
Op 19 april 2008 was het zover. In het Fries Museum werd de tentoonstelling De Kleur van Friesland geopend. Jannewietske de Vries nam mijn boek in ontvangst, waar ik een jaar lang aan had gewerkt. “Laat mij dat laatste jaar maar thuis maar thuis zitten,” had ik tegen mijn directeur gezegd, “dan ga ik wel een boek schrijven.” De werksfeer tussen ons was in feite onhoudbaar geworden. Ik had al twee schriftelijke waarschuwingen op zak en een derde zou ontslag hebben betekend.
Maar thuis in je eentje aan een boek schrijven is een taai karwei. Na vier maanden werd ik gebeld door Abe de Vries, destijds uitgever bij de Friese Pers Boekerij. Of ik de directeur van het Fries Museum even wilde bellen. Die vroeg mij of ik een grote tentoonstelling wilde samenstellen op basis van mijn boek. Daarmee was meteen ook de financiering van het boek geregeld. De fondsenwerving daarvoor wilde tot dan toe niet echt vlotten. Dat kwam zacht gezegd, omdat mijn directeur weigerde de door mij opgestelde subsidieverzoeken te versturen. Hoe dan ook, opeens vielen al mijn remmingen weg.
En zo geschiedde dat ik voor het Fries Musem een grote tentoonstelling mocht samenstellen op basis van mijn boek. Bij de opening leek het wel één grote reünie. Kunstenaars, die elkaar soms in jaren niet gezien hadden, zagen elkaar terug in de zaal waarin hun werk bijeen was gebracht. Geart de Vries maakte een mooie documentaire en bij de opening hield Josse de Haan (foto rechtsboven) een fraaie toespraak.
Ikzelf hield het kort. Mijn directeur was er niet. Ze was plotseling geveld door de griep. Piet Meerdink stond als voorzitter van het bestuur van Keunstwurk als een politieagent naast het spreekgestoelte. Hij was kennelijk bang dat ik iets verkeerds zou gaan zeggen. Maar die lol gaf ik hem niet natuurlijk. Trouwens, de meeste aanwezigen wisten waarschijnlijk niet eens wat Keunstwurk was.
Al met al leek het wel een afscheidsreceptie. Maar dat was het niet. Het was gewoon de opening van een tentoonstelling. Eerder een doorstart dan een afscheid, wat mij betreft. Veel mensen echter hadden dat anders opgevat. Ik merkte het al bij het binnenkomen. Men wilde mij de hand schudden, een bloemetje geven of een flesje wijn. Of gewoon er zijn en zeggen dat alles goed was geweest in al die dertig jaar. In totaal 330 mensen waren er op afgekomen, zo hoorde ik later. Soms had ik het idee dat ik rondliep op mijn eigen begrafenis. Het ontbrak er nog maar aan dat een kist met bloemen in de tunnel van het museum stond opgesteld.
Gisteren vroeg ik aan AI of “hij” nog eens een samenvatting kon genereren van mijn boek. En opnieuw stond ik verbaasd over het resultaat, en anders wel over de wonderlijke dialoog die daar achter aan kwam.
***
Het boek “De kleur van Friesland” is in grote lijnen een overzicht van de naoorlogse beeldende kunst in Friesland, gepresenteerd vanuit een hernieuwde terugblik en een vooraf gekozen gezichtspunt. Het is niet bedoeld als een uitputtend naslagwerk, maar eerder als een visie op de ontwikkeling van kunst in deze provincie.
Het centrale betoog van het boek draait om het concept “de kleur van Friesland”, waarbij “kleur” metaforisch moet worden opgevat als een veranderlijke samenhang door de tijd heen. De auteur stelt dat deze “kleur” niet letterlijk of fysisch te definiëren of te construeren is, en ook niet de “echte kleur” van Friesland kan zijn. De zoektocht naar deze kleur wordt geïllustreerd met de “methode-Haak” (een poging om de kleur van Friesland empirisch vast te stellen via briefkaarten), die als absurd en onwetenschappelijk wordt afgedaan, omdat het concept zelf slechts een vaag metaforisch begrip is, dat alleen kan bestaan in een collectief geheugen.
Een belangrijk aspect van het betoog is de “Friese identiteit” in relatie tot kunst. De auteur onderzoekt hoe begrippen als “typisch Fries,” “het Friese karakter” of “Friese identiteit” ontstaan en evolueren in een voortdurende interactie van mensen. Deze identiteit is primair een proces van identificatie en daardoor een veranderlijk fenomeen, niet intrinsiek verbonden met het “wezen” van de kunst zelf, maar met hoe er steeds met nieuwe ogen naar gekeken wordt. De auteur stelt dat de Friese identiteit steeds opnieuw wordt uitgevonden en in de kunst wordt geprojecteerd, waarbij ook die projectie met de tijd verandert.
Het boek verkent de spanning tussen heden en verleden, en tussen “binnen en buiten” – de periferie en het centrum. Friese kunst maakt deel uit van een bredere, zowel nationale als internationale, context. Deze voortdurende wrijving wordt zelfs gezien als de motor die de Friese identiteit in stand houdt. Desondanks heeft de beeldende kunst geen taal die gebonden is aan een specifieke tongval van een volk of regio.
Een cruciaal onderdeel van het betoog is de mythevorming rond Gerrit Benner. Het boek analyseert hoe het beeld van Benner als de “autodidact die het allemaal zelf uitvond,” het “miskende natuurtalent” en de “eenling” is ontstaan en in stand is gehouden, zowel binnen als buiten Friesland. De doorbraak van Benner, die pas laat in zijn carrière plaatsvond, wordt als een “mirakel” beschreven, waarbij feiten die het beeld van miskenning konden verzachten, met terugwerkende kracht uit het collectieve geheugen werden gewist.
De auteur betoogt dat Benner niet zozeer vluchtte uit een “barbaars Friesland”, maar dat hij in de Randstad tot een mythe werd verheven als een “nobele wilde” uit het noorden. Zijn “eenzame wandelaar”-imago, dat zelfs voorliep op ontwikkelingen in Nederland, werd versterkt door interpretaties van invloedrijke critici zoals W. Jos. de Gruyter en Hans Redeker. Dit mythische beeld, van de begenadigde eenling die de essentie van de moderniteit belichaamde, bleef voortbestaan, zelfs toen zijn werk uit de mode raakte.
Het boek behandelt ook de vertraging van de moderne kunst in Friesland. Hoewel de abstractie landelijk een probleem was, werd de strijd tussen abstracten en realisten in de Friese regio zelfs in verhevigde mate uitgevochten, vaak gedreven door een angst voor abstractie en een verlangen naar herkenbare werkelijkheid in een diep agrarische regio. De provincie werd vaak gezien als een “oase voor eenlingen en autodidacten” die weinig voeling hadden met de ontwikkelingen elders, een beeld dat door sommigen als officiële geschiedschrijving is verheven. Dit “eenzame Friesland” wordt gezien als een noodzakelijk complement van de mythe van de Friese autodidact, omdat een autodidact in cultureel opzicht een “leegte” nodig heeft om te gedijen.
Verder wordt de rol van kunstinstellingen en kritiek geanalyseerd. Het boek beschrijft hoe regionale kunstcritici in de naoorlogse jaren een bloeiperiode beleefden en de kunst in een breed, humaan perspectief plaatsten. Tegelijkertijd was er een groeiende argwaan tegen de mythe van de avant-garde en vooruitgang, wat leidde tot twijfel over begrippen als coherentie, stijl en identiteit, vooral in een excentrische regio als Friesland. De toename van “niet-Friese” kunstenaars en het verschuivende kunstklimaat zorgden ervoor dat het “typisch Friese karakter” van kunst minder herkend werd.
Tenslotte keert het betoog terug naar de aanvankelijke vraag: bestaat “de kleur van Friesland” wel? Het boek concludeert dat deze kleur in werkelijkheid niet bestaat en ook nooit heeft bestaan, ondanks de hardnekkige zoektocht van Friezen ernaar. De “Friese identiteit” in de beeldende kunst is problematisch geworden, en het idee van een “immanent Fries Kunstwollen” wordt ontkracht. De mythe van de eigenzinnige eenling of autodidact wordt uiteindelijk gezien als een romantisch cliché dat de hedendaagse cultuurindustrie ten goede komt, maar tegelijkertijd een hinderlijk obstakel vormt voor de actuele beeldvorming van de beeldende kunst in Friesland. Het boek suggereert dat Friese kunst vooral gedijt in de “leegte” en de open horizon, die uitnodigt om een eigen weg te gaan, los van conventies.