Ed Brand van uitgeverij Candide had het boek het liefst als een ‘manifest’ gelanceerd. Dat ging ons – Egbert, Tellegen, Daan Muntjewerf en ik – net iets te ver. Maar de titel — Tegen de tijdgeest — liet aan duidelijkheid weinig te wensen over. Ons boek was een aanklacht geworden tegen de ontzieling van de psychiatrie, tegen een wereld waarin alles functioneel werd — behalve de ziel.
Mijn bijdrage aan dit boek had een voorgeschiedenis. Oorspronkelijk maakte het deel uit van een veel groter manuscript over Gerard Reve en de secularisering van Nederland. Die tekst zou twee jaar later verschijnen als Modernisme in Lourdes. Het autobiografische hoofdstuk daaruit — over mijn psychose in 1966, vlak voor de dood van mijn vader — werd in Tegen de tijdgeest losgeweekt van zijn oorspronkelijke context en kreeg een nieuwe bedding: die van de psychiatrie.
De belangstelling was opmerkelijk. VPRO-televisie maakte er een uitzending over, vakbladen pikten het op, er kwam zelfs een derde druk. Mijn essay droeg de titel Het stille afscheid van de pijn. Het is een persoonlijk verhaal, maar het stelt ook een culturele diagnose: hoe het verdwijnen van religie samenvalt met een verlies van symboliek, lijden en een geestelijk kader voor uitzonderlijke psychische ervaringen.
Toen ik AI vroeg mijn bijdrage samen te vatten, kreeg ik dit: een tekst over psychose, secularisering, en een vergeten religieuze dimensie van de geestesziekte. Een cultuurhistorische reflectie, met mijzelf als casus.
***
De jaren zestig waren een tijd van ongekende maatschappelijke doorbraken. Terwijl Nederland zich razendsnel moderniseerde, voltrok zich in mij een persoonlijke psychose die mijn leven ingrijpend veranderde. Deze ervaring, die samenviel met de stormachtige culturele revolutie, dwingt mij tot een diepgravende zoektocht naar ‘een verloren tijd’ en de complexe relatie tussen geestelijke gezondheid, religie en maatschappelijke verandering.
Een schok van herkenning ervoer ik bij het lezen van Oliver Sacks’ verhaal over de ‘laatste hippie’. Deze man, gevangen in een tijdloos moment door een hersentumor, leek ‘eenzaam achtergebleven in de jaren zestig’, met een stilstaand geheugen en innerlijk leven. Zijn ‘contextgebonden of episodisch bewustzijn’ was zwaar gestoord, hoewel muziek hem tijdelijk kon wekken4. Dit bevroren perspectief, en de manier waarop foto’s en muziek uit die tijd mij nog steeds overweldigen, doet mijn eigen hersencellen van toen tot leven komen, alsof ze destijds verlamd raakten door een ‘lichtflits’.
De jaren zestig brachten een ‘euforie van de verandering’ met zich mee. De pil werd geïntroduceerd, bisschop Bekkers spoorde katholieken aan hun geweten te volgen, en Nederland leek af te stevenen op ‘Gods koninkrijk’. Dit was de achtergrond van de ‘clash van het katholicisme’ die ik aan den lijve ondervond op het streng katholieke Sint Ignatiuscollege. De jezuïeten daar, hoewel vooruitstrevend in het stimuleren van talent en creativiteit, boden geen brug tussen hun theologische wereldbeeld en het nihilisme en existentialisme van de naoorlogse literatuur die ik verslond. Dit bracht mij, als achttienjarige, in een existentiële problematiek die veel te zwaar was.
De snelle maatschappelijke ontwikkelingen en de ‘overdruk van buitenaf’ brachten het ‘gesloten bolwerk’ van het katholicisme aan het wankelen. Nederland werd koploper in tolerantie en progressiviteit, en Amsterdam berucht als een ‘internationaal Babylon’. Ik vroeg me vaak af wat het verband was tussen deze stormachtige ontwikkeling en mijn eigen geestelijke ineenstorting.
Mijn psychose in 1966 viel samen met die van Gerard Reve, die eveneens in een psychiatrisch ziekenhuis belandde. Reve, die worstelde met alcoholisme, ervoer tijdens zijn opname hallucinaties en ‘verschijningen’ van Maria. Hij zag zijn neurologische afwijkingen als een ‘pathologische onderbouw’ en een ‘verlaagde bewustzijnsdrempel’ die hem zelfs helderziendheid gaf. Voor Reve was schrijven, net als zijn bekering tot het katholieke geloof, een ‘innerlijke noodzaak om in balans te blijven’. Hij stelde dat atheïsme een ‘psychische afwijking’ was, de ‘ziekte van de grote stad’.
Dit brengt ons bij de bredere gedachte, al geopperd door Freud, Jung en Jaspers, dat een cultuur als geheel symptomen van een ziektebeeld kan vertonen. Charles Taylor stelt in zijn boek A Secular Age dat de klachten bij psychoanalytici zijn verschoven van hysterie en fobieën naar ‘egoverlies’ of een gevoel van leegte, vlakheid, futiliteit, en gebrek aan doelgerichtheid. Dit weerspiegelt een ‘verlies van horizon’ in onze cultuur. Hoewel de moderne mens volgens Taylor het ongeloof heeft omarmd, blijft het verlangen naar transcendentie onuitroeibaar. We leven in een ‘vesting’, een wereld ‘geheel ontdaan is van alle betovering’, met een verdwenen ‘poreuze scheidingswand’ tussen het natuurlijke en bovennatuurlijke.
Mijn behandeling in de Sint Willibrordusstichting in Heiloo toonde de destijdse tekortkomingen van de psychiatrie. Ondanks de snelle ontwikkeling van psychofarmaca8…, bleef het een ‘rommelzolder’ wat betreft ziektebeelden8. Mijn eigen psychose werd behandeld met injecties van trilafon en sordinol en een slaapkuur, wat tot een snelle genezing leidde, maar de symptomen verdwenen nooit helemaal. Ik behield een ‘achtergrondruis’ van mijn psychotisch verleden.
Het meest opvallende in mijn dossier was de ‘blinde vlek’ van katholieke psychiaters voor religieuze ervaringen. Hoewel mijn waanwereld wemelde van religieuze beelden, zoals mijn missie om met de paus te spreken over de anticonceptiepil en mijn identificatie met Jeanne d’Arc, werd er door de behandelende artsen nauwelijks inhoudelijk op ingegaan. De antipsychiatrie, met figuren als Ronald Laing, benadrukte juist de intens religieuze ervaring die in een psychose aan het licht kan treden, en beschouwde schizofrenie zelfs als een ‘natuurlijk genezingsproces’ en een ‘uniek voorrecht’2829. Zij stelden dat de reguliere psychiatrie, zoals vastgelegd in de DSM, alles censureerde wat niet in haar wereldbeeld paste, inclusief God.
De praktijk van castraties bij seksuele delinquenten in Heiloo tot in de jaren zestig, onder leiding van figuren als dokter Wijffels (de ‘grootste castreur van Nederland’), belicht de paradoxale vooruitstrevendheid van de katholieke geestelijke gezondheidszorg. Seksualiteit werd gezien als een ‘gevaarlijk niemandsland’. Ironisch genoeg sprak mijn ontslagbrief over mijn ‘castratieangst’, terwijl de intensieve medicatie die ik ontving mijn seksuele potentie maandenlang blokkeerde. Het is nog steeds onbekend welke langetermijnbijwerkingen deze ingrepen hadden op de werking van de hersenen, die nog steeds als een ‘black box’ worden gezien.
De verdoofde dood van mijn vader in 1966, die morfine kreeg toegediend, markeert voor mij een diepere breuklijn in de westerse cultuur. Het traditionele katholicisme zag lijden als iets zinrijks, een weg naar verlossing, zoals beschreven in de catechismus van Dr. F. van der Meer. Het was een ‘louterende en verlossing schenkende’ ervaring. Echter, deze ideologie verdween in de jaren zestig. De medicalisering van het mensbeeld heeft ertoe geleid dat pijn en lijden nu taboe zijn verklaard; iedereen heeft recht op een ‘zachte dood’.
Pijn is gemedicaliseerd en zelfs getransformeerd in ‘handelswaar’ in onze ‘ervaringscultuur’. Het leven zelf is een ‘consumptieartikel’ geworden, gericht op het minimaliseren van pijn. Dit heeft een ’tandeloze tijd’ gecreëerd, waarin de mens afgesneden lijkt van de meest indringende ervaring: het sterven. Hoewel de medische vooruitgang voor velen een zegen is geweest, roept het de vraag op wat ‘gezondheid nog is in een van pijn ontdane, schizoïde cultuur’. Het verdwijnen van de spirituele dimensie van pijn kan zelfs leiden tot een verlangen naar ‘de heroïek van een gevaarlijk bestaan’ of een ‘zucht naar oorlog’. Lijden heeft immers kunst, schoonheid en troost voortgebracht; het verdwijnende vermogen tot lijden is een groeiend probleem.
Mijn zoektocht naar het manuscript dat ik tijdens mijn psychose schreef – een tekst vol profetische taal en diepe religieuze ervaringen – liep uiteindelijk dood; het bleek vernietigd te zijn. Dit ‘verloren manuscript’ symboliseert mijn onvermogen om volledig te begrijpen wat er toen in mijn hoofd omging. De ‘caissonziekte van de secularisering’ heeft, net als een overdosis zuurstof, mijn bewustzijn van slag gemaakt door het te snel ontstijgen aan een middeleeuws godsbeeld.
De kernvraag blijft: bestaat er een geestesziekte die zijn oorzaak vindt in een te snel proces van secularisering? Misschien schuilen de kiemen van deze ziekte in het onvermogen om het heden ten volle te beleven, omdat er geen kader meer is om die volheid een plaats en een richting te geven. Mijn psychose was wellicht een ‘wanhopige sprong naar het absolute’, een poging om samenhang te creëren in de chaos die ik om mij heen zag ontstaan. Het is een voortdurende reflectie op het spanningsveld tussen chaos en structuur, gezondheid en geestesziekte, en de blijvende menselijke zoektocht naar transcendentie in een wereld die God lijkt te zijn kwijtgeraakt. Het stille afscheid van de pijn is immers ook een afscheid van een diepere spirituele dimensie die het leven zin en betekenis gaf.
