Een gat in de spirituele ozonlaag

Hetzelfde recept als gisteren. AI leest mijn manuscript, in dit geval van mijn boek ‘Jihad of verstandsverbijstering’, dat in 2017 verscheen. Vervolgens maakt ‘hij’ daar een blogtekst van, met daar achteraan een gesprek tussen een man en een vrouw over de inhoud van het manuscript. Dit was het resultaat.

***

In dit essay ontvouwt de auteur een indringende visie op de nauwe samenhang tussen secularisering, het verdwijnen van transcendentie en de opkomst van zowel psychotisch als terroristisch geweld. Vanuit zijn eigen psychotische ervaring als jongvolwassene stelt hij kritische vragen bij de gangbare psychiatrische kaders en pleit hij voor een bredere, interdisciplinaire benadering van de geestelijke gezondheid — één die ook filosofie, religie en cultuurwetenschappen durft te betrekken.

De centrale vraag die hem drijft, ontstond na de golf van terreuraanslagen in Europa in de zomer van 2016: wat is de relatie tussen religie, psychose en terroristisch geweld? Hoewel hij geen psychiater, filosoof of theoloog is, maar kunsthistoricus, raakt deze vraag aan zijn diepste persoonlijke fascinatie. Zijn eigen psychose in 1966 ontstond op het snijvlak van jeugd en volwassenheid, juist toen hij zich abrupt losmaakte van het katholieke wereldbeeld waarin hij was opgegroeid. Die ervaring van ontworteling en leegte herkent hij nu bij jonge adolescenten die opgroeien tussen culturen, religies en identiteiten. Zo ontstaat zijn zoektocht naar het “grijze gebied” tussen psychose en terreur, waarin beide fenomenen als expressie van geestelijke ontregeling kunnen worden verstaan.

De auteur stelt dat in het neoliberale Westen de ervaring van transcendentie langzaam verdwijnt. Daarmee verdwijnt ook een essentiële bestaansgrond: een diepere bedding voor zin, gemeenschap en geestelijk houvast. Wat overblijft is een “verstikkende leegte” en een “pijnlijk gemis”. In zo’n vacuüm kan een terreurdaad worden ervaren als een “noodsprong naar het absolute” — een wanhopige poging om zingeving en radicale betekenis te herwinnen.

De metafoor van de caissonziekte illustreert dit proces krachtig: net zoals een duiker ziek wordt van een te snelle opstijging, zo raakt de geest ontregeld wanneer traditionele zingeving te snel verdwijnt zonder dat er een nieuw moreel of spiritueel houvast voor in de plaats komt. Zowel psychotische ontsporingen als vormen van religieus gemotiveerd geweld zijn symptomen van deze plotselinge culturele decompressie. Volgens de auteur is de hedendaagse crisis van het fundamentalistische islamisme dan ook niet los te zien van de doorgeschoten secularisering binnen een geglobaliseerd neokapitalistisch systeem.

Tekenend voor deze tijd is dat de grens vervaagt tussen de “verwarde jonge man” en de geradicaliseerde jihadist. De een lijkt een psychiatrisch geval, de ander een ideologisch bewuste dader, maar in beide gevallen spelen vervreemding, existentiële leegte en de zoektocht naar betekenis een cruciale rol. Terwijl de jihadist doelgericht handelt vanuit een ideologie, en de psychoticus impulsief en wanordelijk, ziet de auteur een parallel in de psychische structuur: beiden kunnen in “het niets” een ultieme ervaring van vrijheid en transcendentie beleven. Op het hoogtepunt van psychose ontstaat soms een gevoel van almacht en morele onthechting — een ervaring die verwantschap vertoont met de beleving van radicale zuiverheid en zelfopoffering bij terroristen.

Daarnaast ziet hij in zowel psychotische als terroristische belevingswerelden een ontkenning van het lichaam ten gunste van de geest. Het lichamelijke wordt ervaren als obstakel of ballast, en geweld — al dan niet op zichzelf gericht — als middel tot bevrijding of reiniging. Zowel in suïcidaal geweld als in mystiek getinte psychosen speelt deze grensoverschrijding een centrale rol.

Opmerkelijk is de scherpe kritiek die de auteur uit op de hedendaagse psychiatrie. Hij wijst op het “vreemde zwijgen” van de discipline tegenover deze fenomenen, en beschrijft de geestelijke gezondheidszorg als een systeem dat gevangen zit in classificaties, protocollen en een reductionistisch mensbeeld. Onder invloed van neurowetenschappen en biologisch determinisme is de psychiatrie, volgens hem, haar wereldbeeld kwijtgeraakt. Ze durft zich niet langer te wagen aan vragen over betekenis, zingeving en spirituele ervaringen. De psychose is gemedicaliseerd en ontdaan van haar mystieke dimensie. De depressie is gereduceerd tot een chemisch defect in plaats van een existentieel tekort. Daarmee verdwijnt de mogelijkheid om geestesziekten te begrijpen als uitdrukking van een diepere ontologische crisis.

Het seculiere experiment, dat door sommigen als geslaagd wordt beschouwd, maskeert volgens de auteur fundamentele geestelijke kwalen die voortkomen uit het verlies van zin, gemeenschap en transcendentie. Juist omdat disciplines als psychiatrie hun verbinding met kunst, literatuur en religie zijn kwijtgeraakt, blijven belangrijke betekenislagen van geestelijke ontsporing onbelicht.

De auteur pleit daarom voor een interdisciplinaire aanpak waarin niet alleen psychologen en psychiaters, maar ook filosofen, theologen, kunstenaars en geestelijk verzorgers samenwerken. Vooral voor jonge mensen met een migratieachtergrond, die kampen met identiteitsverlies en existentiële vervreemding, is het cruciaal dat geestelijke begeleiding niet alleen biomedisch is, maar ook culturele en religieuze resonantie kent. De inzet van gematigde imams en pastores zou daarbij een brug kunnen slaan tussen persoonlijke crisis en culturele bedding.

In essentie laat de auteur zien dat zijn eigen psychose een microkosmos was van een bredere maatschappelijke crisis: het verdwijnen van een gedeeld godsbeeld en de spirituele leegte die daarop volgde. Wat zich bij hem voltrok als een innerlijke breuk, voltrekt zich nu op grotere schaal in samenlevingen waar jongeren tussen culturen en wereldbeelden balanceren. De psychotische ervaring biedt, paradoxaal genoeg, een venster op een dieper tekort in onze cultuur: een gebrek aan gedeelde symbolen, transcendente zin en geestelijke diepgang.

Alleen wanneer de psychiatrie opnieuw durft te kijken naar de menselijke geest in haar volle breedte — inclusief haar religieuze, existentiële en symbolische dimensies — kan zij werkelijk bijdragen aan het begrijpen en voorkomen van ontsporingen die zich uiten in geweld, waan of radicale zelfopheffing.