarbij de bewerking zelf, dat wat er binnenin het complex gebeurt verborgen blijft. Door te schrijven op internet beweegt de schrijver zich in een black box.

In principe wil iedereen die iets schrijft op internet een niet eerder ontstaan verband tussen woorden creëren. Hij doet dat op internet omdat dit medium hem de ideale mogelijkheid biedt om deze nieuwe verbanden in taal voort te brengen. Hij creëert hiermee voor zichzelf mogelijkheden die niet zozeer besloten liggen in de taal zelf, als wel in het onpeilbare medium dat hij met internet ter beschikking heeft. We kennen dat medium niet echt, en zullen het nooit tot de grond leren kennen, zoals we ook nooit zullen weten wat AI met ons brein gaat doen.

Gisteren heb ik alles wat ik in de loop der jaren over Vilém Flusser heb geschreven, opnieuw verzameld en voorgelegd aan AI. Mijn vraag was om hier een lopend verhaal uit te destilleren dat aansluit op de hedendaagse ontwikkelingen rond AI. Dit was het resultaat, met aansluitend een dialoog waarin de belangrijkste ideeën van Flusser nog eens worden samengevat.

***

Vilém Flusser (1920-1991) presenteerde al in de jaren tachtig een radicaal en contra-intuïtief perspectief op onze door technologie gedomineerde wereld. In zijn Een filosofie van de fotografie (1983) herleidt hij het beeld tot zijn essentie: een product van een apparaat. Wat ogenschijnlijk over fotografie gaat, blijkt in wezen een analyse van een fundamentele culturele verschuiving die onze verhouding tot werkelijkheid, betekenis en subjectiviteit op zijn kop zet. Zijn inzichten zijn vandaag urgenter dan ooit, nu niet alleen foto’s en teksten, maar ook hele werelden worden voortgebracht door de black boxes van algoritmes en kunstmatige intelligentie.

Volgens Flusser hebben apparaten de traditionele richting van betekenis omgekeerd. Waar betekenis ooit van binnen naar buiten stroomde – van geest naar wereld – stroomt zij nu van buiten naar binnen: uit het apparaat, naar het bewustzijn. Deze “omkering van de betekenisvector” luidt een nieuw tijdperk in, waarin het beeld niet langer verwijst naar een werkelijkheid buiten zichzelf, maar naar andere beelden, andere systemen, andere apparaten. Beelden zijn geen vensters meer, maar gesloten vlakken van informatie, gegenereerd binnen machines die opereren volgens ondoorgrondelijke programma’s.

Het fototoestel is voor Flusser het prototype van alle postindustriële apparaten: het functioneert autonoom, via een complex programma, terwijl de mens slechts op de knop drukt. Daarmee wordt de mens een “functionaris in dienst van apparaten” – een uitvoerder van commando’s die hij zelf niet heeft geschreven. Deze logica geldt vandaag des te meer voor gebruikers van AI: wij voeren prompts in, maar de gegenereerde beelden, teksten of beslissingen ontstaan binnen systemen waarvan de interne logica ons onbekend is. De mens wordt niet meer alleen gedacht – zoals Flusser al stelde – maar ook gegenereerd.

De wortels van deze ontwikkeling reiken terug tot Descartes, die de wereld herleidde tot een mathematisch model. Wat ooit een instrument was – het getal, de meetkundige ruimte – is nu de enige toegestane werkelijkheid. De wiskunde is niet langer een representatie, maar is de wereld zelf geworden. AI vertegenwoordigt daarin een vervolmaking van deze numerieke realiteit: een wereld waarin alles, inclusief gedrag, gevoel en identiteit, wordt gereduceerd tot data.

Het internet heeft deze omkering voorbereid. Het is een schizoïde netwerk van zelfrepresentaties, waarin identiteit voortdurend wordt her-verpakt en her-gecodeerd. In plaats van buiten onze representaties te leven, leven we in onze representaties. Wat we op internet voortbrengen wordt “echt”, niet omdat het naar een buitenwereld verwijst, maar omdat het binnen het netwerk van taal, beeld en interactie functioneert. Internet is de boodschap geworden; wij zijn in internet, en internet is in ons.

In deze context krijgen beelden een andere status. Ze zijn geen weergaven meer van iets buiten zich, maar ordeningen van digitale informatie – gegenereerde vlakken zonder referent, zonder maker, zonder wereld. AI versterkt dit: beelden en teksten ontstaan zonder auteur, zonder fotograaf, zonder schrijver. De relatie tussen representatie en werkelijkheid is fundamenteel verbroken. Dat roept niet alleen epistemologische vragen op, maar existentiële: wat blijft er van het mens-zijn over wanneer de beelden zonder wereld bestaan en de teksten zonder ik?

De traditionele verhouding tussen woord en zaak, tussen teken en betekende, is uitgehold. We ervaren een verval van het woord en een groeiende beeldverslaving – een “beeld-indigestie” die leidt tot verwarring, desoriëntatie en een vervluchtiging van betekenis. Zelfs de kunst raakt haar traditionele rol kwijt. De beeldend kunstenaar moet zich verhouden tot een maatschappij die verzadigd is van generatieve beelden. Kunst zal zich niet langer richten op representatie, maar op kritisch commentaar: op het maken van beelden die weerstand bieden, haperen, wrijven – intelligent geproduceerde beelden als tegenkracht.

Tegelijk roept de generatieve cultuur vragen op over tijd en ervaring. Het proces van fotograferen bevriest tijd – een moment wordt geïsoleerd, stilgezet. Schrijven daarentegen ontvouwt tijd, creëert een narratief, biedt reflectie en samenhang. In een cultuur die wordt gedomineerd door vlakken en flitsen – door data en beelden – wordt de tijd gefragmenteerd, uitgerekt, vervormd. Zelfs het brein wordt in deze logica opgenomen als een black box: een apparaat onder apparaten.

De komst van AI maakt de black box niet alleen complexer, maar ook actief. Deze systemen nemen niet slechts waar, ze produceren – ze genereren realiteiten die op hun beurt weer onze waarneming beïnvloeden. De betekenisvector is niet alleen omgekeerd, maar wordt herhaaldelijk gespiegeld, versneld en versterkt. In deze context ontstaat een crisis van identiteit en waarheid. Wat is een ik, als het wordt gegenereerd? Wat is waarheid, als die ontstaat uit statistische waarschijnlijkheden?

Toch opent deze onmenselijke toestand – zoals Lyotard het noemde – ook een andere mogelijkheid: de bevrijding van vastgelegde betekenis. In een wereld zonder laatste waarheid kan betekenis in beweging komen, worden gemaakt, worden gespeeld. Een interactieve installatie waarin hersenactiviteit het gedrag van een robot aanstuurt, laat zien hoe waarneming en wereld in elkaar grijpen, zonder vaste grond. Betekenis wordt vloeibaar, tijdelijk, procesmatig. God is in beweging.

Flusser zag deze ontwikkeling aankomen: apparaten die betekenis produceren, mensen die uitvoeren, en een wereld waarin representatie niet langer tot de werkelijkheid behoort, maar is wat werkelijk is. Zijn werk is daarmee geen filosofie over fotografie, maar een filosofie van de mens in de machine – of beter: van de mens als moment binnen het programma van zijn eigen vervanging.