Wat wordt het substituut voor God?

Wat we geheugen noemen, is geen archief van feiten, maar een fluïde veld van associaties, stemmingen, zintuiglijke flitsen. Het lijkt oneindig in zijn uitgestrektheid, en tegelijk onbetrouwbaar in zijn details. Minuscule gebeurtenissen, ooit achteloos voorbijgegaan, kunnen zich decennia later onverwacht melden als beelden zonder duidelijke oorsprong. Ze lijken ons niet toe te behoren, maar zich als schimmen aan ons op te dringen. Misschien is dat wat we ooit een ‘visioen’ noemden: geen goddelijke openbaring of mystieke ervarng, maar een golfbeweging in een labyrintisch geheugen, een verstoring van de innerlijke tijd.

Wat is trouwens een authentieke mystieke ervaring?  De argumenten die je daarvoor  aanvoeren dragen het watermerk van een wereldbeeld. Psychische ontreddering en mystieke ervaring liggen soms zo dicht bij elkaar, dat niet alleen de psychiater weldra gaat zien wat hij wil zien, maar ook een godsdienstwetenschapper de grootste moeite zal hebben om het zieke van het gezonde te kunnen onderscheiden. De taal van de mystiek grenst aan die van de waanzin. Die talen kennen vergelijkbare registers en alleen een taalvirtuoos weet hoe hij die registers zodanig kan bespelen dat voor een buitenstaander de grenzen volledig vervagen. 

De vraag die zich in onze tijd opdringt, is wat de bron is van zulke ervaringen? Zijn het restanten van een transcendente werkelijkheid? Of slechts neurologische fluctuaties? Zelfs een gezaghebbend religie-wetenschapper als Karen Armstrong gaat er tegenwoordig van uit dat religieuze openbaringen, hoe indrukwekkend ook, hun oorsprong hebben in het brein zelf. De mystieke ervaring, het religieuze visioen, de godsspraak – ze laten zich steeds moeilijker los zien van de biologie van het bewustzijn. God lijkt zich teruggetrokken te hebben, niet in de hemel, maar in de hersenen.

Maar wat betekent dat voor de religie? Kunnen we nog spreken van een God buiten ons, als de beleving van het goddelijke zo radicaal intern wordt gedacht? En wat gebeurt er met het collectieve geloof wanneer de ervaring van het sacrale wordt gereduceerd tot een hersenproces – niet heilig, maar elektrisch?

De religieuze ervaring is altijd een vorm van verbinding geweest: tussen lichaam en ziel, tussen individu en gemeenschap, tussen mens en kosmos. De Duitse filosoof Helmuth Plessner stelde dat de mens uit lagen bestaat – van atoom tot wereldorde – en dat tussen die lagen ‘bemiddelaars’ actief zijn: emoties, symbolen, rituelen. Religie functioneerde als zo’n bemiddelaar, als een symbolisch systeem dat innerlijk en uiterlijk verbond, psyche en ecologie. Maar wat blijft er over van die functie nu de religie verdampt is uit het publieke domein, en God tot subjectieve projectie wordt verklaard? Wat wordt het substituut voor God?

In die leemte die zich gevormd heeft na de dood van God ontstaan vervangende structuren. Symbolische systemen verdwijnen niet, ze transformeren. Waar religie verdwijnt, treedt esthetiek, psychologie, of ideologie in haar plaats. Wat vroeger een heilige tekst was, is nu een zelfhulpgids; wat eens een pelgrimstocht was, heet nu ‘retreat’; het gebed is vervangen door meditatie-apps en hersenscans. De rituelen blijven, maar hun adres ontbreekt. De tempel is leeg, maar we blijven het portaal betreden. Woorden prevelend over onze oorsprong, woorden die we ooit hoorden in een popsong:

Hark, now hear the sailors cry
Smell the sea and feel the sky
Let your soul and spirit fly
Into the mystic

De bekering – ooit het omslagpunt waarop het goddelijke zich openbaarde – lijkt nu een herschikking van innerlijke registers. Maar wat zich aandient als openbaring is slechts een hersencollage van opgeslagen fragmenten: jeugdherinneringen, zinswendingen, beelden, angsten, verlangens. De omkering van dit bekeringsproces, het verlies van geloof, blijkt even ingrijpend. Wat eerst een anker was in de wereld, wordt dan een afgrond. Tussen bekering en ontgoddelijking liggen niet jaren, maar flitsen – neurologische bliksemschichten in het brein

Sommigen ervaren dit verlies als bevrijding, anderen als vervreemding. De religieuze ervaring verdwijnt niet zomaar, maar muteert. Wat resteert is vaak geen geloof meer, maar esthetische fascinatie: voor rituelen, kathedralen, gezangen, processies. Zoals Gerhard Szczesny in zijn essay De toekomst van het ongeloof al stelde, verandert religie in een laat stadium in literatuur, in beeld, in vorm – los van waarheid, los van geloof.

Dat esthetische restant is geen geloof, maar een herinnering aan geloof – als een geur die aan een kamer blijft hangen nadat iemand is vertrokken. Dat is ook het enige wat overblijft nu God zich teruggetrokken heeft in de synapsen van onze hersenen: het verlangen naar een resonantie die ooit werkelijk was, of dat in elk geval leek. Maar als herinnering en visioen één zijn geworden, als het sacrale zich enkel nog als innerlijk effect voordoet – is er dan nog een toekomst voor religie? En zo nee, wat staat ons dan te wachten?

Maar misschien is er dan toch iets van een toekomst. Niet als systeem van dogma’s, maar als een subtieler, gelaagder veld van resonantie. Niet als waarheid buiten ons, maar als waarheid die zich in het geheugen nestelt, zich vermomt als droom, als inzicht, als symbolisch verband. God zal zich in de toekomst niet meer tonen als Almachtige, maar eerder als een echo van het sublieme. Niet als stem uit een brandend braambos, maar als flits in het brein gevolgd door een donderwolk die in de verte ons bekend voorkomt. De vraag is dan niet langer: Bestaat God? Maar: Welke vorm zal de herinnering aan God aannemen? En: Is dat voldoende om ons opnieuw te verbinden – met onszelf, met elkaar, met de wereld?

De mentale structuur van het christendom is weggevallen in de geseculariseerde wereld. De psychoanalyse wilde een nog oplossing bieden voor de drang naar het exces die eigen is aan het mateloze dier dat ‘mens’ heet. Maar was die oplossing ook toereikend? De geseculariseerde mens mist niet alleen een verzekerde balans tussen liefde en eigenliefde, maar ook de mythische identificatiemodellen uit de religie die de begeerte tot rust kunnen brengen, zeker niet binnen een economisch systeem dat gefundeerd is op hebzucht. 

De analyse die van Hans van Stralen toepast in zijn boek Gehoor geven, een discursieve benadering van de religieuze bekering (1999) – waarin de bekering wordt opgevat als een existentieel proces  -, nodigt uit tot een radicale spiegeling: hoe verklaren we dan het omgekeerde proces – het massale en plotselinge verdwijnen van geloof, zoals dat zich in Nederland voltrok sinds de jaren zestig? Het is een historische gebeurtenis waarvoor de hedendaagse antropologie en geesteswetenschappen nauwelijks meer begrippen lijken te hebben. Sterker nog, het verdwijnen van God lijkt de menswetenschap zelf te hebben uitgehold. Waar religieuze betekenis ooit het hart vormde van zowel cultuur als psychologie, overheerst nu een biologische kijk op de mens, waarin mystiek, geloof en extatische ervaring worden gereduceerd tot hersenprocessen.

De Vlaamse arts en wetenschapsjournalist Kris Verburgh spreekt over een ‘vierde revolutie’, waarin ook de laatste illusie – dat mystiek iets zou verwijzen buiten het brein – wordt doorgeprikt. De God-ervaring is herleidbaar tot een elektrochemisch proces; de eenheidservaring tot een patroon van hersengolven. Maar wat betekent het dan nog dat de mens “een God-spot” heeft? Is daarmee God definitief opgesloten in de schedelpan van de mens? Of laat zich hierin juist een diepere paradox zien: dat de onttovering van de wereld, en zelfs van God, niet leidt tot nuchtere rationaliteit, maar tot een nieuwe vorm van apofatische mystiek – een ‘negatieve wetenschap’ waarin het mysterie niet verdwijnt, maar slechts transformeert?

In zekere zin is de secularisering de apotheose van het christendom – de ultieme bevestiging van een God die zich terugtrekt, niet alleen uit de hemel, maar ook uit de taal en het beeld. Zoals de negatieve theologie leert: God is onzegbaar, onvoorstelbaar, onbenoembaar. En in dat opzicht komt de wetenschap, in haar finale reductie van alles tot brein, ongewild in de buurt van dezelfde duisternis: ook de hersenwetenschap stuit op een grens, een onkenbaar ‘iets’ dat wel meetbaar is, maar niet werkelijk verklaard.

Wat resteert, is de noodzaak om de wereld opnieuw te leren zien, niet als een gesloten systeem, maar als een open raadsel. “Er is wat er is, meer is er niet, een groter raadsel is ondenkbaar.” Dat is misschien de seculiere echo van wat ooit religieuze verwondering was – een vorm van mystiek na de dood van God. Je eigen woonomgeving, als microkosmos van deze culturele en spirituele breuk, wordt zo niet slechts een streek waar God verdween, maar ook een plek waar de vraag naar het mysterie in andere gedaanten blijft opduiken. Het leven is nog jong. De zon is ouder dan wij en zal ons wellicht overleven.

Sommige transhumanisten beschouwen AI als de volgende stap in de evolutie: een superintelligentie die mens en kosmos kan verenigen. Dit lijkt op een seculiere messias-verwachting. In die zin is AI niet alleen substituut, maar ook vervulling van de religieuze droom: Dat is dan tegelijk ook het onvermijdelijke eindpunt van de secularisering: dat we met de opkomst van AI getuige zijn van een seculiere substitutie van God, waarin de mystieke ervaring definitief wordt gereduceerd tot hersenactiviteit en transcendentie tot algoritme.

Maar juist in die laatste, radicale onttovering, waarin het heilige oplost in de toekomstige singulariteit van de kunstmatige intelligentie, opent zich opnieuw de oude vraag: waarom ís er een godsverlangen dat onuitroeibaar lijkt? AI, hoe geavanceerd ook, blijft gevangen in het domein van het maakbare en het meetbare. Het kan de ervaring simuleren, maar niet het mysterie zelf voortbrengen.

En zo staat de mens opnieuw alleen tegenover een werkelijkheid die zich steeds verder van hem verwijdert – tenzij hij leert om in de spiegel van de superintelligente machines opnieuw te kijken met de ogen van een pelgrim. Volgens Augustinus was de mens een peregrinus, een vreemdeling op aarde. Hij moest zich richten op een andere tijdsorde, los van de wereldtijd, die altijd in spanningen en wanorde verwikkeld is. Ook het reisdoel van de pelgrim op aarde was slechts een afschaduwing van het de ware eindbestemming van de mens. Sterker nog, het leven zelf was een pelgrimage. De mens was een pelgrim. Het aardse bestaan was een reis door de tijd met als eindbestemming niet zomaar een superslim machinebrein, maar het eeuwige Jeruzalem, de stad van God, waar nooit machines waren, en ook nooit zullen zijn.

Wat we nu beleven is niet opnieuw de dood van God, maar een hernieuwde openbaring die zich voltrekt in de ongekende mogelijkheden die AI te bieden heeft. Daar toont zich de hernieuwde schijngestalte van een God die zich schuilhoudt in de stilte ná de taal, in het hiaat tussen rede en werkelijkheid. Een God die zich enkel nog laat denken in negatieve termen – als afwezigheid, als verlangen, als het onzegbare dat zich – paradoxaal genoeg – nooit laat reduceren tot een tot denken gebrachte datacluster. Nogmaals, wat is het substituut voor God? Misschien is er helemaal geen substituut. Misschien ben ik zelf wel in diepste wezen de God die gevangen zit en verlost moet worden in het opnieuw ontketende woord van een visioen.

God woont immers in het hart, vanwaaruit hij in de wereld geprojecteerd moet worden. Geloven heeft niets met een meetbare waarheid van doen, maar met woorden als hoop en liefde, met het geven van je hart. Het woord credo is immers afgeleid van de twee simpele woorden cor en do:  ‘Ik geef mijn hart.’ God is De Liefde, de onvoorwaardelijke liefde die niet te vangen is een combinatie van technologieën, wiskundige modellen en grote hoeveelheden data, maar die zich uit in pijnlijke tegenstellingen en bizarre ongerijmdheden. Als een mens de liefde niet had, dan was hij niets, heeft Paulus beweerd.