De lange schaduw van Hitler

Albert Camus merkt in De mens in opstand op: „Als principes falen, hebben mensen maar één manier om ze te redden, en hun geloof te redden, dat is ervoor te sterven.” Veel mensen nemen liever afscheid van hun geliefde dan van hun principes. De echte eenzaamheid begint kennelijk als je je laatste principe hebt uitgezwaaid. En de moraal is zo rekbaar dat de strijd tegen lafheid, leugens en domheid soms alleen nog maar de vorm van terreur kan aannemen.

Dat scheef Arnon Grunberg gisteren in de NRC in een artikel over 100 jaar Mein Kampf. ‘Van Hitler komen we nooit meer los,’ zo stelt hij. Die conclusie kan ik volmondig beamen. Lange tijd heb ik mij beziggehouden met het fenomeen Adolf Hitler en zijn criminele kompanen. Dat leidde niet alleen tot het boek Het algoritme van de waan (zie hier), maar ook tot zo’n twee meter boeken op de bovenste plank van mijn boekenkast. Ik vind dat nog altijd een wat ongemakkelijk gezicht, al die boeken over zo’n diep gestoorde figuur. Maar het laat wel zien dat ik er door de jaren heen alles aan gedaan heb om iets meer van zijn gestoordheid te kunnen begrijpen, wat me overigens nooit echt is gelukt.

Gisteren heb ik aan AI gevraagd om uit alle blog-teksten, die ik door de jaren heen over Hitler geschreven heb, een lopend verhaal te destilleren, uitmondend in de gebruikelijke dialoog. Dit was het resultaat.

***

Deze tekst verkent de complexe aard van waanzin, kwaad en religie, vaak geplaatst binnen de context van Adolf Hitler en zijn tijd. De auteur reflecteert op Hitlers persoonlijkheid, diens mogelijke waanideeën en de impact daarvan op de Duitse volksziel, terwijl kritisch wordt gekeken naar psychiatrische verklaringen en de rol van taal en esthetiek bij het duiden van extreem kwaad. Ook wordt de Romantiek geanalyseerd als voedingsbodem voor nationalisme en totalitaire ideologieën, en de tekst verbindt de Holocaust met een universeel menselijk verlangen naar vernietiging. Tot slot bevat de tekst persoonlijke bespiegelingen over religieuze ervaringen, psychose en de zoektocht naar zingeving in een geseculariseerde wereld.

De figuur van Adolf Hitler blijft, zelfs decennia na de Tweede Wereldoorlog, een bron van diepe fascinatie en ongemakkelijke vragen, waarbij de grenzen tussen geestesziekte en geestelijke gezondheid, of tussen historisch fenomeen en tijdloze anomalie, voortdurend vervagen. De discussie of Hitler geestesziek was, is complex; er zijn aanwijzingen voor psychische problemen zoals depressies en suïcidale neigingen, maar specifieke psychotische symptomen zoals depersonalisatie of een verstoord realiteitsbesef werden niet waargenomen. Toch kenmerkte zijn denken een neiging tot letterlijkheid, waarbij beeldspraak, zoals Joden als bacillen, letterlijk werd omgezet in de noodzaak tot vernietiging, een overgang die volgens de bronnen de grens van waanzin overschrijdt.

De vraag naar Hitlers geestesgesteldheid leidt vaak tot een dilemma: als hij psychotisch was, zou dit zijn toerekeningsvatbaarheid verminderen, wat de aard van het kwaad dat hij beging relativeert en de schuldvraag bemoeilijkt. Sommige psychiaters en filosofen hebben zich gebogen over de “banaliteit van het kwaad,” zoals Hannah Arendt die beschreef bij Eichmann, wat de mogelijkheid impliceert dat gewone mensen zich onder bepaalde omstandigheden aan onvoorstelbare wreedheden kunnen overgeven. Anderen wijzen op de “positieve morele component” die het nazisme wist te activeren, waarbij het nastreven van een “ethische gemeenschap” en “heroïsch volk” de misdadige kant van het regime voor velen onzichtbaar maakte. Heinrich Himmler’s uitspraak over “fatsoen” en “hardheid” bij massamoord illustreert de psychische afsplitsing die nodig was om dergelijke daden te verrichten.

Hitler wordt in de bronnen vaak niet alleen als politiek leider, maar ook als een quasi-religieuze of demonische figuur beschouwd, een “godsdienststichter” of zelfs een “Messias-syndroom” dragend, met een roeping om de loop van de geschiedenis te veranderen en de mensheid van “het Joodse uitvinding van het geweten” te verlossen. Dit messianistische aspect, waarbij hij zichzelf mogelijk zag als een hersteller van mislukkingen, roept parallellen op met figuren als Jeanne d’Arc en zelfs Jezus, en de grens tussen “ware Messias” en “Messiaswaan” wordt hierdoor troebel. De opvatting dat Hitler een manicheïstische geloofsovertuiging had – de Arische ras als Licht en het Joodse ras als Duisternis – benadrukt dit dualistische wereldbeeld, een idee dat door historici als Friedrich Heer en Piet Fontaine is verkondigd.

De vraag naar de oorsprong van het kwaad is een terugkerend thema. Na de “dood van God” en de verschrikkingen van Auschwitz, werd het moeilijker om het kwaad te duiden. Traditionele theologische verklaringen van het kwaad als een “afwezigheid van het goede” (privatio boni) kwamen onder druk te staan, en de behoefte aan een “Holocaust-theologie” ontstond. Denkers als Jung probeerden het kwaad psychologisch te integreren, als een noodzakelijk onderdeel van de menselijke totaliteit, terwijl de traditionele katholieke leer de strijd tussen goed en kwaad zag als een voortdurende beproeving. De Romantiek en haar esthetisering van het kwaad speelden hierbij een rol, waarbij de “duistere hang naar dood en vernietiging” en de fascinatie voor het “sublieme” als een “genotvolle afgrijzen” aan de oppervlakte kwamen. De moderne kunst, met haar drang naar zuivering en afkeer van het onzuivere, wordt zelfs in verband gebracht met deze destructieve neigingen, culminerend in de “rassenwaan van de nazi’s”.

Een cruciaal aspect van het nazisme was de doelbewuste manipulatie van taal. Hitler en de nazi’s waren meesters in het transformeren van de taal, waardoor leugens als waarheden werden gepresenteerd en werkelijkheden werden gemaskeerd. Dit “Aesopische taalgebruik” zorgde ervoor dat de ware, gruwelijke bedoelingen, zoals de “Endlösung,” nauwelijks expliciet werden benoemd, maar desondanks door “insiders” werden begrepen. Deze taalmaskerade creëerde een situatie waarin de waarheid haar grond in transcendentie verloor en verdween als sneeuw voor de zon.

De invloed van de secularisatie wordt eveneens benadrukt als een factor die ons begrip van Hitler en het kwaad heeft veranderd, en mogelijk zelfs de doorbraak van dit proces heeft versneld. Het verdwijnen van theologische kaders en de “dood van God” lieten een leegte achter, waarin nieuwe vormen van “pseudo-religiositeit” konden ontstaan, zoals de staat die het lichaam heilig verklaart en degradeert tot “kale grondstof” in een “biopolitiek” van macht. De hedendaagse angst voor een terugkeer van totalitaire verleidingen wordt in deze context geplaatst, met de opkomst van populisme en social media die “privé-waarheden” kunnen versterken, hoewel er ook belangrijke verschillen zijn met de jaren dertig.

Uiteindelijk blijft het fenomeen Hitler een “zwarte zwaan,” een absolute anomalie die vele filosofische en psychiatrische beweringen over waanzin ontkracht. De vraag “waarom” de Holocaust plaatsvond, blijft onbeantwoord, misschien wel omdat het “onvoorstelbare” van deze vernietiging ligt in het ontbreken van een ‘waarom’, een “zinloos, redeloos” niets in het hart van de waanzin. Het kwaad, of het nu als inherent aan de mens, een natuurlijke kracht, of een gevolg van maatschappelijke ontsporing wordt gezien, blijft een diep verontrustend en ongrijpbaar probleem dat zelfs de wetenschap nauwelijks kan verklaren. Het herinnert ons eraan dat de menselijke beschaving, gebouwd op rede, op “drijfzand” rust en kwetsbaar is voor interne aanvallen en morele duisternis.