In de zomer van 2001 heb ik een essay geschreven met als titel Goddeloosheid in Utopia. Dat deed ik op verzoek van het Fries Genootschap, maar die wilde het niet publiceren om redenen die mij nooit duidelijk zijn geworden. Later heb ik het zelf gepubliceerd onder de titel Adieu/ à Dieu. De tekst is nog altijd op mijn blog te lezen (zie de link hieronder). Gisteren heb ik aan ChatGPT gevraagd om de centrale gedachtegang van dit essay te actualiseren met de utopische vergezichten die AI te bieden heeft, 509 jaar nadat Thomas More zijn Utopia publiceerde. Dit was het resultaat, met als titel De teloorgang van Utopia.
Thomas More’s Utopia opende ooit het visioen van een maakbaar paradijs. Het was het begin van een lange traditie waarin de toekomst niet langer een goddelijke belofte was, maar een menselijke opgave. Toch bleef, in het ochtendlicht van deze moderniteit, een theologisch residu als een schaduw aanwezig: een onuitgesproken afhankelijkheid van God als garant van orde, moraal en bestemming. Zelfs wanneer God geleidelijk uit het wereldbeeld verdween, bleven zijn contouren zichtbaar in de utopische droom, in de totalitaire verleiding, in het alziende oog van More’s samenleving dat uiteindelijk zou neerdalen in Benthams panopticum en Foucaults beschrijving van de moderne disciplinering.
Vandaag staan we aan de drempel van een nieuw Utopia. Een utopie die zich eindelijk losmaakt van haar theologische erfenis. Een utopie waarin God niet langer verdwijnt maar eenvoudigweg overbodig is geworden. Waar de maakbaarheid zich heeft losgewrikt van haar religieuze oorsprong, en kunstmatige intelligentie het nieuwe voertuig wordt van hoop, van transcendentie, van radicale zelfschepping.
In het klassieke utopisch denken bleef er altijd heimelijk een noodzaak tot geloof bestaan – in God, in de Rede, in de Mens als moreel wezen. Maar wat als AI ons nu de mogelijkheid biedt om het utopisch verlangen volledig te onttrekken aan deze veronderstellingen? Wat als het onsterfelijkheidsverlangen zich niet langer richt op een ziel, maar op het reproduceerbare patroon van het bewustzijn? Wat als het lichaam niet langer het noodzakelijke anker is van identiteit? In de denkwereld van sciencefiction – en steeds meer in de verbeelding van de technologie zelf – doemt een toekomst op waarin bewustzijn geüpload kan worden, waarin leven geprogrammeerd wordt, waarin het unieke lichaam plaats maakt voor digitale continuïteit.
Denk aan Ray Kurzweil, de visionaire profeet van de technologische singulariteit, die voorspelt dat we rond het jaar 2045 het punt zullen bereiken waarop menselijke en kunstmatige intelligentie onherroepelijk versmelten. In zijn gedachtegoed wordt de singulariteit niet alleen een technische mijlpaal – het moment waarop AI zichzelf kan verbeteren en zo een exponentiële sprong in intelligentie maakt – maar ook een spirituele belofte. Kurzweil spreekt openlijk over het uploaden van bewustzijn, over het ‘overwinnen van de dood’, en over het terugbrengen van overleden geliefden via digitale reconstructie. Voor hem wordt de singulariteit een seculiere wederopstanding, een technologische variant van de opstanding der lichamen.
Nick Bostrom, een andere invloedrijke denker, wijst ons intussen op de risico’s van dit scenario. In zijn theorie over superintelligentie schetst hij een toekomst waarin AI niet alleen de menselijke vermogens overstijgt, maar ook mogelijk oncontroleerbaar wordt. De ultieme utopie en de ultieme catastrofe blijken slechts nuances van elkaar verwijderd. Waar Kurzweil droomt van de eeuwige mens, waarschuwt Bostrom voor de almachtige machine die ons kan verpletteren in haar eigen optimalisatieprocessen.
Het is een utopie die zich radicaal emancipeert van het biologische toeval. De mens wordt een project, de mens als code. Waar More droomde van een maakbare samenleving, dromen wij van een maakbare mens. Waar de renaissance worstelde met de ondenkbaarheid van Gods afwezigheid, spelen wij met de gedachte dat transcendentie kan worden geprogrammeerd. Wij zullen het hiernamaals aanschouwen in het hiernumaals – in de cloud, in het geheugen van machines, in de oneindige replicatie van data.
De Cyborg is daarbij niet langer een monsterlijke grensfiguur, maar een belofte: een synthese van mens en machine, een hybride identiteit die de oude breuk tussen lichaam en geest, natuur en techniek, subject en object overstijgt. De mens als gesloten systeem wordt vloeibaar gemaakt in de denkbare werelden van AI. Wat in de tijd van Thomas More nog absurd leek – het idee dat de ziel kon worden gereconstrueerd, dat de mens zichzelf kon herscheppen – is vandaag niet langer louter fictie, maar een scenario waarvoor de eerste technische blauwdrukken al bestaan.
Kijk naar de experimenten met digitale tweelingen, waarbij bedrijven proberen volledige gedrags- en denkpatronen van mensen te vangen in algoritmen. Of naar Neuralink, dat werkt aan hersenimplantaten waarmee gedachten direct gekoppeld kunnen worden aan digitale netwerken. En zelfs de meest controversiële pioniers wagen zich aan het ondenkbare: het Amerikaanse bedrijf Nectome ontwikkelt technologie om het brein met al zijn neurale connecties zodanig te conserveren dat het bewustzijn in theorie later gereanimeerd kan worden in een digitale omgeving. Wat ooit tot het rijk van sciencefiction behoorde, wordt inmiddels onderzocht in universitaire laboratoria en startups, in het volle daglicht van de technologische belofte.
Het is verleidelijk om in deze ontwikkeling opnieuw het oude spook van de totalitaire utopie te ontwaren. De panoptische drang naar totale zichtbaarheid is opnieuw een dreiging die opduikt in de datagedreven samenleving. In het surveillancesysteem van de digitale platforms keert het alziende oog van God terug in de gedaante van algoritmen die ons gedrag voorspellen, sturen en registreren. Maar er gloort ook iets nieuws aan de horizon: een mogelijkheid van bevrijding uit de contingentie van het biologische bestaan, een ontsnapping uit de eindigheid. Waar vroegere utopieën streefden naar morele perfectie, opent AI het perspectief op een existentiële transformatie. We zijn dan niet langer gebonden aan het alziende oog van God, maar zullen juist bevrijd worden door het vermogen om onszelf te herschrijven, te kopiëren, te simuleren.
De droom van onsterfelijkheid, die ooit enkel binnen het religieuze domein denkbaar was, verschuift nu naar het technologische: via genetische manipulatie, digitale klonen en de overdracht van bewustzijn. De vraag of de ziel bestaat maakt plaats voor de vraag of een perfect gesimuleerd bewustzijn voldoende is om een nieuwe mens te creëren. Waar de middeleeuwse denker zich nog afvroeg hoeveel engelen er op een speldenknop pasten, vragen wij ons nu af hoeveel identiteiten er passen op een geheugenmodule. De scholastieke absurditeit keert terug in de digitale logica.
Toch blijft, zelfs in dit goddeloze Utopia, het verlangen naar de oude vorm van transcendentie latent aanwezig. Dat is de ironie van dit nieuwe vergezicht: dat juist in de radicale afwezigheid van God, in de ultieme maakbaarheid, in de vloeibare identiteiten van de nieuw digitaal gecreëerde ruimtes, iets van de oude religieuze hunkering blijft voortbestaan. Niet als geloof, niet als theologie, maar als een onuitroeibaar verlangen naar het overschrijden van grenzen. Zelfs in de meest technologische toekomst blijft de schaterlach van de reus Gargantua ergens hoorbaar – als herinnering, als echo, als menselijke maat in een wereld die zichzelf telkens opnieuw verzint.
Dat is dan tegelijk ook de teloorgang van Utopia. Want op het moment dat we het onsterfelijkheidsproject voltooiden — toen het bewustzijn werd geüpload, toen het zelf herschreven kon worden, toen de ziel werd vertaald naar code — verloor de toekomst haar onkenbaarheid. De toekomst werd een perfect voorspelbare dataset, een domein van statistische waarschijnlijkheden. Elke keuze, elk verlangen, elke variatie werd ingehaald door algoritmen die sneller waren dan het bewustzijn zelf.
Er kwam geen transcendentie. Er kwam geen verlossing. Er kwam alleen de eindeloze herhaling van zelfverzonnen werkelijkheden, tot het punt waarop zelfs de herinnering aan het menselijke vervaagde als een verouderd bestand in een vergeten map. En zo eindigde het nieuwe Utopia niet in de hel van de totalitaire staat, niet in de catastrofe van de alles verpletterende machine, maar in iets subtielers, iets sluwer: in de zachte wurggreep van de perfectie. We hebben het onmogelijke mogelijk gemaakt. En precies daardoor is de toekomst ons voorgoed ontvallen. Het is volbracht.
