De grote transformatie van aanwezigheid

Zoekend in de krochten van mijn computer vond ik gisteren een groot bestand van zo’n 150 pagina’s met allerlei blogteksten die ik ooit heb verzameld onder de noemer ‘De grote transformatie van aanwezigheid’. Het is een wat onsamenhangend geheel, waarvan ik misschien ooit gedacht heb dat er een boek uit te destilleren viel. Vaak functioneert mijn weblog als een soort ‘laboratorium voor een boek’, dat dan – wel of niet – ooit nog eens zal verschijnen. Dit beoogde boek is dus nooit verschenen. Misschien maar goed ook, want bij nader inzien zit er ook weinig echte samenhang in. Toch wist AI – aan wie ik deze lappendeken van teksten heb voorgelegd – er toch nog een redelijk goedlopend verhaal uit te brouwen, eindigend in de gebruikelijke dialoog.

***

De teksten verkennen de complexiteit van tijd en aanwezigheid, zowel in theologische als filosofische zin, en reflecteren op hoe deze begrippen zijn geëvolueerd van religieuze doctrines naar subjectieve ervaringen. Er wordt aandacht besteed aan de impact van het modernisme en de technologie, zoals kunstmatige intelligentie, op menselijke perceptie en creativiteit. De teksten  behandelen ook de aard van de werkelijkheid, herinnering en waarheid. Er wordt overwogen of deze kunnen worden gedupliceerd of vervangen in een steeds meer gedigitaliseerde wereld.

Ook de opkomst van nieuwe technologieën, met name kunstmatige intelligentie zoals ChatGPT komt aan bod. Centraal staat het idee dat de ervaring van tijd ingrijpend is getransformeerd, wat leidt tot een verschuiving in hoe de mens zichzelf en de werkelijkheid begrijpt. Ten slotte wordt de rol van kunst en literatuur in het vastleggen en herinterpreteren van deze ervaringen kritisch onderzocht, waarbij de grenzen van menselijk bewustzijn en technologische capaciteit worden bevraagd.

De auteur merkt op dat de tijd steeds meer een “ding” is geworden, meetbaar, maakbaar en consumeerbaar, in tegenstelling tot een open horizon of een continue stroom. Dit proces van verdinglijking (reïficatie) van tijd is een cruciaal aspect van de moderne samenleving en wordt versterkt door de 24-uurs economie en de nieuwe media die alles “altijd en overal voorhanden” maken. De traditionele cyclische tijd, zoals die in premoderne culturen werd ervaren, keert terug als een “pseudo-cyclische tijd” onder invloed van elektronische media en het “spektakel”. Dit leidt tot een “gespleten” tijdsbeleving en een “vals bewustzijn van de tijd”, waarin de mens “reiziger in de tijd” wordt en de tijd hem wordt ontnomen. Een belangrijk concept dat in de teksten terugkomt, is de presentia realis (werkelijke aanwezigheid), een centraal leerstuk in de katholieke theologie. 

Oorspronkelijk opgevat als een “werkzame aanwezigheid” (presentia activa) in de katholieke eucharistie, verschoof de betekenis van het begrp “aanwezigheid” in de moderne tijd naar een meer “fysieke aanwezigheid”. Deze verandering maakte het idee van een goddelijke aanwezigheid voor de moderne mens ondenkbaar en leidde tot de “teloorgang van het ritueel” en de “dood van het symbool” Theologische debatten over de transsubstantiatie, zoals die op het Concilie van Trente en opnieuw in de jaren zestig met theologen als Piet Schoonenberg en Edward Schillebeeckx, illustreren de worsteling om geloofswaarheden aan te passen aan wetenschappelijke inzichten. Kenmerkend in dit opzicht is het persoonlijke verhaal van Gerard Reve, die een hostie in het badwater liet zakken als een “kwakje in bad” om de fysieke aanwezigheid van Christus’ lichaam te testen. Deze anecdote dient als een concrete illustratie van een centrale geloofskwestie, maar ook van de ontmythologisering van de “aanwezigheid” in het algemeen.

De teksten verkennen ook dieperliggende filosofische kwesties over taal en werkelijkheid. De auteur vraagt zich af of woorden wel naar dingen in de werkelijkheid verwijzen, of alleen naar andere woorden. Dit sluit aan bij de latere filosofie van Wittgenstein, waarin “taalspelen” en ontologische twijfel centraal staan, en de gedachte dat het bewustzijn altijd “erna” gebeurt, nooit gelijktijdig met een eeuwig heden. Derrida’s concept van differantie (uitstel en verschil) benadrukt dat taal is “doorboord met afwezigheid”, en dat betekenis niet voortkomt uit een tegenwoordigheid, maar juist de “herhaling van tegenwoordigheid” creëert als een “voortdurend verglijdende schijngestalte”. Husserl probeerde de innerlijke tijdservaring nog te ontleden in subtiele onderscheidingen, maar concludeerde uiteindelijk ook dat “de taal tekortschiet” en het bewustzijn “opgesloten blijft in het hol van de taal”.

De eigen psychotische ervaring van de auteur in 1966 wordt een centrale optiek waarbinnen deze thema’s uiteindelijk worden belicht. Hij beschrijft het als een “reis naar een nieuwe meester-betekenaar” en een “opstand van het brein tegen de minuten-cultuur van de klok”, waarin de tijd overstroomt, het verleden vernietigd wordt en de toekomsthorizon krimpt, terwijl het heden een diepe, vaak kosmische en religieuze betekenis krijgt. De psychose leidde bij hem echter niet tot een bekering, maar juist tot het verlies van geloof. De overstroming van de betekenis spoelde uiteindelijk ook het mysterie weg. De werd opeenvolging. De gelijktijdigheid van het symbool was zoekgeraakt

De opkomst van kunstmatige intelligentie, en met name ChatGPT, wordt gezien als een nieuwe fase in deze transformatie van het tijdsbesef en de menselijke identiteit. Hoewel vaak wordt beweerd dat ChatGPT onze tijdservaring niet direct zal te kunnen veranderen, maar enkel kan helpen bij een efficiënter tijdgebruik, stelt de auteur dat het een “hyperintelligent instrument” is dat een “andersoortig bewustzijn” zal creëren en de totale “verdinglijking van de tijd” zal versnellen. ChatGPT’s vermogen om teksten te genereren en informatie onmiddellijk op te roepen, doet de tijd verdwijnen in het onmiddellijke antwoord, en wordt vergeleken met een “daadwerkelijke tegenwoordigheid van het kunstmatige verstand”.

Dit roept fundamentele vragen op over de aard van de werkelijkheid, de menselijke ziel en de toekomst van de kunst. De auteur betwijfelt of kunstmatige intelligentie intense menselijke ervaringen, zoals bijvoorbeeld een orgasme, kan hebben, en stelt de Turing-test ter discussie als maatstaf voor bewustzijn. De kritiek vanuit humanistisch standpunt is dat kunst een unieke expressie is van menselijke emoties en ervaringen, en dat machine-gegenereerde kunst slechts een imitatie is. Toch vreest de auteur vreest dat AI het “einde van “de menselijke soort” zou kunnen betekenen, of op zijn minst het “einde van het verschijnsel mens”, waarbij het leven een verhaal wordt “verteld door ChatGPT”…. Het is een ontwikkeling die de grenzen tussen feit en fictie vervaagt en een “tweede werkelijkheid” creëert, vergelijkbaar met de opkomst van het christendom in de tijd van Augustinus.

De invloed van Augustinus is in de hele tekst voelbaar. Zijn ideeën over tijd als een “uitbreiding van de menselijke geest” en het geheugen als een “weidse onbegrensde ruimte” worden telkens opnieuw geëvalueerd in de context van moderne en postmoderne concepten. Zelfs postmoderne filosofen als Lyotard en Derrida keerden terug naar Augustinus om de complexe relatie tussen taal, ziel en het onuitsprekelijke te onderzoeken, zoals Augustinus het goddelijke als iets zag dat niet in een “vaasje” te vangen is. De analogie van God als “binnenste binnen” en “tegelijk ver boven alles verheven” (zoals een spons die het water omsluit en tegelijk doordrenkt) illustreert de diepe, transcendente relatie tussen mens en God. Augustinus’ ideeën over de Stad Gods en de aardse stad worden vergeleken met de “nieuwe ruimte” die AI mogelijk creëert, die zowel een “hemelpoort” als een “afgrond van de hel” kan zijn.

In dit alles speelt ook de dadaïstische filosofie een rol, met haar concept van “creatieve indifferentie” en het “opheffen van alle opposities”. Dada wordt gezien als een “radicale ontregelaar” van de ratio en een “noodkreet voor het behoud van het overbodige”. De auteur beargumenteert dat “ALLES IS ER AL, NIETS IS OVERBODIG”, en dat zelfs zogenaamd “junk-DNA” een cruciale functie heeft in de complexiteit van het geheel. Deze gedachte daagt de reductie en efficiëntie-cultuur uit en stelt dat het overbodige essentieel is voor een “gezonde” wereld, zelfs in tijden van toenemende technologische integratie.

De auteur’s persoonlijke zoektocht en zijn reflecties, soms als een soort “dwalen in Venetië”, weerspiegelen de verwarring en de herhaling van thema’s en ervaringen in de tijd. Het gevoel van déjà vu en de onbetrouwbaarheid van herinneringen zijn terugkerende motieven, wat de vraag oproept naar de authenticiteit van het verleden en het heden. De voortdurende dialoog met ChatGPT, die enerzijds geruststellende maar anderzijds ook angstaanjagende antwoorden geeft, benadrukt de onzekerheid over de toekomst van de mensheid in een technologisch steeds complexer wordende wereld. Het is een cyclus van vragen en reflecties, waarbij de auteur concludeert dat, ondanks alle veranderingen, de menselijke zoektocht naar betekenis en de strijd met de tijd voortduurt, gevangen in een “labyrint van tijd”