Faith and art in secular age

Ik blijf me verbazen over de mogelijkheden die de kunstmatige intelligentie te bieden heeft. Gisteren vond ik de eerste versie terug van een manuscript, dat uiteindelijk heeft geleid tot mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering, dat in 2013 is verschenen. Ik heb die tekst door AI laten samenvatten tot een blogtekst, met daar achteraan een geluidsopname van een gefingeerd gesprek tussen een man en  een vrouw over de inhoud van dit manuscript. Het werd een dialoog die AI als prestigieuze titel meegaf: Faith and art in secular age. Dit was het resultaat.

***

De secularisatie heeft een diepgaande invloed gehad op zowel het religieuze landschap als de individuele geloofsbeleving in Nederland, met een piek in de jaren zestig. De radicale ontkerkelijking leidde tot de sluiting van kerken en kloosters, tastbare symbolen van een religieus tijdperk dat zijn vanzelfsprekendheid verloor. De traditionele Rooms-Katholieke ‘steenmachines’ werden leeg en verlaten, restanten van een wereld die zijn totaliteit had verloren. Waar religie ooit een overkoepelend wereldbeeld bood, raakte zij nu versnipperd en uitgehold. De autoriteit van het geloof werd aangetast, de ‘God van het conventionele christendom’ veranderde in een ‘kwijnende God’. Deze veranderingen culmineerden in de opkomst van de zogeheten “God-is-dood-theologie”, die niet alleen theologische maar ook culturele consequenties had. God was niet langer de vanzelfsprekende grond van het bestaan; Hij werd afwezig, onhoorbaar, of verschoven naar een ervaringsgerichte, immanente dimensie. Sommige theologen spraken zelfs over een ‘religie zonder God’, of een ‘seculiere religie’, waarin het spirituele werd losgemaakt van het transcendente.

Tegelijkertijd voltrok zich een culturele revolutie waarin religieuze dogma’s en tradities verder vervaagden. De moderne theologie werd uitgedaagd om het goddelijke opnieuw te verbeelden in een wereld die het wonder als bovennatuurlijke categorie had verworpen. Dit proces raakte niet alleen instituties, maar ook individuen. Voor velen, vooral degenen die deze verschuiving in hun jeugd meemaakten, ontstond een existentiële leegte, een gevoel van achtergelatenheid dat niet zelden gepaard ging met een onbestemd verlangen naar iets wat verdwenen was – een ‘onmogelijk verlangen’ naar een verleden dat als goed werd ervaren, maar dat niet meer terug zou keren.

De nadruk verschoof van dogma naar subjectieve ervaring. Mensen gingen op zoek naar spiritualiteit buiten de gevestigde kaders, in een innerlijke zoektocht die vaak gepaard ging met psychologische diepgang en introspectie. Dit verlangen kreeg soms vorm in nostalgie – niet als naïef verlangen naar herstel, maar als reflectieve nostalgie: een poging om het verloren verleden te exploreren en er betekenis aan te geven. In dit vacuüm werd de mens teruggeworpen op zichzelf. De wereld was ‘onttoverd’ en het bestaan moest nu op eigen kracht gedragen worden. Zoals Camus schreef: er is geen verlossing zonder overgave – maar die overgave moest nu plaatsvinden zonder de garanties van het geloof. Verantwoordelijkheid werd niet langer aan God toegeschreven, maar aan het individu zelf.

Deze ontwikkelingen brachten ook nieuwe vormen van spiritualiteit voort. Kunst kreeg een prominente plaats als uitdrukking van existentiële vragen. Zij werd performatief, gericht op de beleving van het moment, op het ‘hier en nu’, als alternatief voor de sacrale structuren die hun zeggingskracht hadden verloren. Tegelijk veranderde de beleving van tijd. De lineaire, heilsgeschiedkundige tijd maakte plaats voor een platte, herhalende tijdservaring. In deze nieuwe tijdsorde werden dagelijkse handelingen rituelen die echo’s leken van een traumatisch verleden, dat zich onophoudelijk in het heden herhaalde en nooit helemaal afgesloten kon worden. Het verleden werd niet langer gezien als voltooid, maar als iets wat zich bleef aandienen – ‘makeable’, beschikbaar, en tegelijk ongrijpbaar.

Een figuur die deze breuk en heroriëntatie op exemplarische wijze belichaamde, is Gerard Reve. Zijn bekering tot het katholicisme in de jaren zestig was paradoxaal en esthetisch van aard – een verzoening van moderniteit met traditie, eerder liturgisch en mystiek dan dogmatisch. In Reve’s werk weerklinken de spanningen van een tijd waarin God uit het publieke domein verdween, maar in het innerlijk des te nadrukkelijker werd gezocht. Hij worstelde met de afwezigheid van God, met liefde en dood, en zocht naar een vorm van religie waarin het mysterie nog bestaansrecht had. Zijn ‘Roomse romantiek’ keerde zich tegen het nihilisme van de moderniteit en zocht naar een God ‘die in het hart woont’. Deze zoektocht naar een diepere werkelijkheid, voorbij het oppervlakkige materialisme, toonde een verlangen naar spiritualiteit als bestaansgrond.

Ook in de persoonlijke herinneringen van de auteur komt deze spanning tot uitdrukking. De jeugd werd gekenmerkt door angst, overbezorgdheid en een panische blik, die de wereld als een bedreigende ruimte deed aanvoelen. De katholieke opvoeding bleef een onderstroom, ook als deze later werd afgewezen. De radicale secularisatie van de jaren zestig en zeventig liet een gevoel van leegte achter, en beïnvloedde blijvend de spirituele en intellectuele oriëntatie van degenen die in die tijd opgroeiden. De confrontatie met het ‘God-is-dood-denken’ in de jeugd werd bepalend voor de verdere zoektocht naar betekenis. Plaatsen als de schuilkerk De Zaaier in Amsterdam, waar de jonge Reve de preken van Lambert Simon bijwoonde, en andere heilige of symbolische plekken, drukten een blijvend stempel op de spirituele vorming.

Deze zoektocht was niet louter rationeel, maar ook psychologisch en emotioneel verweven. Reve’s bekeringsproces was een traag psychologisch proces, doortrokken van seksuele obsessies en macabere fantasieën die hij wist om te vormen tot religieuze symboliek. De dood van zijn moeder was een diep ingrijpende gebeurtenis die zijn mystieke gevoeligheid versterkte. Ook bij de auteur werden jeugdherinneringen – soms pas laat herkend – verweven met een fascinatie voor Reve’s werk. Nostalgie, als verlangen naar een onbereikbaar verleden, werd niet alleen een vorm van verlies, maar ook een methode om dat verleden te exploreren, te bevragen, en er misschien iets nieuws uit te laten ontstaan. Het verleden bleek geen afgesloten hoofdstuk, maar een kracht die voortdurend in andere gedaanten terugkeert.

Toch was er ook verlies. De onthullingen van seksueel misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk – op het St. Ignatius College, waar de auteur zijn middelbareschooltijd beleefde – betekenden een fundamentele breuk in het vertrouwen. Wat ooit heilig was, werd bezoedeld. Dit leidde tot een gevoel van ‘betrokken verraad’ en voedde het verlangen naar een nieuw soort godsdienst – een geloof voorbij de instituties, voorbij de schade, maar niet zonder herinnering.

Tenslotte is de relatie met tijd en sterfelijkheid bij Reve van fundamenteel belang. Voor hem was het leven van meet af aan doordrenkt met het besef van eindigheid – van de dood ‘die als tijd wordt ingeboren’. Zijn bestaan voltrok zich als een uitgesteld afscheid, een vorm van wachten die geen verlossing bood, maar slechts bevestiging van het onontkoombare. Deze vroeg ingeprente ervaring van de dood als onderlaag van het leven bepaalde niet alleen zijn literaire toon, maar ook zijn religieuze gevoeligheid.

In die doorwerking wordt duidelijk hoe jeugdherinnering, trauma, religie en cultuur geen losstaande domeinen zijn, maar zich vervlechten tot een innerlijk patroon van verlies, verlangen en betekenis. De jeugdervaringen vormen niet alleen de onderlaag van zijn latere denken; ze sturen ook de richting van zijn zoektocht naar het goddelijke – een zoektocht die, ondanks de voortschrijdende secularisatie, niet verdwenen is, maar van vorm en taal is veranderd. Wat resteert is niet zozeer geloof, maar hunkering – een religie zonder dogma, een liturgie van afwezigheid.

Opmerkelijk is hoe deze existentiële doorleving van de dood contrasteert met de ironie en soms groteske humor in Reves werk. Juist tegenover het onpeilbare van sterfelijkheid en het verlangen naar het goddelijke, plaatst hij een stijlvol cynisme – een literaire vorm van zelfbescherming, maar ook een manier om het ondraaglijke draaglijk te maken. Zijn ironie is zelden louter afstandelijk; ze verbergt een diepere ernst, alsof het lachen zelf een vorm van bidden wordt. 

In die spanning tussen bespotting en verlangen, tussen het banale en het sublieme, openbaart zich de ware complexiteit van zijn schrijverschap. Zo blijft Reves werk getuigen van een diep innerlijk conflict: de mens die weet dat hij zal sterven, maar toch blijft zoeken naar een god die misschien juist in het gemis wordt gevonden.